Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4245

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201003161/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 21 oktober 2008, heeft de minister een verzoek van [wederpartij] van 4 juli 2008 om aan [partij] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003161/1/V6.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/1385 in het geding tussen:

[wederpartij], in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [partij] (hierna: [wederpartij],

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 21 oktober 2008, heeft de minister een verzoek van [wederpartij] van 4 juli 2008 om aan [partij] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit, verzonden op 11 maart 2009, heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na verzending van de uitspraak met in achtneming daarvan een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 april 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

[partij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, en [partij], vertegenwoordigd door mr. dr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, voor zover thans van belang, wordt aan een minderjarig kind dat ten tijde van het naturalisatieverzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, het Nederlanderschap slechts verleend, indien op hem geen van de afwijzigingsgronden van artikel 9, aanhef en onder a, van toepassing is.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of het besluit daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Daarbij geldt dat iedere taakstraf (werk- of leerstraf), ongeacht de duur daarvan, tot afwijzing van het verzoek leidt. Evenmin is van belang of de sanctie voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Voorts bestaat er geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig het jeugdstrafrecht anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket. Met de jeugdige leeftijd van de dader is reeds rekening gehouden, omdat het jeugdstrafrecht beduidend lichtere straffen kent. Daarnaast is het in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht, aldus de Handleiding.

2.2. In het justitieel documentatiesysteem is vermeld dat de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam [partij], geboren op 4 februari 1992, bij vonnis van 19 januari 2007 heeft veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, wegens poging tot zware mishandeling, gepleegd op 21 december 2005 en bij vonnis van 30 maart 2007 heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, wegens (verbale) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd op 28 september 2005.

De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich in het besluit, verzonden op 11 maart 2009, terecht op het standpunt heeft gesteld dat gelet op het in 2.1 vermelde beleid ernstige vermoedens bestaan dat [partij] een gevaar voor de openbare orde oplevert.

2.3. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich, gelet op het samenstel van de door [partij] aangevoerde omstandigheden, in redelijkheid niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de openbare orde zich tegen de toewijzing van het naturalisatieverzoek verzet. Daartoe voert de minister aan dat in de Handleiding is vermeld dat de door [partij] aangevoerde omstandigheden dat hij de strafbare feiten kort na elkaar, in een voor hem zeer moeilijke periode, op zeer jonge leeftijd heeft gepleegd, en nadien geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan, niet zodanig bijzonder zijn dat die tot afwijking van de Handleiding zouden nopen.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 25 juni 2008 in zaak nr. 200800329/1), dient het bevoegd gezag bij de toepassing van het beleid ten aanzien van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN er rekening mee te houden dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken.

In de Handleiding is vermeld dat de onderscheiden omstandigheden dat de betrokken verzoeker ten tijde van het plegen van de strafbare feiten minderjarig was, op dat moment in een zeer moeilijke periode verkeerde, die definitief is afgesloten, lering uit het gebeurde heeft getrokken en thans ieder strafbaar gedrag probeert te vermijden, niet zodanig bijzonder zijn dat die tot afwijking van de Handleiding zouden kunnen nopen. De minister heeft derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in de afzonderlijke door [partij] aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding voor afwijking van de Handleiding gezien. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat [partij] na 21 december 2005 geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan de ernst van de inbreuk op de rechtsorde, waarvoor de in 2.2. vermelde werkstraffen zijn opgelegd, onverlet laat. Evenmin had de minister, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het samenstel van deze omstandigheden als zodanig bijzonder moeten aanmerken dat dit tot afwijking van de Handleiding zou nopen. Nu de minister zich bij het vaststellen van het in de Handleiding neergelegde beleid van de afzonderlijke omstandigheden rekenschap heeft gegeven, moet het samenstel van deze omstandigheden hierbij eveneens geacht betrokken te zijn.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de minister zich, gelet op het samenstel van de door [partij] aangevoerde omstandigheden, in redelijkheid niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de openbare orde zich tegen de toewijzing van het naturalisatieverzoek verzet.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, wordt aan deze gronden niet toegekomen. Over deze gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/1385;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Spanninga, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Spanninga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

485.