Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201003559/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] medegedeeld dat op 11 september 2008 van rechtswege bouwvergunning eerste fase is verleend voor het vergroten van een werktuigenloods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003559/1/H1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 maart 2010 in zaak nrs. 10/319 en 10/320 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1. Procesverloop

Bij brief van 12 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] medegedeeld dat op 11 september 2008 van rechtswege bouwvergunning eerste fase is verleend voor het vergroten van een werktuigenloods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning tweede fase verleend voor het vergroten van een werktuigenloods op het perceel.

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college de door [appellant] tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Door [appellant] zijn nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Klaver, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ing. J.W.L. Thijs, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de vergroting met 192 m2 van een reeds op het perceel aanwezige loods van ongeveer 288 m2. [vergunninghouder] exploiteert op het perceel een rundvee- en schapenhouderij.

2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning ingevolge artikel 52 van de Woningwet had moeten aanhouden, nu het bouwen is aan te merken als een verandering van een inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.

2.2.1. Ingevolge artikel 52, van de Woningwet, voor zover hier van belang, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.

Ingevolge artikel 56a, vijfde lid, aanhef en onder e, voor zover hier van belang,wordt indien de bouwvergunning in twee fasen wordt verleend, in artikel 52, in plaats van 'aanvraag om bouwvergunning' gelezen: aanvraag om bouwvergunning tweede fase.

2.2.2. Blijkens de bouwtekening, behorend bij de aanvraag, bestaat de loods na verwezenlijking van het bouwplan uit drie gedeelten: twee ruimten die als werktuigenloods zijn aangemerkt en een gedeelte dat als dierenverblijf is aangemerkt. In een schriftelijke toelichting op de aanvraag van De Peel consultancy, gedateerd 15 oktober 2008, is aangegeven dat de loods gebruikt zal worden voor activiteiten die vallen binnen de werkingssfeer van de vergunning ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer van 26 september 2001. Het nieuwe deel van de loods zal verder worden gebruikt als huisvestingsruimte voor dieren en als opslagruimte voor gewonnen ruwvoer. Niet is aannemelijk geworden dat door de uitbreiding van de loods een zodanig gebruik wordt toegestaan dat moet worden geoordeeld dat daarvoor een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is vereist. Daarbij is voorts van belang dat het college onweersproken heeft gesteld dat de activiteiten vallen binnen de reikwijdte van het Besluit landbouw milieubeheer dat op het bedrijf van toepassing is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, is onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat de voorzieningenrechter zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor het college geen aanleiding bestond de beslissing op de aanvraag aan te houden. Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning eerste fase ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leende" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden", met de nadere aanduiding "agrarisch bebouwingsvlak".

Ingevolge artikel 12, eerste lid van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig op de kaart aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het twaalfde lid is het verboden de bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden".

Ingevolge het dertiende lid, aanhef en onder c, wordt onder zodanig verboden gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van de bebouwing voor de uitoefening van enige vorm van bedrijf, anders dan de uitoefening van het agrarisch bedrijf in overeenstemming met de op de plankaart aangegeven bedrijfscategorie.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het gebruik van de loods in strijd is met het bestemmingsplan, zodat daarvan vrijstelling had moeten worden verleend. Volgens hem is het bedrijf geen volwaardig agrarisch bedrijf. [appellant] stelt zich op het standpunt dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de werktuigenloods zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Hij voert aan dat [vergunninghouder] een onjuiste opgave heeft gedaan van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Ten slotte voert hij aan dat op het aanvraagformulier om bouwvergunning is vermeld dat de werktuigenloods bewoond zal worden.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 april 2003, in zaak nr. 200206292/1, moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch moet mede worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

Voor zover [appellant] betoogt dat het bedrijf op het perceel niet is aan te merken als volwaardig bedrijf en daarmee dat de uitbreiding van de loods niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, treft dit betoog geen doel. Ingevolge artikel 12 van de planvoorschriften is gebruik van de gronden ten behoeve van een agrarisch bedrijf toegestaan. Daarbij is, nu het bestemmingsplan die eis niet stelt, niet van belang of het bedrijf al dan niet als volwaardig aangemerkt kan worden.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, is verder geen grond gelegen voor het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de loods zal worden gebruikt voor doeleinden die in strijd zijn met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden". Vast staat dat [vergunninghouder] op het perceel een rundvee- en schapenhouderij exploiteert, welk gebruik in overeenstemming met de aan het perceel gegeven bestemming geacht moet worden. De loods zal onder meer worden gebruikt als huisvestingsruimte voor vee en als opslagruimte ten behoeve van het op het perceel gevestigde agrarische bedrijf. Dit gebruik is in overeenstemming met het bestemmingsplan. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat [vergunninghouder] de loods zal gebruiken voor het stallen van vrachtwagens van derden. Ter zitting heeft het college overigens opgemerkt dat indien het perceel wordt gebruikt in strijd met de bestemming, handhavend zal worden opgetreden.

Anders dan [appellant] betoogt, is artikel 10, tweede lid, van de planvoorschriften niet op het perceel van toepassing. Deze bepaling ziet uitsluitend op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (ALC)", zodat de omstandigheid dat het gebruik van de loods in strijd is met dit artikel, wat daar ook van zij, niet van belang is. De omstandigheid dat [vergunninghouder] op het aanvraagformulier om bouwvergunning eerste fase heeft vermeld bewoner te zijn van het bouwwerk, moet worden opgevat als een kennelijke verschrijving, nu er verder geen aanknopingspunten zijn dat het bouwwerk als woning zal worden gebruikt. Gelet op het vorenoverwogene heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat het (beoogde) gebruik niet strookt met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.5. Tot slot heeft [appellant] in zijn hoger beroepschrift verwezen naar zijn beroepschrift. Ter zake wordt overwogen dat de voorzieningenrechter in de aangevallen uitspraak gemotiveerd is ingegaan op deze in beroep aangevoerde gronden. Door [appellant] worden in het hoger beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

163-627.