Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201001497/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009, kenmerk 091217/7a, heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed De Biezen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1741
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001497/1/R2.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], en anderen, gevestigd dan wel wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Bronckhorst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009, kenmerk 091217/7a, heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed De Biezen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Verenigde Stichtingen "De Armenkorf" te Terborg en "Het Gasthuis" te Silvolde (hierna: de stichting) heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2010, waar [appellante] e.a., vertegenwoordigd door [maat A], [belanghebbenden], bijgestaan door mr. J. Dijkstra, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.H. Knoef-Vruggink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de stichting, vertegenwoordigd door ing. C.A. Sinke, gehoord als partij.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het realiseren van een landgoed tussen de Terborgseweg en Heidenhoekweg in Zelhem. Hiertoe worden in het plangebied de bestemmingen "Agrarische productie A" en "Bos (bosgebied voor recreatie en/of landschappelijke waarde)" vervangen door de bestemmingen "Wonen", "Natuur" en "Bos".

2.2. [appellante] e.a. voeren aan dat [appellante] (hierna: de maatschap) door het plan belemmerd zal worden in haar bedrijfsvoering. Hiertoe stellen zij dat er door de wijziging van de bestemmingen in het plangebied in de toekomst geen bouw- of gebruiksplannen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering doorgevoerd zullen kunnen worden. De maatschap pacht op dit moment het grootste deel van de gronden in het plangebied, maar zal deze percelen door de wijziging van de bestemming niet meer kunnen gebruiken voor het laten grazen van vee.

Voorts voeren [appellante] e.a. aan dat het bedrijf van [belanghebbende] wordt beperkt. Zij voeren aan dat de bouwmogelijkheden op het perceel van [belanghebbende] door de oprichting van het landgoed worden belemmerd. Tevens zijn zij van mening dat, anders dan de raad stelt, dit bedrijf een reëel agrarisch bedrijf is.

2.2.1. De raad stelt dat uit de uitgevoerde milieutoets blijkt dat de locatie van het bouwblok voor de realisatie van het landhuis zodanig is gepositioneerd dat de ontwikkelingen van de agrarische bedrijven in de omgeving niet worden bedreigd. Tevens is de raad van mening dat een mogelijke belemmering van de bedrijfsvoering van de maatschap niet wordt veroorzaakt door de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, maar door de eigendomssituatie in het gebied.

De raad stelt dat de beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel van [belanghebbende] ligt in het feit dat er geen sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Bovendien stelt de raad dat een eventuele beperking vanuit milieuoogpunt in eerste instantie veroorzaakt zou kunnen worden door de woningen aan de Terborgseweg 5/5a in plaats van door het landgoed. Bovendien geldt er voor bebouwing van boomkwekerijen geen afstand die in het kader van milieunormen in acht genomen dient te worden.

2.2.2. De percelen waarop het plan ziet zijn eigendom van de stichting. Deze stichting is tevens de initiatiefnemer van het nieuwe landgoed. Sinds 2005 pachtte de maatschap gronden in het plangebied van de stichting. De pachtovereenkomst is inmiddels beëindigd. De Afdeling is van oordeel dat gelet op het karakter van een pachtovereenkomst de maatschap er niet vanuit kon gaan dat de overeenkomst tot in lengte van dagen voortgezet zou worden. Niet het plan maar het beëindigen van de pachtovereenkomst, los van de vraag of uitbreiding elders in het gebied zou kunnen plaatsvinden, zorgt voor een inperking van de uitbreidingsmogelijkheden van het veehouderijbedrijf.

De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in de weg staat aan de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van de maatschap.

2.2.3. Met betrekking tot de vraag of het plan een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van [belanghebbende] is ter zitting vast komen te staan dat het desbetreffende bouwvlak buiten het plangebied ligt. Beperkingen van de bouwmogelijkheden, voor zover daarvan sprake is, komen niet voort uit dit plan maar uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het betoog van [appellante] e.a. kan reeds om die reden op dit punt niet slagen.

2.3. [appellante] e.a. voeren verder aan dat het plan in strijd met het toepasselijke provinciale beleid is vastgesteld aangezien het landgoed niet zal worden gerealiseerd in de in het streekplan Gelderland 1996 opgenomen zoekzones.

Daarnaast voeren zij aan dat het plan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid dat is opgenomen in de Notitie Nieuwe landgoederen in de gemeente Zelhem (hierna: Notitie). Zij stellen dat het plan op de volgende punten niet voldoet aan het beleid: de oprichting van een landgoed mag niet leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, een landgoed moet gelegen zijn binnen het zoekgebied, er moet sprake zijn van een win-winsituatie voor natuur, landschap en recreatie, een landgoed moet een bijdrage leveren aan de EHS en een aanvraag tot oprichting van een landgoed moet vergezeld gaan van een totaalvisie.

2.3.1. De raad stelt dat het plan niet in strijd met provinciaal beleid is vastgesteld aangezien er van de daarin opgenomen zoekzones afgeweken mag worden.

Verder stelt de raad dat het niet nodig is dat aan alle punten van het beleid zoals verwoord in de Notitie wordt voldaan mits een afwijking goed wordt afgewogen. De grenzen van het zoekgebied voor nieuwe landgoederen zijn indicatief en bovendien ligt het nieuwe landgoed grotendeels binnen het zoekgebied.

De realisering van nieuwe natuur op het landgoed zal tot versterking van de natuur- en landschapswaarden leiden. De situering en de afstand van het landgoed ten opzichte van de EHS en de ecologische verbindingszone is specifiek genoeg om een verbinding of aansluiting tussen beide gebieden te creëren. Daardoor is tevens sprake van een win-winsituatie voor natuur en landschap en er wordt bijgedragen aan de recreatie door de aanleg van wandelpaden op het terrein.

2.3.2. Het streekplan Gelderland 1996 was ten tijde van het nemen van het besluit reeds vervangen door het Streekplan Gelderland 2005.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 4 augustus 2010, zaak nr. 200907428/1/R2, wordt sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening een streekplan gelijkgesteld aan een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Nu het hier niet gaat om een concrete beleidsbeslissing in het streekplan, was, anders dan [appellante] e.a. kennelijk menen, de raad niet zonder meer gehouden het provinciale beleid te volgen maar diende de raad het provinciale beleid op dit punt in de afweging mee te wegen als een bij het plan betrokken belang. Aangezien de raad blijkens het bestreden besluit het geldende provinciale beleid zoals opgenomen in het Streekplan Gelderland 2005 als een belang bij de afweging heeft betrokken en voorts het college van gedeputeerde staten al eerder tijdens de voorbereiding van het plan heeft aangegeven met dit besluit in te stemmen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

De raad is bij de beoordeling van de aanvraag tot oprichting van het landgoed De Biezen uitgegaan van de Notitie. In 2.2.2 en 2.2.3 heeft de Afdeling reeds overwogen dat er geen sprake is van een belemmering van de bedrijfsvoering van de maatschap en van het bedrijf van [belanghebbende] ten gevolge van het landgoed.

Met betrekking tot het zoekgebied voor nieuwe landgoederen zoals opgenomen in de Notitie overweegt de Afdeling dat het plangebied grotendeels in het zoekgebied ligt. Voorts is de begrenzing van het zoekgebied niet overal op perceelsniveau bepaald, zodat deze als indicatief kan worden aangemerkt. Overschrijding van de grens leidt dan ook niet tot afwijking van het beleid.

Wat betreft de vraag of het landgoed bijdraagt aan de versterking van de EHS hebben [appellante] e.a. niet aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een versterking. De Afdeling kan derhalve de raad volgen in zijn standpunt dat het gebied zorgt voor een versterking van de EHS doordat het als stapsteen een ecologische verbinding vormt tussen de EHS-gebieden de Graafschap en de Slangenburg enerzijds en Zelhemse beek anderzijds.

Tevens hebben [appellante] e.a. niet aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een win-winsituatie voor natuur en landschap.

Daarnaast is ter zitting gebleken dat de stichting ter onderbouwing van haar aanvraag in 2005 een ontwikkelvisie heeft opgesteld. Met dit document is volgens de raad voldaan aan het vereiste dat er een totaalvisie ingediend dient te worden.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist zou zijn.

Het plan is derhalve niet in strijd met het provinciale beleid noch met het gemeentelijke beleid in de Notitie vastgesteld.

2.4. Verder voeren [appellante] e.a. aan dat het plan onvoldoende is gemotiveerd nu een aanvraag tot oprichting van landgoed Stapelbroek Vierakker is afgewezen op grond van argumenten die in de onderhavige situatie juist leiden tot toewijzing.

Tevens voeren zij aan dat het plan niet uitvoerbaar is nu de raad een bouwstop heeft aangekondigd.

2.4.1. De raad heeft ter zitting nader uiteengezet dat de situatie in Vierakker verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het plan voor het landgoed Stapelbroek Vierakker zag op een gebied dat in zijn geheel niet lag in het zoekgebied voor landgoederen. Bovendien was het nog het enige agrarische gebied in de voormalige gemeente Vorden, terwijl er ook al veel landgoederen in de omgeving zijn. Daarom achtte de raad in dat geval een nieuw landgoed niet wenselijk. In hetgeen [appellante] e.a. hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] e.a. genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, zodat de raad voor dat plan een andere beslissing heeft kunnen nemen.

2.4.2. Ter zitting is door de raad voorts gesteld dat de aangekondigde bouwstop in de gemeente Bronckhorst nog niet door de raad is vastgesteld. Bovendien ziet de voorgestelde bouwstop niet op het onderhavige plan nu dit plan wordt gezien als vigerend bouwbeleid. Nu [appellante] e.a. niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan niet uitvoerbaar is komt de Afdeling tot het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan kan worden uitgevoerd.

2.5. In hetgeen [appellante] e.a. hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

234-674.