Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
200908787/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2008 heeft de burgemeester het door appellante gemaakte bezwaar tegen het niet dan wel niet tijdig nemen van een besluit op grond van de Paspoortwet ongegrond verklaard en de constatering dat het paspoort van appellante van rechtswege is vervallen, gehandhaafd onder wijziging van de grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908787/1/H3.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

een persoon zich noemende [appellante], wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2009 in zaak nr. 09/231 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2008 heeft de burgemeester het door appellante gemaakte bezwaar tegen het niet dan wel niet tijdig nemen van een besluit op grond van de Paspoortwet ongegrond verklaard en de constatering dat het paspoort van appellante van rechtswege is vervallen, gehandhaafd onder wijziging van de grondslag.

Bij uitspraak van 30 september 2009, verzonden op 1 oktober 2009, heeft de rechtbank het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 december 2009.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2010, waar appellante, bijgestaan door mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door L.H. Drost, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Paspoortwet wordt in deze wet onder inhouding verstaan het feitelijk aan de beschikking van de houder onttrekken van een op zijn naam gesteld reisdocument.

Ingevolge die aanhef en onder h, wordt onder vervallen of vervallenverklaring verstaan het ongeldig worden of de beslissing tot het ongeldig verklaren van een reisdocument.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder f, vervalt een reisdocument van rechtswege indien de houder is overleden.

Ingevolge die aanhef en onder h, vervalt een reisdocument van rechtswege indien door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het reisdocument.

Ingevolge het derde lid wordt de houder van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder h, hiervan op het moment van de inhouding in kennis gesteld door de tot inhouding van het reisdocument bevoegde autoriteit.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een reisdocument ingehouden, indien het van rechtswege is vervallen ingevolge artikel 47.

Ingevolge het derde lid onttrekt de daartoe bevoegde autoriteit het ingehouden reisdocument definitief aan het verkeer, tenzij nog een beroepstermijn openstaat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is.

2.2. [appellante] is op 19 augustus 2004 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie van Rotterdam (hierna: gba) wegens vertrek naar Marokko. Op 9 oktober 2006 heeft appellante zich gevestigd in Rotterdam op een geheim adres. Zij heeft op laatstgenoemde datum op naam van [appellante] een Nederlands reisdocument aangevraagd en verkregen. Op 26 oktober 2006 hebben drie personen die hebben medegedeeld de moeder en twee zussen van [appellante] te zijn, verklaard dat appellante niet [appellante] is, maar een nichtje van hen en dat [appellante] in 2004 in Marokko is overleden. De burgemeester heeft per fax een overlijdensakte op naam van [appellante] ontvangen. Op 27 oktober 2006 is in de gba aangetekend dat het op 9 oktober 2006 op naam van [appellante] vervaardigde reisdocument met nr. NM28CKB79 ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder f, van de Paspoortwet van rechtswege is vervallen wegens overlijden van de houder. De burgemeester heeft dit reisdocument op of omstreeks 20 november 2006 ingenomen.

2.3. In het besluit van 8 december 2008 heeft de burgemeester overwogen dat uit een onderzoek, verricht door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), volgt dat de Marokkaanse gelegaliseerde overlijdensakte is vervalst, dat de persoon die zich voordoet als [appellante] in werkelijkheid [persoon] is en dat [appellante] waarschijnlijk nooit heeft bestaan. Volgens de burgemeester is het reisdocument ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet van rechtswege vervallen, omdat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, namelijk gegevens uit de gba betreffende [appellante], en deze gegevens hebben geleid tot het verstrekken van het reisdocument.

2.4. Appellante betoogt dat de rechtbank onjuiste feiten aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd, omdat zij het bezwaar heeft gericht geacht tegen de aantekening in de gba van het van rechtswege vervallen van haar reisdocument. Het bezwaar van appellante is evenwel gericht tegen het niet dan wel niet tijdig nemen van een besluit, ofwel tegen het van rechtswege vervallen van het reisdocument.

Zij betoogt verder dat zij geen kennisgeving heeft ontvangen van het van rechtswege vervallen van haar paspoort op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet. De rechtbank heeft voorts volgens appellante ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester zich bij de vaststelling dat het paspoort van rechtswege is vervallen op het onderzoek van de SVB heeft mogen baseren. De SVB is niet de autoriteit die beslist of onjuiste gegevens bij de aanvraag om het paspoort zijn verstrekt. Bovendien vertoont het onderzoek van de SVB gebreken, aldus appellante.

2.4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de vraag beantwoord of de burgemeester terecht heeft vastgesteld dat bij de aanvraag van appellante om een paspoort gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens. Anders dan appellante betoogt, heeft de rechtbank hiermee het bezwaar van appellante niet gericht geacht tegen de aantekening in de gba van het van rechtswege vervallen van het paspoort, zodat dit betoog faalt.

Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat de burgemeester terecht heeft vastgesteld dat bij de aanvraag om een paspoort gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens en dat het aan appellante verstrekte paspoort van rechtswege is vervallen. Anders dan appellante betoogt heeft niet de SVB, maar de burgemeester vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens. Aan deze vaststelling heeft de burgemeester het rapport van de SVB van 13 april 2007 ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft in dit verband op goede gronden overwogen dat de burgemeester zich bij die vaststelling heeft mogen baseren op dit rapport van de SVB, waaruit volgt dat aan te nemen is dat de persoon die zich in Rotterdam voordoet als [appellante] in werkelijkheid [persoon] is, dat [appellante] waarschijnlijk nooit heeft bestaan en dat zowel de overlijdensakte als de mededeling van overlijden betreffende [appellante] zijn vervalst. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat aan de conclusies van het rapport van de SVB een zorgvuldig onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Appellante heeft de stelling dat aan het onderzoek van de SVB gebreken kleven dan wel dat de conclusies van het rapport van de SVB onjuist zijn, niet gestaafd met objectieve bewijsstukken.

In de omstandigheid dat appellante niet eerder dan bij het besluit op bezwaar van 8 december 2008 heeft kennisgenomen van het van rechtswege vervallen van het paspoort op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, en niet op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder f, van de Paspoortwet heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om dat besluit om die reden te vernietigen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

581.