Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201002508/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college aan de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gascompressorstation met meet- en regelstation, gelegen aan de Provincialeweg N-214, ter hoogte van kilometerpaal 3.8 te Wijngaarden, gemeente Graafstroom. Dit besluit is op 1 februari 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/30
Milieurecht Totaal 2010/4658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002508/1/M1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Behoud Polders Graafstroom, gevestigd te Rotterdam, en [appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college aan de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een gascompressorstation met meet- en regelstation, gelegen aan de Provincialeweg N-214, ter hoogte van kilometerpaal 3.8 te Wijngaarden, gemeente Graafstroom. Dit besluit is op 1 februari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de Stichting, [appellant A], [appellant B] en [appellant C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 maart 2010.

Gasunie heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2010, waar [appellant B], vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.G. van Tilburg, drs. ing. M.J.G.R. van Binsbergen en J.Heckman, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Gasunie, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, mr. G.H. Hamelink-Bouwman, advocaat te Groningen, en mr. J. Dekker, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.1. De Stichting, [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben in hun brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, de gronden van hun beroep niet vermeld. Bij aangetekende brief van 16 maart 2010 zijn zij gewezen op dit verzuim en zijn zij tot en met 13 april 2010 in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. De onder ‘Procesverloop’ vermelde brief van 26 maart 2010, waarbij de gronden van het beroep zijn aangevuld, is uitsluitend namens [appellant B] en de Stichting ingediend. Deze brief is niet mede namens [appellant A] en [appellant C] ingediend, zodat dezen binnen de gestelde termijn niet alsnog de gronden van het beroep hebben vermeld.

Het beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant A] en [appellant C], is niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van die wet naar voren te hebben gebracht.

2.2.1. Over het ontwerpbesluit zijn door, voor zover hier van belang, de Stichting en [appellant B] geen zienswijzen naar voren gebracht. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit hun redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Weliswaar is het besluit ten opzichte van het ontwerp gewijzigd, in die zin dat naar aanleiding van het advies van de brandweer Zuid-Holland Zuid van 29 oktober 2009 de veiligheidsvoorschriften in de paragrafen 6 en 7 zijn aangevuld, maar de Stichting en [appellant B] zijn hierdoor niet in een nadeliger positie gebracht.

De Stichting en [appellant B] hebben ter verschoning aangevoerd dat het ingevolge artikel 12, derde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) voorgeschreven advies van de brandweer Zuid-Holland Zuid van 29 oktober 2009 niet bij het ontwerpbesluit van 29 september 2009 betrokken is geweest en ook niet bij het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. Nog daargelaten dat uit artikel 12, derde lid, van het Bevi niet kan worden afgeleid dat de brandweer reeds voorafgaand aan de opstelling van het ontwerpbesluit in de gelegenheid moet worden gesteld advies uit te brengen, vormde de door de Stichting en [appellant B] aangevoerde omstandigheid geen beletsel om zienswijzen over het ontwerpbesluit, waaronder het onderdeel externe veiligheid, naar voren te brengen.

Het beroep, voor zover het is ingesteld door de Stichting en [appellant B], is gelet hierop eveneens niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

271-489.