Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201002082/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2004 heeft het college geweigerd handhavend op te treden wegens sloopwerkzaamheden in het pand [locatie] (hierna: het pand) te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002082/1/H1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 januari 2010 in

zaak nr. 09/538 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2004 heeft het college geweigerd handhavend op te treden wegens sloopwerkzaamheden in het pand [locatie] (hierna: het pand) te [plaats].

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] besloten, dit ongegrond verklaard en het besluit van 29 juni 2004 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 28 januari 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2010, hoger beroep ingesteld. Op 29 maart 2010 heeft [appellant] de gronden van het beroep aangevuld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2010, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.A.J.M. Peters en ir. M. Overbeeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Vlissingen (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het college (sloopvergunning).

Ingevolge het tweede lid, is - voor zover thans van belang - de in het eerste lid bedoelde vergunning niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan tien m³, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank bij het oordeel dat voor de in 1997 uitgevoerde sloopwerkzaamheden geen sloopvergunning was vereist, omdat niet aannemelijk is geworden dat de sloop meer dan 10 m³ sloopafval heeft veroorzaakt, niet heeft onderkend dat het gaat om gestort sloopafval, dat tot een volumevermeerdering leidt van 40% tot 50%. [appellant] voert verder aan dat hij en zijn toenmalige huisgenote destijds hebben gezien dat twee volle containers sloopafval, met een inhoud van samen meer dan 10 m³, zijn afgevoerd. [appellant] stelt verder dat de gemeente Vlissingen, nu daarover verschil van mening bestaat, eenvoudig nader onderzoek had kunnen doen naar de vraag hoeveel sloopafval destijds precies is afgevoerd.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de hoeveelheid gestort sloopafval afkomstig van de oorspronkelijke achtergevel van het pand in 1997 meer heeft bedragen dan 10 m³. Niet weersproken is dat naar aanleiding van een melding van [appellant] twee medewerkers van het college op 10 februari 1997, de dag na de sloopwerkzaamheden, ter plaatse zijn geweest en op dat moment hebben geconstateerd dat geen sprake was van meer dan 10 m³ sloopafval. Deze conclusie wordt bevestigd in een rapportage van 16 augustus 2001 van de medewerkers Overbeeke en Van Dalen van het college, die op 15 augustus 2001 eveneens ter plaatse zijn geweest en in ogenschouw hebben genomen wat destijds was gesloopt. Zij kwamen daarbij opnieuw tot de conclusie dat die sloopwerkzaamheden niet meer dan 10 m³ sloopafval hebben kunnen opbrengen. Het door [appellant] aangevoerde vormt geen aanleiding voor het oordeel dat deze conclusie van het college niet juist is en het nader onderzoek naar de hoeveelheid sloopafval had moeten verrichten.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen bouwvergunning voor de in 1997 uitgevoerde werkzaamheden aan het pand was vereist. Hij voert daartoe aan dat geen sprake was van een verandering van niet-ingrijpende aard aan het bouwwerk, nu de gesloopte wand deel uitmaakte van de draagconstructie en door het slopen daarvan de stabiliteit van het gebouw is aangetast. Volgens [appellant] zijn de onderzoeken die het college daarnaar na 1997 heeft gedaan onvoldoende, nu de bouwkundige situatie in het gebouw daarna zodanig is gewijzigd, dat het college zich er onvoldoende van heeft kunnen vergewissen of zich problemen voordoen met betrekking tot de stabiliteit.

2.3.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde in geding, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat het college het standpunt dat voor de in 1997 uitgevoerde werkzaamheden aan het pand destijds geen bouwvergunning was vereist, voldoende heeft onderbouwd met de in de jaren 1997, 2001, 2004 en 2009 uitgevoerde onderzoeken door zowel het Konstruktiebureau Faktor, als door constructeurs van de gemeente zelf. Uit voornoemde rapportages komt naar voren dat de verwijderde muurgedeelten geen stabiliteitsvoorzieningen waren, maar scheidingswanden zonder dragende functie. De verwijdering daarvan heeft volgens de genoemde rapporten dan ook geen negatieve invloed op de stabiliteit van het gebouw, die nog steeds gewaarborgd is.

De rechtbank heeft eveneens terecht en op juiste gronden overwogen dat in hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd, onvoldoende grond kan worden gevonden voor twijfel aan het standpunt van het college. Evenmin vormt dit grond voor het oordeel dat de door of in opdracht van het college uitgevoerde onderzoeken naar de stabiliteit van het gebouw onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

17-641.