Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4226

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201004372/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2010:BL9698
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het college een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/10 met annotatie van J.W. van Zundert, Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004372/1/H2.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 29 maart 2010 in zaak nr. 09/1271 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2008 heeft het college een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college het door [appellanten] en daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2010, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2010, hoger beroep ingesteld. [appellanten] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 28 mei 2010.

Het college en [appellanten] hebben verweerschriften ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2010, waar [appellanten], in persoon, bijgestaan door mr. M. Peeters, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.J. Lenders, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit gold ten tijde hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.

2.2. [appellanten], eigenaren van het perceel met woning aan de [locatie] te [plaats], hebben verzocht om vergoeding van de waardevermindering van hun woning ten gevolge van het bestemmingsplan "Prostitutiebeleid gemeente Roermond", dat door de gemeenteraad op 25 januari 2001 is vastgesteld en op 17 april 2001 door gedeputeerde staten van Limburg is goedgekeurd. Dit plan heeft tot gevolg dat het nabij hun woning gelegen perceel aan de Rijksweg 22 te Herten (hierna: het perceel), naast de reeds bestaande gebruiksmogelijkheden, tevens gebruikt mag worden ten behoeve van een seksinrichting, met uitzondering van een raamprostitutiebedrijf.

2.2.1. Het op 25 oktober 1979 door de gemeenteraad van Herten vastgestelde bestemmingsplan "Tramweg" kende aan het perceel de bestemmingen "eengezinshuizen klasse H" en "winkels toegelaten met bijbehorende achtererven" toe, met dien verstande, dat uitsluitend de begane grond van een pand, geheel of gedeeltelijk mocht worden gebouwd als winkel. In geval een winkel werd opgericht mocht het bijbehorende achtererf worden bebouwd met bij de winkel behorende bedrijfsgebouwen; de onbebouwd blijvende gedeelten van het bijbehorende achtererf mochten dan uitsluitend als parkeerterrein of tuin worden gebruikt.

2.2.2. Het college heeft zich in het besluit van 20 juli 2009 op advies van Kafi Advies Veldhoven b.v. (thans: Tog Nederland b.v.) van 19 juni 2008 en van Tog Nederland b.v. van 8 juni 2009 op het standpunt gesteld dat [appellanten] door de planologische wijzigingen niet in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren. De planologische wijzigingen hebben geen toename van hinder tot gevolg, nu onder het oude planologische regime de mogelijkheid bestond om op het perceel een supermarkt te exploiteren. Een seksinrichting heeft weliswaar een aantrekkende werking in het weekend en in de avonduren, terwijl een supermarkt dan veelal gesloten zal zijn, maar de verkeersaantrekkende werking en de gebruiksintensiteit van een supermarkt zal overdag, op zaterdagen en in de avonduren daarentegen aanzienlijk groter zijn dan van een seksinrichting. De met een supermarkt gepaard gaande overlast van verkeersbewegingen, zwerfvuil, aan- en afvoer door vrachtverkeer en rammelende winkelwagens is verder in mindere mate aanwezig bij een seksinrichting, aldus het college.

2.2.3. De rechtbank dit besluit vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daarbij heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat onder het oude regime, gelet op de beperkte oppervlakte van het perceel van 175 m², en de beperkte bebouwings- en ontsluitingsmogelijkheden daarvan, slechts de vestiging van een kleine supermarkt ter plaatse mogelijk was; dat het college met die planologische uitgangssituatie onvoldoende rekening heeft gehouden bij de bepaling van de overlast welke omwonenden van een dergelijke supermarkt kunnen ondervinden; dat het college ook overigens allerlei aspecten die voor de beoordeling van die overlast van belang zijn, zoals met name de ligging van het perceel en de daarmee verband houdende vraag op welke wijze de supermarkt bevoorraad zou kunnen worden en de te verwachten verkeersstromen onvoldoende heeft onderzocht. Ten aanzien van de door het college eerst in beroep genoemde mogelijkheid voor het vestigen van een videotheek op het perceel heeft de rechtbank overwogen dat daaromtrent elk gegeven omtrent dergelijke aspecten ontbreekt. Evenmin heeft het college volgens de rechtbank voldoende aandacht besteed aan de vraag welke overlast bij een maximale invulling onder het nieuwe regime met een seksinrichting van deze inrichting kan worden verwacht, gelet op onder meer het aantal mogelijke klanten, de beschikbare ruimte, de openingstijden en de mogelijkheid tot het schenken van alcoholische dranken in de inrichting.

2.3. Het college bestrijdt allereerst het oordeel van de rechtbank dat het verwijt, onvoldoende onderzoek te hebben gedaan naar de van een onder het oude regime mogelijke supermarkt dan wel videotheek door omwonenden te ondervinden overlast, doel treft. In dit verband heeft het college aangevoerd dat een supermarkt en videotheek tot de mogelijkheden van een maximale planologische invulling behoren en dat daarbij de feitelijke schade en derhalve ook de door de rechtbank gewenste feitelijke gegevens niet van belang zijn. Van een supermarkt of videotheek kan voorts volgens het college evenveel overlast worden ondervonden als van een seksinrichting.

2.3.1. Dit betoog treft geen doel. Dat bij maximale invulling onder het oude planologische regime de vestiging van een supermarkt of videotheek tot de mogelijkheden behoorde en dat daarvan op zich overlast kon worden ondervonden, is niet in geschil. Op dit punt worden door de rechtbank ook geen nader feitelijk onderzoek en nadere feitelijke gegevens verlangd. Waar het om gaat is in hoeverre de van dergelijke bedrijven, gelet op met name de beperkte beschikbare ruimte en de beperkte ontsluitings- en bebouwingsmogelijkheden van het perceel, door omwonenden als [appellanten] te ondervinden overlast gelijk kan worden gesteld aan die welke door een seksinrichting wordt veroorzaakt. In dat verband kunnen de door de rechtbank genoemde nadere feitelijke gegevens niet worden gemist. Bij een supermarkt als hier maximaal mogelijk is, met een vloeroppervlakte welk veel kleiner is dan bij supermarkten in het algemeen het geval zal zijn, en die bovendien beperkte onsluitingsmogelijkheden heeft, kan niet zonder meer worden uitgegaan van wat daaromtrent bekend is van supermarkten in het algemeen. Uitgegaan dient te worden van de specifieke situatie van zo'n kleine supermarkt. Die situatie is naar de rechtbank terecht heeft overwogen door het college onvoldoende onderzocht. Hetzelfde geldt, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, ten aanzien van de door het college eerst in beroep genoemde mogelijkheid van de vestiging van een videotheek ter plaatse. Dat de rechtbank daarbij teveel nadruk heeft gelegd op getallen en kwantificering maakt dat niet anders. Van het college kan worden verlangd dat aan de hand van concrete gegevens een duidelijk beeld wordt gegeven van hetgeen bij een maximale planinvulling onder het oude regime in de vorm van een kleine supermarkt of videotheek aan overlast kan worden ondervonden door [appellanten] en in hoeverre die overlast zich verhoudt tot die welke onder het nieuwe regime door een seksinrichting kan worden veroorzaakt.

2.4. Het hiervoor onder 2.3.1. overwogene betekent voorts dat ook het betoog van het college dat van hem niet kan worden verlangd aan de hand van concrete gegevens aan te geven welke overlast bij een maximale planologische invulling onder het nieuwe regime in de vorm van een seksinrichting door omwonenden als [appellanten] kan worden ondervonden, moet worden verworpen.

2.5. De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank het besluit van 20 juli 2009 terecht wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft vernietigd.

2.6. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd is in gegaan op hetgeen zij hebben aangevoerd met betrekking tot de taxatie van hun woning per 1 januari 2007 in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ).

2.6.1. De rechtbank heeft het besluit van 20 juli 2009 vernietigd omdat het standpunt van het college dat [appellanten] door de planologische wijzigingen niet in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2004 in zaak nr. 200403890/1), kan de WOZ-waarde van een woning van belang zijn voor de bepaling van de omvang van de te vergoeden schade, indien een bestemmingsplan of een andere in artikel 49 van de WRO vermelde planologische maatregel tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime. Omdat het college thans eerst opnieuw over de vraag of al dan niet sprake is van een planologische verslechtering dient te beslissen, behoefde de rechtbank niet in te gaan op het betoog over de WOZ-waarde van de woning.

Het betoog faalt.

2.7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten die door [appellanten] in verband met de behandeling van het hoger beroep zijn gemaakt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,35 (zegge: tweeënveertig euro en vijfendertig cent);

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Roermond een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

344.