Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201001936/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 13 oktober 2009 heeft het college aan "de stichting Stichting Protestants Christelijk Onderwijs te Utrecht" (hierna: PCOU) ontheffing en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee noodlokalen voor basisonderwijs op het schoolplein aan de zuidoostkant van de Maliebaanschool op het perceel Maliebaan 56 te Utrecht (hierna: het perceel) voor de periode tot 31 augustus 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/1912 met annotatie van mr. D. Meloni
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001936/1/H1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2010 in zaak nrs. 09/3440 en 09/3341 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 13 oktober 2009 heeft het college aan "de stichting Stichting Protestants Christelijk Onderwijs te Utrecht" (hierna: PCOU) ontheffing en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee noodlokalen voor basisonderwijs op het schoolplein aan de zuidoostkant van de Maliebaanschool op het perceel Maliebaan 56 te Utrecht (hierna: het perceel) voor de periode tot 31 augustus 2011.

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college de wettelijke grondslag van de bij besluit van 13 oktober 2009 verleende ontheffing gewijzigd, onder aanvulling van de motivering, en het besluit van 13 oktober 2009 inzake de ontheffing voor het overige gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het beroep zag op de aanvankelijk gehanteerde grondslag van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2010, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, advocaat te Utrecht, en vertegenwoordigd door R. Verkaik, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Desgevraagd zijn na zitting nog stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan [appellant] toegezonden.

Bij brief van 25 oktober 2010 heeft [appellant] een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buiten Wittevrouwen" (hierna: het bestemmingsplan), rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (M)".

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen de gronden die op de plankaart voor "Maatschappelijke Doeleinden (M)" zijn bestemd uitsluitend worden gebruikt voor het oprichten van en hebben van bouwwerken ten behoeve van het onderwijs, waaronder in ieder geval begrepen scholen, opleidingsinstituten en onderwijsgebouwen ten behoeve van de universiteit.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, mogen de gronden die niet zijn gelegen binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens, uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig de bestemming en mogen slechts worden bebouwd met bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die passen in de bestemming en waarvan de hoogte niet meer bedraagt dan 2.50 meter.

2.2. Het bouwplan is in strijd met artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften, nu de twee noodlokalen op grond van de bouwaanvraag buiten de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens worden geplaatst.

Om verwezenlijking ervan mogelijk te maken, heeft het college ontheffing krachtens artikel 3.22 van de Wro verleend.

2.3. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wro kan het college met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat onvoldoende is verzekerd dat de twee noodlokalen op het perceel uiterlijk op 31 augustus 2011 zullen worden verwijderd en het college mitsdien niet bevoegd was de ontheffing te verlenen. Daartoe voert hij aan dat de financiering van de verbouwing van het schoolgebouw aan de Homeruslaan niet is verzekerd. Voorts stelt hij dat de groei van het aantal leerlingen in de Maliebaanschool niet zodanig zal toenemen dat het schoolgebouw aan de Homeruslaan zou kunnen worden gevuld. Tot slot stelt hij dat de medezeggenschapsraad van de Maliebaanschool nog geen advies dienaangaande heeft uitgebracht en dat het schoolbestuur, het personeel noch de ouders van de leerlingen de verhuizing van de locatie aan de Maliebaan zouden voorstaan. Voorts betoogt [appellant] dat ten onrechte geen last onder dwangsom is opgelegd, teneinde de tijdige verwijdering van de twee noodlokalen te verzekeren.

2.4.1. De Afdeling heeft, onder meer in de uitspraak van 17 maart 2010, in zaak nr. 200906942/1, overwogen dat voor de toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro is vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening.

2.4.2. Ten gevolge van een grotere en snellere toename van het aantal basisschoolleerlingen in de Maliebaanschool, kunnen niet alle leerlingen die zich op deze school hebben ingeschreven worden gehuisvest in het bestaande schoolgebouw. Het college heeft zich in het besluit van 6 januari 2010 op het standpunt gesteld dat het bouwplan voorziet in de oprichting van twee tijdelijke noodlokalen op het perceel in afwachting van de tijdelijke huisvesting van de Maliebaanschool in het schoolgebouw aan de Notebomenlaan, uiterlijk per 31 augustus 2011. Blijkens dit besluit is de verwachting dat de Maliebaanschool per 1 januari 2012 definitief zal worden gehuisvest in een schoolgebouw aan de Homeruslaan. Het college heeft hierbij een beroep gedaan op het besluit van de gemeenteraad van 19 november 2009, nr. 2009-131, waarbij is vastgesteld dat de locatie aan de Homeruslaan, waar thans het Utrechts Stedelijk Gymnasium is gehuisvest, vrij zal komen.

2.4.3. Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat voldoende is aangetoond dat de twee noodlokalen voorzien in een tijdelijke behoefte als bedoeld in artikel 3.22 van de Wro. Uit de na de zitting ingediende nadere stukken is niet gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit concrete, objectieve gegevens voorhanden waren op grond waarvan het college de tijdelijkheid van de voorzieningen ten behoeve van een basisschool voor de aangegeven termijn had moeten aannemen. Uit argument 5.1, behorende bij het raadsvoorstel van 19 november 2009, nr. 2009-131, is weliswaar gebleken dat het Utrechts Stedelijk Gymnasium de locatie aan de Homeruslaan zal verlaten, doch daarmee staat niet vast dat de Maliebaanschool naar deze locatie zal verhuizen. Uit deze stukken blijkt evenmin dat is besloten dat, indien nodig, de Maliebaanschool na 31 augustus 2011 tijdelijk zal worden gehuisvest aan de Notebomenlaan. De toezegging door het college ter zitting dat het door middel van bestuursdwang handhavend zal optreden indien de twee noodlokalen na 31 augustus 2011 nog steeds op het perceel zijn geplaatst, biedt onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie.

Het besluit van 6 januari 2010 mist derhalve een deugdelijke motivering. Dit heeft de voorzieningenrechter miskend. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan een oordeel over het betoog van [appellant] dat het college een preventieve last onder dwangsom had moeten opleggen, teneinde de tijdige verwijdering van de twee noodlokalen te verzekeren.

2.5. Met het oog op finale beslechting van het geschil zal de Afdeling nog ingaan op de overige gronden.

2.6. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de uitbreiding van het aantal leerlingen geluidsoverlast met zich mee brengt. Hij voert daartoe aan dat het college deze geluidsoverlast had moeten onderzoeken, nu er voldoende aanwijzingen zijn dat de ten tijde van het nemen van het besluit van 13 oktober 2009 geldende geluidsnormen werden overschreden.

2.6.1. De te verwachten geluidsoverlast vanwege de extra leerlingen maakt deel uit van de belangenafweging door het college bij het verlenen van de ontheffing. Gelet op de geringe uitbreiding van het aantal lokalen, heeft de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college nader onderzoek had moeten verrichten naar de te verwachten geluidhinder. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de geluidsbelasting ten gevolge van de oprichting van de twee noodlokalen zodanig zal toenemen dat het college de ontheffing om deze reden had moeten weigeren. Daarbij mocht het college mede betrekken dat per 1 januari 2010 artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking is getreden. Ingevolge dat artikel blijft het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs, ook op een binnenterrein, buiten beschouwing.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de uitbreiding van het bestaande schoolplein in de naastgelegen tuin onderdeel had moeten uitmaken van het besluit op de bouwaanvraag voor de twee noodlokalen, nu het gebruik van de tuin onlosmakelijk is verbonden met de plaatsing van de twee noodlokalen op het schoolplein.

2.7.1. Het college dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Gelet op de bouwaanvraag en de bijbehorende bouwtekeningen, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het uitbreiden van het schoolplein in de naastgelegen tuin geen onderdeel uitmaakt van de bouwaanvraag. Het gebruik van de naastgelegen tuin is in het besluit van 6 januari 2010 dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van 13 oktober 2009 en het besluit van 6 januari 2010 van het college alsnog gegrond verklaren. Deze besluiten komen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Alleen de door [appellant] gemaakte reis- en verletkosten komen voor vergoeding in aanmerking. De gestelde kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken, worden niet vergoed, nu [appellant] deze zelf, op eigen naam, heeft ingediend. De kosten van het deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu dat rapport niet heeft bijgedragen aan de beslissing van de Afdeling. De door [appellant] gevorderde kopieerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien het Besluit proceskosten bestuursrecht daarvoor geen grondslag biedt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2010 in zaak nrs. 09/3440 en 09/3341;

III. verklaart het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 13 oktober 2009 en 6 januari 2010, kenmerk BV20906320;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 79,78 (zegge: negenenzeventig euro en achtenzeventig cent);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

17-669.