Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
200910277/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2009, kenmerk 2009INT251034, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amersfoort bij besluit van 24 februari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Oost".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910277/1/R2.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2009, kenmerk 2009INT251034, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amersfoort bij besluit van 24 februari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Oost".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, en [appellant sub 2] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 5 januari 2010.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2010, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door G.G. Prinsen, en het college, vertegenwoordigd door drs. P.J.M. Verlaan, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door ing. W.R.H. van Santen-Buma, werkzaam bij de gemeente, P. Boshuizen, bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en M.J. van Burgsteden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich onder meer op de mogelijkheid die het plan biedt om op het perceel Emelaarseweg 14 twee extra woningen te bouwen.

2.1.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. [appellant sub 1] woont op een afstand van ongeveer 875 meter van de grens van het bouwvlak op het perceel Emelaarseweg 14. Vanuit haar woning heeft ze geen zicht op het te bebouwen deel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het perceel mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Het feit dat [appellant sub 1] gedurende een lange periode eigenaar en beheerder was van Landgoed Groot Stoutenburg leidt niet tot het oordeel dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van haar rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het plandeel dat ziet op Emelaarseweg 14, en dat ze daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, geen beroep kan instellen.

2.1.3. Het beroep van [appellant sub 1] is, voor zover gericht tegen het genoemde plandeel, niet-ontvankelijk.

Inhoudelijke beroepsgronden

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan heeft betrekking op het meest oostelijk gelegen deel van het grondgebied van de gemeente en voorziet in hoofdzaak in het vastleggen van de bestaande situatie in het plangebied.

Het beroep van [appellant sub 1] voor zover ontvankelijk

2.4. [appellant sub 1] voert aan dat er een discrepantie is tussen het plan en de plantoelichting wat betreft het plandeel met de bestemming "Landgoed" dat ziet op de Heerlijkheid Stoutenburg. Bij amendement heeft de raad bepaalt dat de bouwmogelijkheden in het gebied van de Heerlijkheid vervallen. [appellant sub 1] stelt dat deze wijziging wel is overgenomen in de voorschriften en op de plankaart, maar niet in de plantoelichting en dat er daardoor onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over de vraag wat de precieze bedoeling is van de planwetgever voor dit gebied.

2.4.1. Op grond van artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 in samenhang gelezen met het eerste lid van dit artikel maakt de plantoelichting geen deel uit van het plan, zodat daaraan geen bindende betekenis toekomt. In beroep kan derhalve niet tegen de plantoelichting worden opgekomen. Dit onderdeel van het beroep van [appellant sub 1] kan reeds hierom niet slagen.

2.4.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor zover ontvankelijk ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.5. In de eerste plaats stelt [appellant sub 2] dat aan het perceel Koedijkerweg 50 ten onrechte de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" is toegekend. Hiertoe betoogt [appellant sub 2] dat als het college voldoende onderzoek had gedaan naar het feitelijke gebruik van het perceel het college had moeten constateren dat ter plaatse geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten plaatsvinden, maar alleen hobbymatig dieren worden gehouden. Daarnaast heeft [appellant sub 2] bezwaar tegen de vergroting van het bouwvlak in de richting van zijn perceel, omdat dit de mogelijkheid biedt om op korte afstand van zijn perceel en in zijn directe uitzicht hoge bedrijfsgebouwen, rijbakken of andere bouwwerken te realiseren.

Verder stelt [appellant sub 2] dat het perceel [locatie], waarvan hij eigenaar is, ten onrechte is bestemd voor "Woondoeleinden". Dit perceel had bestemd moeten worden voor "Bedrijfsdoeleinden". [appellant sub 2] betoogt dat door het toekennen van een woonbestemming het perceel voor de tweede keer onder de werking van het overgangsrecht van een plan is gebracht. Dit is in strijd met de rechtszekerheid. Hierbij voert [appellant sub 2] aan dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009 in zaak 200803773/1/H1 vaststaat dat het bestaande gebruik van het perceel onder het overgangsrecht van het "Buitengebied Leusden 1996" valt.

Tot slot voert [appellant sub 2] aan dat op het perceel [locatie] in de bestaande situatie sprake is van twee woningen en dat deze als zodanig hadden moeten worden bestemd. Voor de bouw van de tweede woning is in 1963 een bouwvergunning verleend. Als er geen sprake zou zijn geweest van een bouwvergunning dan zou de tweede woning ook onder het overgangsrecht van het "Buitengebied Leusden 1996" vallen.

2.5.1. Het college stelt dat de uitbreiding van het bouwvlak op het perceel Koedijkerweg 50 in verhouding staat tot de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel.

Met betrekking tot het perceel [locatie] stelt het college dat het niet mogelijk is dit te bestemmen voor bedrijfsactiviteiten aangezien dit zou betekenen dat er sprake zou zijn van nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied.

Ten aanzien van de bestemming van de tweede woning op het perceel stelt het college zich op het standpunt dat het niet heeft kunnen constateren dat er in het verleden sprake is geweest van twee separate wooneenheden. Het college is daarom van mening dat de tweede woning niet onder het overgangsrecht valt.

2.5.2. Het perceel Koedijkerweg 50 heeft in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden". Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, mogen op de gronden met deze bestemming bedrijfsgebouwen ten behoeve van een doelmatig, volwaardig agrarisch bedrijf, bedrijfswoningen en andere bouwwerken worden gebouwd. Op grond van artikel 5, derde lid, onder a aanhef en sub 2 en 3, mogen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter hebben.

2.5.3. Bij het toekennen van de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" aan het plandeel dat ziet op het perceel Koedijkerweg 50 is de raad uitgegaan van de in 2005 verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het houden van 20 paarden, 6 schapen, 10 kippen, opslag van voer en opslag van vaste mest. Ter zitting is vast komen te staan dat Boshuizen tot heden een beperkt aantal paarden houdt. Voor de toekenning van de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" heeft de raad gesteld dat aanvullend onderzoek niet nodig is nu er geen aanleiding is om aan te nemen dat er geen sprake is van bedrijfsmatige agrarische activiteiten.

De Afdeling is van oordeel dat het college niet zonder nadere motivering de aan het perceel toegekende bestemmingen heeft kunnen goedkeuren. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan louter op de vergunning gebaseerd, terwijl onduidelijk was of er ter plaatse sprake was van reële bedrijfsmatige agrarische activiteiten. Het college heeft zonder onderzoek gesteld dat de uitbreiding van het bouwvlak in verhouding staat tot de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel. Noch uit de stukken noch ter zitting is gebleken dat Boshuizen concrete plannen had waarvoor uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden noodzakelijk was.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, in zoverre, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" dat ziet op het perceel Koedijkerweg 50.

2.5.5. Met betrekking tot [locatie] overweegt de Afdeling het volgende. Bij haar uitspraak van 25 maart 2009, nr. 200803773/1 heeft de Afdeling beslist dat op het bedrijfsmatige gebruik van dit perceel het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Leusden 1996" van toepassing was nu het bedrijfsmatige gebruik van het perceel niet is gewraakt. Ter zitting heeft het college in navolging van de raad erkend dat bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met dit feit. Tussen partijen is dit niet meer in geschil. Het college is er derhalve in navolging van de raad ten onrechte van uitgegaan dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse illegaal gebruik betreffen en dat een bedrijfsbestemming de vestiging van een nieuw bedrijf in het buitengebied zou betekenen.

2.5.6. Wat betreft de het door [appellant sub 2] aangevoerde dat op het perceel [locatie] legaal een tweede woning aanwezig is overweegt de Afdeling dat de bouwvergunning waarop [appellant sub 2] zich beroept, is verleend voor de verbouw van een woning en niet voor de oprichting van een nieuwe woning. Ter zitting heeft de raad gezegd dat hij niet aannemelijk kan maken dat de tweede woning niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Leusden 1996" valt, nu niet te achterhalen is wanneer de tweede woning is ontstaan en het gebruik als aparte woning niet is gewraakt. Het college is er derhalve in navolging van de raad ten onrechte van uitgegaan dat er sprake is van één woning in plaats van twee.

2.5.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 2] is ook op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het college daarbij goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat ziet op [locatie].

Tevens ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel.

2.6. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het plandeel dat ziet op Emelaarseweg 14;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 10 november 2009, kenmerk 2009INT251034, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" dat ziet op het perceel Koedijkerweg 50, en

b. het plandeel met de bestemming "Wonen" dat ziet op het perceel [locatie];

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder IIIb genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor zover ontvankelijk ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 902,55 (zegge: negenhonderdtwee euro en vijfenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

12-674.