Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201001666/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de op het perceel [locatie 1] te Apeldoorn (hierna: het perceel) gebouwde garage, voor zover deze afwijkt van de van rechtswege aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001666/1/H1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 januari 2010 in zaak nr. 08/2095 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de op het perceel [locatie 1] te Apeldoorn (hierna: het perceel) gebouwde garage, voor zover deze afwijkt van de van rechtswege aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning, afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2010.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft - desgevraagd - nog stukken toegezonden

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.U. van der Zee, en het college, vertegenwoordigd door J.M. van Wegen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 23 juli 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] bevestigd dat op de voet van artikel 46, vijfde lid, van de Woningset van rechtswege een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een garage op het perceel. De voordien reeds door de vorige eigenaar zonder bouwvergunning op het perceel gebouwde garage (hierna: de garage) wijkt echter op de volgende onderdelen af van deze bouwvergunning:

- de garage is niet vrijstaand van de woning op het perceel gebouwd, maar is met de linkervoorzijde aan die woning vast gebouwd, zodanig dat de woning een hoekje met een oppervlakte van 0,33 m² uit de oppervlakte van de garage neemt;

- de garage heeft een oppervlakte van 19,51 m² en is daarmee 1,3 m² groter is dan de oppervlakte waarvoor bouwvergunning is verleend;

- de garage is niet tot op de erfgrens, maar 0,39 m over de erfgrens met het perceel van [appellant] aan de [locatie 2] gebouwd.

2.2. Aangezien [vergunninghouder] de garage in stand heeft gelaten in afwijking van de verleende bouwvergunning, heeft hij gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet. Het college was daarom bevoegd terzake handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in deze concrete situatie terecht is afgezien.

2.4.1. Het betoog slaagt. Gelet op de aard en omvang van de afwijkingen, als hiervoor onder 2.1 aangegeven, kon het gebouwde in afwijking van de verleende bouwvergunning niet worden aangemerkt als een overtreding van geringe aard of ernst. Er doet zich reeds daarom geen situatie voor waarbij handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.5. Gelet hierop zal de Afdeling de (overige) bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.6. [appellant] heeft betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat concreet zicht bestaat op legalisering. [appellant] voert daartoe aan dat de in afwijking van de bouwvergunning gebouwde garage in strijd is met redelijke eisen van welstand en dat daarvoor geen monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenverordening 2003 van Apeldoorn is verleend. Voorts voert [appellant] aan dat de garage wordt gebruikt als kantoor ondanks dat de garage niet geschikt is om ingevolge het Bouwbesluit 2003 als zodanig te worden gebruikt.

2.7. Dit betoog faalt. De in afwijking van de bouwvergunning gebouwde garage is, naar niet in geschil is, niet in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Indische Buurt en omgeving". Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat concreet zicht bestaat op legalisering. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor een ander oordeel, nu op voorhand niet is gebleken dat de garage niet in aanmerking komt voor de verlening van een monumentenvergunning, of dat de garage in strijd is met redelijke eisen van welstand. Van belang daarbij is dat het Gelders Genootschap de garage, waarop de verleende bouwvergunning betrekking heeft, op welstands- en monumentenaspecten positief heeft beoordeeld. Dat de garage 0,39 m over de erfgrens met [appellant] is gebouwd, dat de garage is aangebouwd aan diens garage en dat er vanuit de garage inkijk bestaat op het perceel van [appellant], leidt ook niet tot het oordeel dat zich een situatie voordoet waarbij geen concreet zicht bestaat op legalisering, nu deze omstandigheden geen weigeringsgronden voor de verlening van een bouwvergunning opleveren als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet. Dat het gebruik van de garage als kantoor, naar door [appellant] is aangevoerd, strijd oplevert met het Bouwbesluit 2003 kan hier buiten bespreking blijven. Immers van de kant van het college is zowel ter zitting bij de rechtbank als in hoger beroep vermeld dat de garage ten tijde van het bestreden besluit en ook nadien niet als kantoor in gebruik was. Overigens is een kantoorfunctie ter plaatse niet in strijd met de aan het perceel gegeven bestemming "Woondoeleinden (W)" en de nadere aanduiding "kantoor" en ziet het verzoek om handhaving van [appellant] ook niet op het gebruik van de garage in strijd met de bestemming. Ten slotte leidt de omstandigheid dat [vergunninghouder] (nog) geen aanvraag om bouwvergunning heeft ingediend om de garage te legaliseren eveneens niet tot een ander oordeel, nu het college de vraag of legalisering mogelijk is zelfstandig dient te beantwoorden, ook als nog geen concrete daarop gerichte bouwaanvraag is ingediend, en het daarbij niet aannemelijk is dat [vergunninghouder] weigerachtig is een zodanige aanvraag bij het college in te dienen.

Onder vorenvermelde omstandigheden heeft het college in redelijkheid kunnen afzien van het gevraagde handhavend optreden.

2.8. Het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep is ongegrond.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 januari 2010 in zaak nr. 08/2095;

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

357-543.