Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
200904502/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Wieringen bij besluit van 18 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Westerland".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/34 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3729
JOM 2011/28
JM 2011/13 met annotatie van Van Velsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904502/1/R1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te [woonplaats],

3. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wieringen,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellante sub 12A] en [appellante sub 12B] (hierna: [appellanten sub 12]), gevestigd te [plaats] respectievelijk te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Wieringen bij besluit van 18 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Westerland".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, het college van burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2009, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2009, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2009, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2009, [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2009, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, en [appellanten sub 12] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, beroep ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 15 september 2009. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 31 augustus 2009. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brieven van 26 augustus 2009 en 15 september 2010.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 4], [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2010, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, J.C. Koorn en drs. G.J. van Deutekom-de Lepper, werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], in de persoon van [appellant sub 2A] en bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 4] in persoon en bijgestaan door mr. M.I. Houben, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 5] in persoon, [appellant sub 6] in de persoon van [appellant sub 6A] en bijgestaan door mr. G. Creutzberg, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door [appellant sub 5], [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] in persoon en bijgestaan door mr. P.J.M. Hink, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 11] in persoon, [appellanten sub 12], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, J.C. Koorn en drs. G.J. van Deutekom-de Lepper, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

[appellante sub 12B] heeft ter zitting verklaard dat zij en [appellante sub 12A] met de eigenaar van de percelen waartegen hun beroep zich richt, zijn overeengekomen om tot aankoop van die percelen over te gaan nadat een vergunning is verleend voor de bouw van appartementen op deze percelen, maar dat deze overeenkomst hen niet verplicht deze percelen af te nemen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellanten sub 12] aan deze overeenkomst geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang kunnen ontlenen. Ook overigens is daarvan niet gebleken.

Het beroep van [appellanten sub 12] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2. Voor zover [appellant sub 7] in beroep aanvoert dat aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Woondoeleinden" moet worden toegekend in plaats van "Opslag" en aan de gronden vóór dit perceel de bestemming "Verkeer" in plaats van de bestemming "Tuin", steunt dit niet op bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Anders dan [appellant sub 7] ter zitting heeft gesteld, heeft hij in de laatste zin van zijn bedenkingengeschrift geen bedenking opgenomen tegen het ontbreken van de woonbestemming voor zijn perceel.

Het beroep van [appellant sub 7] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" voor de gronden tegenover het perceel [locatie 2], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat de raad zijn zienswijze onjuist heeft uitgelegd. Hij voert aan dat de raad heeft aangenomen dat uit de door hem ingediende zienswijze volgt dat hij recreatiewoningen op de desbetreffende gronden wil realiseren, maar dat dit onjuist is omdat hij een woonbestemming met bouwvlak wil hebben. De Afdeling is echter van oordeel dat uit de tekst van de door [appellant sub 1] ingediende zienswijze niet volgt dat de zienswijze is gericht tegen de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijk waarde".

Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college van gedeputeerde staten de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.5. Het plan heeft betrekking op de bebouwde kom van Westerland. Het plangebied loopt vanaf Lutjestrand aan de westkant van het dorp tot en met de grens van de bebouwde kom aan de Koningsweg aan de oostkant ervan, en omvat daarnaast het buurtschap De Haukes ten zuiden van Westerland. Het plan is deels conserverend en deels ontwikkelingsgericht. Met toepassing van wijzigingsbevoegdheden wordt uitbreiding van het aantal woningen en recreatiewoningen mogelijk gemaakt.

2.6. Het college van gedeputeerde staten heeft blijkens het dictum van het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan de met een rode omlijning op de plankaart aangegeven delen en aan enige voorschriften. Het betreft, voor zover thans van belang, de aanduidingen op de plankaart "Wijzigingsbevoegdheid 1", "Wijzigingsbevoegdheid 3", "Wijzigingsbevoegdheid 4", "Wijzigingsbevoegdheid 5" en "Wijzigingsbevoegdheid 6", de bestemming "Woondoeleinden" voor de gronden tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 4], en de wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, achtste lid, artikel 5, achtste lid, artikel 6, achtste lid, artikel 9, negende lid, onder a, sub 2, en onder b, c, d, en e, en artikel 24, onder c, van de voorschriften.

2.7. Het beroep van [appellant sub 6] is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 4].

[appellant sub 6] betoogt dat haar perceel tussen de percelen [locatie 5] en [locatie 6] ligt, maar dat het college van gedeputeerde staten dat perceel niet met rood heeft omlijnd op de plankaart.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is eveneens gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan dit plandeel. Hij betoogt dat het college van gedeputeerde staten onzorgvuldig heeft gehandeld, nu in het bestreden besluit staat dat goedkeuring is onthouden aan de met rode omlijning aangegeven gebieden op de plankaart en hierbij het perceel met de bestemming "Woondoeleinden" tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 4] wordt genoemd, terwijl op de gewaarmerkte plankaart dit perceel niet met rood is omlijnd. Ook is de locatie onjuist omschreven, omdat het perceel tussen de percelen [locatie 5] en [locatie 6] ligt.

2.7.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat per abuis in het besluit de verkeerde nummering is opgenomen, maar dat bedoeld is goedkeuring te onthouden aan het ongenummerde perceel tussen de percelen [locatie 5] en [locatie 5].

2.7.2. Blijkens de plankaart en de verklaring van partijen ter zitting liggen de gronden waaraan het college heeft beoogd goedkeuring te onthouden niet - zoals in het dictum van het besluit is vermeld - tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 4], maar tussen de percelen [locatie 5] en [locatie 6]. Het college van gedeputeerde staten heeft bovendien op de gewaarmerkte plankaart noch het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor deze gronden noch het plandeel voor de gronden tussen [locatie 3] en [locatie 4] met rood omlijnd zoals in het dictum is vermeld. De Afdeling is van oordeel dat het dictum van het besluit, als beslissend deel van het besluit, bij de vaststelling van de bedoeling van het bestuur vanuit een oogpunt van rechtszekerheid doorslaggevend dient te zijn. Aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" voor de gronden tussen de percelen [locatie 5] en [locatie 6] respectievelijk tussen de percelen [locatie 3] en [locatie 4] is derhalve bij het bestreden besluit goedkeuring verleend. Het betoog van [appellant sub 6] en van het college van burgemeester en wethouders dat sprake is van een onthouding van goedkeuring voor deze percelen mist dan ook in zoverre feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellant sub 6] is geheel ongegrond. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

2.8. Het college van gedeputeerde staten heeft bij de onthouding van goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheden overwogen dat het gehele plangebied in het streekplan "Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland-Noord" (hierna: het streekplan) wordt aangeduid als uitsluitingsgebied met bijzondere waarden waardoor in dit gebied alleen kleinschalige ontwikkelingen mogelijk zijn. De bijzondere waarden betreffen, aldus het college van gedeputeerde staten, de aanwijzing in 2004 van het eiland Wieringen als aardkundig monument, de aanduiding van het plangebied in het streekplan deels als stiltegebied en deels als weidevogelgebied en de aanduiding van De Wierdijk als provinciaal monument en als beschermde cultuurhistorische structuur. Daarnaast is het plangebied volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Holland van bijzondere cultuurhistorische en archeologische waarde. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat deze bijzondere waarden niet of onvoldoende tot uitdrukking komen in de planvoorschriften en op de plankaart, waardoor de bescherming van deze waarden bij uitoefening van de wijzigingsbevoegdheden niet is gegarandeerd. Het college van gedeputeerde staten stelt dat het aanwijzen van het eiland Wieringen als aardkundig monument heeft geleid tot een bodembeschermend regime met bijbehorende regels in de Provinciale Milieuverordening (hierna: PMV). Bij de totstandkoming van het plan hadden de daarin opgenomen regels - evenals de sedert het voorgaande bestemmingsplan tot stand gekomen regelgeving als Flora- en Faunawet, Natuurbeschermingswet 1998, Wet op de archeologische monumentenzorg en dergelijke - in acht moeten worden genomen en had voor onbebouwde gebieden een ontheffing van de PMV als voorwaarde moeten worden opgenomen in de wijzigingsbevoegdheden, aldus het college van gedeputeerde staten. Verder stelt het college van gedeputeerde staten dat ten onrechte alleen voor de wijzigingsbevoegdheden 2, 3 en 4 nader archeologisch onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden is verricht, dat het ecologisch onderzoek zeer summier is en ten onrechte beperkt is tot de wijzigingsbevoegdheden 2, 3 en 4 en dat uit geen enkel stuk valt af te leiden of bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden voor wat betreft de ecologische waarden ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kan worden verleend. Met de in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheden wordt verder niet voldaan aan de in het provinciale beleid genoemde doelstellingen voor Westerland, zoals het behouden en versterken van de kleinschaligheid en van de openheid van de kogen. Ook wordt in het beeldkwaliteitsplan voornamelijk ingegaan op de bouwkundige kwaliteiten, maar niet op de landschappelijke en historisch geografische kwaliteiten van het gebied, zodat de ontwikkelingen die door de wijzigingsbevoegdheden mogelijk worden gemaakt, niet gedragen worden door een adequaat beeldkwaliteitsplan, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.8.1. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan de in 2.6 vermelde wijzigingsbevoegdheden.

Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat aan die onderdelen geen goedkeuring had mogen worden onthouden op de grond dat het bodembeschermend regime voor aardkundige monumenten in de PMV alle bouwactiviteiten op nog niet bebouwde percelen verbiedt en slechts na een ontheffing is toegestaan, nu dit naar zijn mening een te vergaand middel in relatie tot het doel is. Het college van burgemeester en wethouders acht de waarden van het aardkundige monument voldoende beschermd als in de planregeling rekening wordt gehouden met de aanwijzing van het gebied op grond van de PMV als aardkundig monument. Hij acht het onjuist indien het beschikken over een ontheffing als bedoeld in de PMV als voorwaarde moet worden opgenomen in de wijzigingsbevoegdheden. Naar zijn mening is de formulering in de wijzigingsbevoegdheden dat deze pas kunnen worden uitgeoefend wanneer dit niet leidt tot aantasting van stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voldoende, zeker nu in een enkel geval aanvullend archeologisch en/of ecologisch onderzoek is voorgeschreven. Hij betwist dat deze wijzigingsbevoegdheden niet aanvaardbaar en uitvoerbaar zijn. Naar zijn mening strekken onderzoeksverplichtingen in het kader van een wijzigingsbevoegdheid niet zover dat reeds vooraf een volledig beeld dient te bestaan van alle aspecten die bij een eventuele wijziging van het plan van belang zijn.

Voorts betoogt het college van burgemeester en wethouders dat de tekst van de PMV waarin het verrichten van bepaalde activiteiten op een onbebouwd perceel in een aardkundig monument, afhankelijk is gesteld van een ontheffing van het college van gedeputeerde staten, pas in werking is getreden nadat het plan is vastgesteld, zodat deze regeling niet met terugwerkende kracht op het besluit tot vaststelling van het plan van toepassing kan worden verklaard.

2.8.1.1. Het betoog ten aanzien van de geldigheid voor dit plan van de tekst van de PMV die het college van gedeputeerde staten heeft gehanteerd, faalt. Besluiten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan dienen te worden genomen met inachtneming van het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dat besluit. Volgens het bestreden besluit is het plan getoetst aan tranche 5a van de PMV, die op 17 november 2008 is vastgesteld door het college van gedeputeerde staten en op 10 december 2008 in werking is getreden. Bij deze tranche is de regeling met betrekking tot de bescherming van de bodem en aardkundige monumenten in de PMV opgenomen. Nu het bestreden besluit op 19 mei 2009 is genomen, heeft het college van gedeputeerde staten het plan terecht aan tranche 5a van de PMV getoetst.

2.8.1.2. Op kaart 1 van het streekplan is het plangebied voorzien van de aanduiding "uitsluitingsgebied". In uitsluitingsgebieden is, blijkens de tekst van het streekplan, sprake van bijzondere natuurlijke waarden en kenmerken of landschappelijke en cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren die beschermd, behouden en versterkt moeten worden. Het gaat hier vooral om delen van het landelijk gebied die een bepaalde bescherming genieten op grond van al bestaande (internationale) regelingen of provinciale beleidskaders met daaruit voortvloeiende planologische gebruiksbeperkingen waaronder de milieubeschermingsgebieden: grondwaterbeschermingsgebieden, aardkundige monumenten en stiltegebieden. In deze gebieden zijn, behoudens kleinschalige ontwikkelingen, geen uitbreiding van stedelijke functies en nieuwe stedelijke functies toegestaan. Bestemmingsplannen dienen, blijkens de tekst van het streekplan, uitbreiding van of nieuwe stedelijke functies in deze gebieden onmogelijk te maken. Nieuwe kleinschalige ontwikkelingen zijn blijkens de tekst van het streekplan als nader toegelicht ter zitting mogelijk mits sprake is van:

- een concreet bestemmingsplan of projectprocedure (dat respectievelijk die betrekking heeft op)

- een organische ontwikkeling die ondergeschikt is aan de omvang van de kern, (of)

- maximaal één tot vijf woningen op jaarbasis waarbij overschrijding van dit aantal expliciet aan Provinciale Staten moet worden voorgelegd, (of)

- incidentele kleinschalige ontwikkelingen voor andere functies zoals werken en zorgvoorzieningen, (of)

- de ruimte voor ruimte regeling dan wel rood voor groen regeling.

Voor uitsluitingsgebieden geldt, aldus het streekplan, het algemene beleid voor het buitengebied, maar aanvullend is voor onder meer milieubeschermingsgebieden gebiedsgerichtbeleid van toepassing dat bepaald wordt door het onderliggende wettelijke of provinciale beleidskader. Het provinciale beleidskader voor milieubeschermingsgebieden is neergelegd in het Provinciaal Milieubeleidsplan. Daarin zijn vier categorieën beschermingsgebieden vastgelegd: stiltegebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, bodembeschermingsgebieden (aardkundige waarden) en natuurgebieden. Het streekplan vermeldt dat ingrepen in stiltegebieden en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderworpen aan het beschermende regiem van de PMV en dat het herziene beleid ten aanzien van bodembescherming daarin ook zal worden opgenomen. De planologische bescherming, aldus het streekplan, wordt geboden door deze gebieden op de streekplankaart te vermelden als uitsluitingsgebied.

Voorts vermeldt het streekplan dat op de geactualiseerde "Kaart aardkundige waarden Noord-Holland" ondermeer het "Eiland Wieringen" als één van de 17 toplocaties van aardkundige waarde is aangewezen. Deze locaties onderscheiden zich van de overige 80 aangewezen locaties doordat zij uniek zijn op internationaal, nationaal dan wel provinciaal niveau. Aantasting van een toplocatie is volgens het streekplan nog minder gewenst dan aantasting van de overige 63 gebieden. Alle aangewezen aardkundige monumenten in Noord-Holland vallen, aldus het streekplan, onder het beschermingsregiem van de PMV en bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten worden getoetst aan de belangen van de bodembescherming.

2.8.1.3. Nu het plangebied op de streekplankaart is aangeduid als "uitsluitingsgebied" en ook is aangewezen als aardkundig monument heeft het college van gedeputeerde staten, gelet op het provinciale ruimtelijke beleid ten aanzien van uitsluitingsgebieden in het algemeen en ten aanzien van aardkundige monumenten in het bijzonder, terecht het beschermingsbeleid als neergelegd in de PMV voor deze aardkundige monumenten betrokken bij zijn besluit omtrent goedkeuring van dit plan.

Artikel 11 van de PMV in samenhang gelezen met bijlage 8 van de PMV bindt ruimtelijke ingrepen op onbebouwde kadastrale percelen binnen het "Eiland Wieringen" aan een ontheffing van het college van gedeputeerde staten voor zover het betreft aantasting van macro- en microreliëf, afgraven, einde grasland, ontgronden, egaliseren, kleine- en grootschalige ingrepen, verblijfsrecreatie, intensieve dagrecreatie, militaire oefenterreinen en boringen in of op de bodem van het aardkundig monument.

2.8.1.4. Ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten toegelicht dat hij met de eis dat voor onbebouwde kadastrale percelen een ontheffing op grond van de PMV als voorwaarde had moeten worden opgenomen in de wijzigingsbevoegdheden, heeft beoogd te verzekeren dat de PMV in acht wordt genomen. Ook dient het opnemen van deze eis de rechtszekerheid, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.8.1.5. Niet in geschil is dat de PMV moet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Voorts is tranche 5a van de PMV op de juiste wijze bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. Derhalve moet deze verordening, zoals deze gold na inwerkingtreding van tranche 5a, in acht worden genomen ongeacht of het beschikbaar zijn van een ontheffing op grond van de PMV als voorwaarde in de wijzigingsbevoegdheid wordt opgenomen. Het opnemen van deze eis is dan ook niet nodig ter borging dat de PMV in acht wordt genomen en evenmin met het oog op de rechtszekerheid. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders dat onthouding van goedkeuring een te ver gaand middel is in relatie tot het doel slaagt derhalve. Wel zal bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voor een onbebouwd perceel in een aangewezen aardkundig monument op voorhand aannemelijk moeten zijn dat bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid een ontheffing op grond van de PMV zal kunnen worden verkregen. Hierna zal de Afdeling nagaan of aan dat vereiste is voldaan.

2.8.1.6. Voor zover het college van burgemeester en wethouders betoogt dat archeologisch, cultuurhistorisch, landschappelijk en ecologisch onderzoek plaats kan vinden op het moment dat van de wijzigingsbevoegdheden gebruik wordt gemaakt, overweegt de Afdeling - met verwijzing naar haar uitspraak van 20 december 2006, zaak nr. 200508487/1 - dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheden in het plan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemmingen binnen de gebieden waarop die wijzigingsbevoegdheden betrekking hebben in beginsel als een gegeven kunnen worden beschouwd indien voldaan wordt aan de bij het plan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Indien een wijzigingsbevoegdheid een bestemming mogelijk maakt die natuurwaarden dan wel archeologische, cultuurhistorische of landschappelijke waarden raakt, dient aan het plan dan ook voldoende onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de nieuwe bestemming op die waarden ten grondslag te liggen. In zoverre is het standpunt van het college van gedeputeerde staten juist en faalt het betoog van het college van burgemeester en wethouders. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de in geding zijnde wijzigingsbevoegdheden nagaan of en in hoeverre het college van burgemeester en wethouders met recht betoogt dat aan die wijzigingsbevoegdheden voldoende onderzoek ten grondslag ligt.

Wijzigingsbevoegdheid 1 en artikel 5, achtste lid, van de planvoorschriften

2.9. Het beroep van [appellant sub 11] is gericht tegen de goedkeuring van de bestemming voor het perceel [locatie 7] voor zover die niet voorziet in een rechtstreekse bouwmogelijkheid voor een tweede woning alsmede tegen de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 1" voor dat perceel en aan artikel 5, achtste lid, van de planvoorschriften. Hij betoogt dat het voorheen geldende plan twee woningen op het perceel toestond en dat die bouwmogelijkheid destijds de hoogte van de koopprijs heeft bepaald. Naar zijn mening zal de bouw van een tweede woning geen schade toebrengen aan de waarden van het gebied. Bovendien kunnen de onderzoeken daartoe bij uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid worden verricht. Voorts heeft hij bezwaar tegen de aanleg van een weg achter zijn perceel.

Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat deze wijzigingsbevoegdheid een zeer kleinschalige ingreep mogelijk maakt die bovendien aan voorwaarden is gekoppeld, zodat de te beschermen waarden van het gebied niet worden aangetast.

2.9.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8 is vermeld - overwogen dat geen nader onderzoek is verricht naar de effecten op de te beschermen waarden in het plangebied en dat ook geen nadere ruimtelijke onderbouwing is gegeven.

Ten aanzien van het niet meer bij recht toestaan van een tweede woning op het perceel heeft het college van gedeputeerde staten zich aangesloten bij het standpunt van de raad dat dit niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening reeds vanwege het stratenmakersbedrijf dat op het perceel is gevestigd en de hinder die dat veroorzaakt.

2.9.2. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het toekennen van bestemmingen en daarbij behorende voorschriften. Bovendien kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In dit geval heeft het college van gedeputeerde staten in navolging van de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het garanderen van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woning dan aan het belang van [appellant sub 11] bij een tweede woning. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van de voorheen aanwezige mogelijkheid voor de bouw van een tweede woning geen gebruik is gemaakt en dat inmiddels op het perceel een stratenmakersbedrijf aanwezig is dat in dit plan als zodanig is bestemd.

Het betoog van [appellant sub 11] faalt in zoverre dat ziet op het ontbreken van een rechtstreekse bouwmogelijkheid voor een tweede woning.

2.9.3. Ten aanzien van de betogen van [appellant sub 11] en het college van burgemeester en wethouders tegen de onthouding van goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid, wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 5, achtste lid, onder a, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - kan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" van de gronden die op de plankaart zijn aangeduid met "wijzigingsbevoegdheid 1" worden gewijzigd in de bestemming "Woondoeleinden" mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. In dat geval mag één woning worden gebouwd in het gebied dat op de plankaart is aangeduid met "woning na wijziging toegestaan". Bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheid dient ingevolge artikel 5, achtste lid, onder b, rekening te worden gehouden met de aspecten bodem, water en milieutechnische aspecten.

Blijkens de plankaart is aan het gehele perceel [locatie 7] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 1" toegekend en aan een gedeelte van het perceel de aanduiding "woning na wijziging toegestaan".

2.9.4. Ter zitting is gebleken dat het perceel [locatie 7] één bebouwd kadastraal perceel is in de zin van de PMV. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.1, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor de uitoefening van deze wijzigingsbevoegdheid en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Voorts is ter zitting vast komen te staan dat het perceel op ongeveer 400 m afstand van het provinciaal monument De Wierdijk ligt alsmede in het - als zodanig in het streekplan aangeduide - weidevogel- en stiltegebied. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, dient aan deze wijzigingsbevoegdheid voldoende onderzoek naar de gevolgen van de bestemming "Woondoeleinden" op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit onderzoek niet is verricht. Voorts is niet in geschil dat het in het streekplan voorgeschreven beeldkwaliteitsplan voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling die met deze wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, ontbreekt. Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende zijn onderbouwd. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders dat deze wijzigingsbevoegdheid een zeer kleinschalige ruimtelijke ingreep mogelijk maakt waardoor de beschermde waarden van het gebied niet worden aangetast, faalt nu dit betoog niet met feiten is onderbouwd noch anderszins aannemelijk is gemaakt.

2.9.5. Het betoog van [appellant sub 11] gericht tegen de aanleg van een weg achter zijn perceel kan evenmin tot vernietiging van het besluit leiden, nu het plan hiertoe geen mogelijkheid biedt.

2.9.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming voor dit perceel, voor zover die niet voorziet in een rechtstreekse bouwmogelijkheid voor een tweede woning, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellant sub 11] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid voor dit perceel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 11] is geheel en het beroep van het college van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

Wijzigingsbevoegdheid 3 en 4 en artikel 9, negende lid, onder c en d, van de planvoorschriften

2.10. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 3" voor de gronden tegenover het perceel [locatie 2] te [plaats] en artikel 9, negende lid, onder c, van de planvoorschriften. Hij betoogt dat hij door de onthouding van goedkeuring geen enkele bouwmogelijkheid heeft, ondanks zijn verzoek om aan het perceel een woonbestemming met een bouwvlak toe te kennen. Daardoor beschikt hij niet over de benodigde financiering voor het behoud van de op het perceel aanwezige eendenboeten. [appellant sub 1] voert verder aan dat het perceel op een afstand van 350 m van het weidevogelgebied ligt en op een afstand van 250 m van De Wierdijk. Ook zullen naar zijn mening de doorzichten naar het Amstelmeer behouden blijven, omdat een schuur gesloopt zal worden. [appellant sub 1] voert aan dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid op de te beschermen waarden.

Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 4" voor het perceel tegenover het perceel [locatie 8] te [plaats] en artikel 9, negende lid, onder d, van de planvoorschriften. Hij betoogt dat het financieel niet mogelijk is om de aanwezige eendenboet, die cultuurhistorisch erfgoed is, in stand te houden zonder dat op het terrein recreatiewoningen mogelijk worden gemaakt. Voorts voert hij aan dat de sloop van enkele van de vele oude eendenboeten en bedrijfsgebouwen op zijn terrein de openheid van het gebied zal bevorderen, dat zijn perceel niet in de nabijheid van De Wierdijk en niet in het weidevogelgebied ligt, dat voor dit gebied onderzoeken zijn verricht en dat veel plekken al bebouwd zijn. Het bouwen van enkele recreatiewoningen zal naar zijn mening dan ook weinig tot geen schade toebrengen aan de aardkundige, archeologische en ecologische waarden van het gebied. Bovendien geldt voor zijn perceel de vrijstelling als bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van de PMV.

Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat de gebieden waar de wijzigingsbevoegdheden op zien nauwelijks landschappelijke kwaliteiten hebben, omdat het uitzicht op het open landschap wordt ontnomen door een veelheid aan kleine, deels vervallen schuren en schuurtjes. De wijzigingsbevoegdheden maken een concentratie van gebouwen mogelijk, zodat zicht ontstaat op het landschap. Voorts betoogt het college van burgemeester en wethouders dat in voornoemde artikelen tevens de voorwaarde is opgenomen dat bij wijziging een beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld en dat hiermee een extra waarborg is ingebouwd om tot een verantwoorde invulling van de gebieden te komen. Ten slotte betoogt het college van burgemeester en wethouders dat de desbetreffende gebieden op ruime afstand liggen van het gebied waar weidevogels daadwerkelijk voorkomen.

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheden aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8 is vermeld - overwogen dat de provinciale Beleidsregel ruimte voor ruimte in Noord-Holland (hierna: de ruimte voor ruimte regeling) die blijkens de plantoelichting met deze wijzigingsbevoegdheden is toegepast om ten minste 50% van de aanwezige eendenboeten te behouden, niet van toepassing is. Van een duurzame verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied is volgens het college van gedeputeerde staten geen sprake. Dit wordt bereikt, aldus het college van gedeputeerde staten, door de 'storende' bebouwing te laten verwijderen en elders in het gebied, op zorgvuldig te kiezen plekken, ruimte voor nieuwbouw met landschappelijke en bouwkundige kwaliteiten te scheppen. Bovendien, aldus het college van gedeputeerde staten, bevinden de percelen zich in het weidevogelgebied en liggen deze onder de rook van het provinciale monument De Wierdijk. De effecten van de wijziging op deze aspecten zijn niet onderzocht. De wijzigingsbevoegdheden acht het college van gedeputeerde staten bovendien in strijd met het provinciale beleid voor de uitsluitingsgebieden.

2.10.2. Ingevolge artikel 9, negende lid, onder c, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" van de gronden die op de plankaart zijn aangeduid met "wijzigingsbevoegdheid 3" wijzigen ten behoeve van dagrecreatie en verblijfsrecreatie mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. In dat geval mogen - onder nader aangegeven voorwaarden - twee recreatiewoningen worden gebouwd binnen het gebied dat op de plankaart is aangeduid met "recreatiewoningen na wijziging toegestaan". Als voorwaarde voor wijziging geldt dat er door een erkend bedrijf vooraf inventariserend archeologisch veldonderzoek moet plaatsvinden alsmede aanvullend ecologisch onderzoek. Indien het ecologisch onderzoek daartoe aanleiding geeft zal, aldus de planvoorschriften, de (bouw)werkzaamheid pas kunnen plaatsvinden nadat een ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Ffw is verkregen.

Ingevolge artikel 9, negende lid, onder d, - voor zover thans van belang - kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" van de gronden die op de plankaart zijn aangeduid met "wijzigingsbevoegdheid 4" wijzigen ten behoeve van dagrecreatie en verblijfsrecreatie mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. In dat geval mogen - onder nader aangegeven voorwaarden - twee recreatiewoningen worden gebouwd binnen het gebied waarvoor de wijzigingsbevoegdheid geldt. Als voorwaarde voor wijziging geldt dat er door een erkend bedrijf vooraf inventariserend archeologisch veldonderzoek moet plaatsvinden alsmede aanvullend ecologisch onderzoek. Indien het ecologisch onderzoek daartoe aanleiding geeft zal, aldus de planvoorschriften, de (bouw)werkzaamheid pas kunnen plaatsvinden nadat een ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Ffw is verkregen.

Bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheden dient ingevolge artikel 9, negende lid, onder f, rekening te worden gehouden met de aspecten bodem en water en met milieutechnische aspecten.

Blijkens de plankaart is aan de gronden tegenover het perceel [locatie 2] te [plaats] de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 3" toegekend en aan de gronden tegenover het perceel [locatie 8] te [plaats] de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 4".

2.10.3. Ter zitting is gebleken dat de gronden tegenover de percelen [locatie 2] en [locatie 8] bebouwde kadastrale percelen in de zin van de PMV zijn, nu enkele van de daar aanwezige bedrijfsgebouwen en eendenboeten op een ingegraven fundament staan. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.2, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor de uitoefening van deze wijzigingsbevoegdheden en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Voorts is ter zitting onweersproken vast komen te staan dat de desbetreffende gronden in het weidevogelgebied, het stiltegebied en de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) liggen. Voorts liggen de gronden met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 3" op een afstand van ongeveer 150 m van het provinciaal monument De Wierdijk liggen en de gronden met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 4" op een afstand van ongeveer 50 m van dat monument.

Gelet op de ligging van de desbetreffende gronden in de EHS, stelt het college van gedeputeerde staten terecht dat de ruimte voor ruimte regeling, waarin staat dat compensatielocaties voor woningen in ieder geval niet in de EHS mogen worden gezocht, geen grondslag biedt voor deze wijzigingsbevoegdheden. Nu deze wijzigingsbevoegdheden blijkens de plantoelichting op deze regeling zijn gebaseerd, heeft het college van gedeputeerde staten deze bevoegdheden reeds hierom in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

2.10.4. Gelet op de ligging van de percelen in kwetsbaar gebied, dient, zoals hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, aan deze wijzigingsbevoegdheden ook voldoende onderzoek naar de gevolgen van het realiseren van recreatiewoningen op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Niet in geschil is dat BügelHajema Adviseurs in oktober 2007 ecologisch onderzoek heeft gedaan naar onder meer de gebieden waarop de desbetreffende wijzigingsbevoegdheden betrekking hebben om de uitvoerbaarheid van die bevoegdheden te toetsen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de "Notitie Ecologie Oosterland en Westerland" (hierna: het ecologisch onderzoek 2007). Uit het ecologisch onderzoek 2007 volgt dat voor wat betreft de soortenbescherming in de Flora- en faunawet geen belemmering ligt. De aanwezige soorten in de gebieden waarop de wijzigingsbevoegdheden 3 en 4 betrekking hebben, vallen bij ruimtelijke ontwikkelingen in de vrijstellingsregeling. Wel moet bij de toepassing van deze bevoegdheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Wat betreft de gebiedsbescherming stellen de onderzoekers dat het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheden 3 en 4 van toepassing, zijn in de EHS ligt. In geval van ontwikkelingen in deze gebieden zal overleg met de provincie moeten worden gevoerd over de voorgenomen activiteiten, aldus het ecologische onderzoek 2007. De conclusie uit het ecologische onderzoek 2007 is dat behoudens de ligging in de EHS de desbetreffende wijzigingsbevoegdheden uitvoerbaar zijn, maar dat een vooronderzoek in het kader van de Flora- en faunawet, een oriëntatiefase voor de Natuurbeschermingswet 1998 en een analyse van de EHS voor deze gronden noodzakelijk blijven. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat uit het verrichte onderzoek onvoldoende blijkt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de wijzigingsbevoegdheden met oog op gebiedswaarden die beschermd moeten worden in beginsel als een gegeven kan worden beschouwd. Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheden ook onvoldoende zijn onderbouwd. De betogen van [appellant sub 1] en van [appellant sub 2] dat zij thans een financieringsmogelijkheid missen voor het behouden van de aanwezige eendenboeten en dat sloop van bebouwing de openheid van het gebied ten goede zal komen, maken dit niet anders.

2.10.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduidingen "wijzigingsbevoegdheid 3" en "wijzigingsbevoegdheid 4" en artikel 9, negende lid, onder c en d, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is voor het geheel en de beroepen van [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders zijn in zoverre ongegrond.

Wijzigingsbevoegdheid 5 en artikel 24, onder c, van de planvoorschriften

2.11. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 5" voor de percelen [locatie 9]-[locatie 10] en [locatie 11] en artikel 24, onder c, van de planvoorschriften. Hij betoogt dat met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) de goedkeuring van bestemmingsplannen door het college van gedeputeerde staten is komen te vervallen en dat, hoewel in de onderhavige procedure de WRO nog van toepassing is, slechts marginaal mag worden getoetst door het college van gedeputeerde staten. Hij betwist dat die wijzigingsbevoegdheid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, nu deze wijzigingsbevoegdheid tot gevolg heeft dat de forse bedrijfsbebouwing op de percelen - waaronder een LPG-tankstation - wordt omgezet naar woningen en detailhandel en deze functies veel minder effect op de omgeving hebben en de natuur of het landschap niet nadelig beïnvloeden. Ook zullen de kenmerkende eigenschappen van het gebied worden versterkt doordat rekening moet worden gehouden met het beeldkwaliteitsplan en met cultuurhistorische waarden. Hij acht de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid om die reden ook in strijd met de provinciale ruimte voor ruimte regeling. Hij betwist dat sprake is van onaanvaardbare verstedelijking, nu de bestaande bebouwing afwijkt van de rest van het dorp en daarvoor minder bebouwing terugkomt. Naar zijn mening past het scheppen van woningbouwmogelijkheden en detailhandel in watersport uitstekend in de ontwikkeling van het Wieringerrandmeer. Verder betoogt hij dat aan de wijzigingsbevoegdheid voldoende voorwaarden zijn verbonden en dat de bescherming van de gebiedswaarden voldoende worden gewaarborgd doordat bij uitoefening van de bevoegdheid archeologisch veldonderzoek moet worden verricht en een beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld. Hij stelt dat uit de provinciale evaluatie van stiltegebieden volgt dat de aanduiding "stiltegebied" geen betekenis meer heeft voor het voormalige eiland Wieringen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een door Tensis uitgevoerd onderzoek "Ruimtelijke onderbouwing Wijzigingsbevoegdheid 5 - Bestemmingsplan Westerland" van januari 2010 (hierna: het onderzoek Ruimtelijke Onderbouwing) overgelegd.

Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat aan het plandeel met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 2" wel goedkeuring is verleend, terwijl deze bevoegdheid vergelijkbaar is met de onderhavige wijzigingsbevoegdheid. Voorts betoogt het college van burgemeester en wethouders dat de mogelijk gemaakte ontwikkeling een economische impuls kan zijn voor het gebied.

2.11.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8 is vermeld - overwogen dat deze wijzigingsbevoegdheid niet past binnen het provinciale beleid voor uitsluitingsgebieden. Een bouwmogelijkheid voor 24 woningen voor een kleine kern als Westerland acht het college van gedeputeerde staten geen kleinschalige ontwikkeling, maar een onaanvaardbare vorm van verstedelijking. Voorts geldt, aldus het college van gedeputeerde staten, ook voor deze wijzigingsbevoegdheid dat geen enkel onderzoek is verricht, met name niet naar de effecten van de wijzigingsbevoegdheid op het weidevogelgebied en het provinciale monument De Wierdijk.

2.11.2. Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) in werking getreden. Het ontwerp van het plan is vóór die datum ter inzage gelegd.

Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp voor dat tijdstip ter inzage is gelegd. Met deze bepaling is beoogd dat een bestemmingsplan dat op grond van de WRO tot stand is gekomen het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had. Dit betekent dat het plan de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten behoeft en op het college van gedeputeerde staten de taak rust om te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met het recht.

Het betoog van [appellant sub 4] dat het college van gedeputeerde staten het plan niet ten volle aan deze criteria had mogen toetsen, faalt derhalve.

2.11.3. Ingevolge artikel 24, onder c, - voor zover thans van belang - kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Woondoeleinden", "Tuin" en "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" van de gronden die op de plankaart zijn aangeduid met "wijzigingsbevoegdheid 5" wijzigen in de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Detailhandel" mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. Daarbij gelden onder meer de voorwaarden dat het aantal woningen niet meer dan 24 mag bedragen en voor detailhandel maximaal 500 m² bedrijfsvloeroppervlakte mag worden benut; daarbij moet het gaan om watersportgebonden detailhandel. Ook gelden de voorwaarden dat vooraf door een erkend bedrijf inventariserend archeologisch veldonderzoek moet plaatsvinden en dat de herinrichting van het gebied plaatsvindt op basis van een beeldkwaliteitsplan waarbij rekening wordt gehouden met cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het gebied.

Ingevolge artikel 24, onder d, zal bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheid rekening gehouden worden met de aspecten bodem, water en milieutechnische aspecten en met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten op grond van Ffw. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal de (bouw)werkzaamheid pas kunnen plaatsvinden nadat een ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Ffw is verkregen.

Blijkens de plankaart zijn aan de percelen [locatie 9]-[locatie 10] en [locatie 11] de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden", "Woondoeleinden" en "Tuin" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 5" toegekend.

2.11.4. De percelen [locatie 9]-[locatie 10] en [locatie 11] zijn bebouwde percelen in de zin van de PMV, nu de aanwezige bedrijfsbebouwing op een ingegraven fundament staat. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.2, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Ter zitting is voorts vast komen te staan dat de desbetreffende percelen in het weidevogelgebied en het stiltegebied liggen en op een afstand van ongeveer 15 m van het provinciaal monument De Wierdijk.

Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, dient aan deze wijzigingsbevoegdheid voldoende onderzoek naar de gevolgen van het realiseren van 24 woningen en detailhandel op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Tussen parijen is niet in geschil dat zodanig onderzoek ten tijde van de vaststelling van het plan niet is verricht. Voor zover [appellant sub 4] met het overleggen van het onderzoek Ruimtelijke Onderbouwing heeft beoogd dat gebrek te helen, moet worden vastgesteld dat dit rapport dateert van na het bestreden besluit zodat het college van gedeputeerde staten dit niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken en de Afdeling, gelet op het ex tunc karakter van haar toetsing van het bestreden besluit, dit rapport buiten beoordeling moet laten. Het college van gedeputeerde staten heeft zich derhalve - nu ten tijde van het bestreden besluit het benodigde onderzoek ontbrak - in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid onvoldoende is onderbouwd. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd omtrent de verbetering van het gebied die deze wijzigingsbevoegdheid tot gevolg zal kunnen hebben, kan niet leiden tot het oordeel dat het standpunt van het college onjuist is.

2.11.5. Voorts acht de Afdeling het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat de wijzigingsbevoegdheid geen kleinschalige ontwikkeling mogelijk maakt, maar een vorm van verstedelijking die in strijd is met de aanduiding als uitsluitingsgebied op de streekplankaart, niet onjuist. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze bevoegdheid de bouw van 24 woningen en 500 m2 detailhandel mogelijk maakt in De Haukes, een kleine kern ten zuiden van de kern Westerland, en dat dergelijke ontwikkelingen, gelet op hetgeen hiervoor in 2.8.1.2 is overwogen, niet zijn te beschouwen als kleinschalige ontwikkelingen als bedoeld in het streekplan. Dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal leiden tot vermindering van de thans aanwezige bedrijfsbebouwing ter plaatse en derhalve tot minder verstedelijking, zoals [appellant sub 4] stelt, is in dit verband niet relevant. In het betoog van [appellant sub 4] dat de wijzigingsbevoegdheid een aanvulling is op de ontwikkeling van het op enige afstand gelegen Wieringerrandmeer behoefde het college van gedeputeerde staten geen aanleiding te vinden om van het provinciale beleid af te wijken. Blijkens het verweerschrift van het college van gedeputeerde staten betreft dat een op zichzelf staand project voor een gebied dat in het streekplan niet is aangeduid als uitsluitingsgebied. Ook faalt het betoog van [appellant sub 4] dat het provinciale beleid in de ruimte voor ruimte regeling juist voorziet in het verwijderen van minder gewenste bebouwing onder toekenning van een recht op terugbouw van enkele woningen als compensatie. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat de ruimte voor ruimte regeling is beperkt tot sloop van ongewenste bebouwing en vervanging door één of enkele woningen. De wijzigingsbevoegdheid voorziet niet slechts in een groot aantal woningen, maar bovendien in de vestiging van een detailhandelsfunctie van 500 m2. Toevoeging van die functie op de voorgestelde locatie vergt een afzonderlijke beoordeling ten aanzien waarvan het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat die de toepassing van de ruimte voor ruimte regeling te buiten gaat.

2.11.6. Ten aanzien van de door het college van burgemeester en wethouders gemaakte vergelijking met het plandeel met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 2" wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat aan wijzigingsbevoegdheid 2 voldoende onderzoek naar de gebiedswaarden ten grondslag ligt en het college van burgemeester en wethouders niet heeft aangetoond dat daarbij sprake is van dezelfde mate van verstedelijking als de ontwikkelingen die wijzigingsbevoegdheid 5 mogelijk maakt. In hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door het college van burgemeester en wethouders genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.11.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 5" en artikel 24, onder c, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is voor het geheel en het beroep van het college van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

Wijzigingsbevoegdheid 6 en artikel 9, negende lid, onder e, van de planvoorschriften

2.12. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] richten zich in beroep tegen de onthouding van goedkeuring aan wijzigingsbevoegdheid 6 die voorziet in de mogelijkheid voor de bouw van een (burger)woning op hun perceel tegenover [locatie 12]. Zij betogen dat het college van gedeputeerde staten heeft miskend dat op het perceel reeds bebouwing in de vorm van een paardenstal annex berging aanwezig is en dat het voorheen geldende plan de bouw van meer bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning toestond. Bovendien ligt het perceel in een buurtschap van woningen, zodat naar hun mening geen planologische reden aanwezig is goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid te onthouden. Onthouding van goedkeuring leidt, aldus [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], tot het voor hen onaanvaardbare resultaat dat dit perceel onbruikbaar wordt doordat de voorheen aanwezige agrarische bedrijfsbestemming niet meer in dit plan is opgenomen en evenmin hun timmerbedrijf op het perceel [locatie 13] als zodanig in het plan is bestemd. De bestemming voor die percelen is echter - in overleg met hen - opgenomen in samenhang met wijzigingsbevoegdheid 6. Indien het besluit tot onthouding van goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid in stand blijft, vragen zij subsidiair de goedkeuring van de bestemming voor dit perceel en voor het perceel [locatie 13] te vernietigen en daaraan zelfvoorziend goedkeuring te onthouden, opdat opnieuw een integrale afweging kan worden gemaakt.

Voorts voeren zij als bezwaar van formele aard aan dat het college van gedeputeerde staten hun bedenkingen niet, althans niet op een voor hen kenbare wijze, in de besluitvorming heeft betrokken.

2.12.1. Het college van burgemeester en wethouders voert aan dat deze wijzigingsbevoegdheid een positieve invloed op de Waterweg heeft, nu het bestaande bedrijf aan de Poelweg kan worden gesaneerd en de doorzichten op het perceel tegenover [locatie 12] kunnen worden versterkt. Een extra woning zal geen verstoring van die doorzichten geven.

2.12.2. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8 is vermeld - overwogen dat geen ruimtelijke onderbouwing is gegeven en dat ook geen onderzoek is verricht naar de effecten op de te beschermen waarden in het plangebied.

2.12.3. Het betoog van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dat het college van gedeputeerde staten hun bedenkingen niet, althans niet op een voor hen kenbare wijze, in de besluitvorming heeft betrokken, faalt. Uit het verweerschrift volgt dat het college van gedeputeerde staten per abuis de naam van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] niet in het bestreden besluit heeft vermeld, maar dat hij hun bedenkingen wel bij de besluitvorming heeft betrokken. Die bedenkingen hadden evenwel betrekking op de bouwvoorschriften van de wijzigingsbevoegdheid. Nu goedkeuring is onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid als zodanig en op de grond dat aan die bevoegdheid onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt, behoefde het college van gedeputeerde staten in zijn besluit niet nader in te gaan op de bedenkingen van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B].

2.12.4. Ingevolge artikel 9, negende lid, onder e, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - kan de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" van de gronden die op de plankaart zijn aangeduid met "wijzigingsbevoegdheid 6" worden gewijzigd in de bestemming "Woondoeleinden" en "Tuin" als bedoeld in artikel 3 en artikel 4. In dat geval mag, mits de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 13] worden gestaakt, één woning worden gebouwd en moet het hoofdgebouw binnen het gebied dat op de plankaart is aangeduid met "woning na wijziging toegestaan" worden gebouwd. Bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheid dient ingevolge artikel 9, negende lid, onder f, rekening te worden gehouden met de aspecten bodem, water en milieutechnische aspecten.

Blijkens de plankaart is aan de gronden tegenover het perceel [locatie 12] de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 6" toegekend en aan een gedeelte van de gronden de aanduiding "woning na wijziging toegestaan".

2.12.5. Ter zitting is gebleken dat het perceel tegenover [locatie 12] één bebouwd kadastraal perceel is in de zin van de PMV. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.2, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor de uitoefening van deze wijzigingsbevoegdheid en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Voorts is ter zitting vast komen te staan dat het perceel op ongeveer 230 m afstand van het provinciaal monument De Wierdijk ligt en dat het weliswaar niet in het stiltegebied, maar wel in het weidevogelgebied ligt. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, dient aan deze wijzigingsbevoegdheid voldoende onderzoek naar de gevolgen van de bestemming "Woondoeleinden" en "Tuin" op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit onderzoek niet is verricht. Voorts is niet in geschil dat het in het streekplan voorgeschreven beeldkwaliteitsplan voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling die met deze wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, ontbreekt. Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende zijn onderbouwd. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders dat deze wijzigingsbevoegdheid een positieve invloed op de Waterweg heeft en geen verstoring van de doorzichten zal geven, faalt nu dit betoog niet met feiten is onderbouwd noch anderszins aannemelijk is gemaakt.

2.12.6. Het college en de raad hebben ter zitting verklaard dat de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel [locatie 13] die bestonden ten tijde van het van kracht worden van het plan ondergeschikt zijn aan de woonbestemming en ingevolge het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 25 van de planvoorschriften, mogen worden voortgezet. Tevens hebben zij verklaard dat het gebruik van de gronden op het perceel [locatie 12] voor opslagdoeleinden, zoals dit bestond ten tijde van het van kracht worden van het plan, onder het overgangsrecht mag worden voortgezet. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit weliswaar goedkeuring is onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 12], maar dat gelet op de motivering die daaraan ten grondslag ligt, niet is uitgesloten dat een woonbestemming bij de herziening van dit plan mogelijk wordt gemaakt. Hiervan uitgaande, behoefde het college van gedeputeerde staten in de onthouding van goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid geen aanleiding te zien ook de bestemming voor het perceel [locatie 13] in de onthouding van goedkeuring te betrekken ten einde een integrale afweging door de raad voor het perceel tegenover [locatie 12] en het perceel [locatie 13] mogelijk te maken.

Het subsidiaire betoog van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] faalt derhalve eveneens.

2.12.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid voor dit perceel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] hebben aangevoerd geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemmingen voor het perceel [locatie 13] en het perceel tegenover [locatie 12] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] is geheel en het beroep van het college van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

Artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften

2.13. De beroepen van [appellant sub 5] en het college van burgemeester en wethouders zijn onder meer gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften. [appellant sub 5] en het college van burgemeester en wethouders betogen dat deze wijzigingsbevoegdheid slechts kleinschalige ontwikkelingen mogelijk maakt die bovendien aan voorwaarden is gekoppeld, zodat de beschermde waarden van het gebied niet worden aangetast.

2.13.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8. is vermeld - overwogen dat geen nader onderzoek is verricht naar de effecten op de te beschermen waarden in het plangebied en dat geen objectiveerbare beperkingen zijn aangebracht in de locatiekeuze.

2.13.2. Ingevolge artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - kan de bestemming "Woondoeleinden" worden gewijzigd ten behoeve van één recreatiewoning per woning mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. Het aantal bij wijziging te realiseren recreatiewoningen bedraagt in totaal maximaal 15 en is alleen toegestaan bij vrijstaande woningen.

2.13.3. Het planvoorschrift staat de realisering van een recreatiewoning alleen toe op percelen met vrijstaande woningen. Nu deze woningen op een ingegraven fundament staan, betreffen de percelen waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet bebouwde percelen in de zin van de PMV. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.2, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Voorts is ter zitting vast komen te staan dat, nu de wijzigingsbevoegdheid niet op specifieke gronden ziet, de gronden waar de wijzigingsbevoegdheid op ziet in het weidevogelgebied en stiltegebied kunnen liggen. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, dient aan deze wijzigingsbevoegdheid voldoende onderzoek naar de gevolgen van het realiseren van een recreatiewoning op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit onderzoek niet is verricht. Voorts is niet in geschil dat het in het streekplan voorgeschreven beeldkwaliteitsplan voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling die met deze wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, ontbreekt. Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende zijn onderbouwd. Het betoog van [appellant sub 5] en het college van burgemeester en wethouders dat deze wijzigingsbevoegdheid een zeer kleinschalige ruimtelijke ingreep mogelijk maakt waardoor de beschermde waarden van het gebied niet worden aangetast, faalt nu dit betoog niet met feiten is onderbouwd noch anderszins aannemelijk is gemaakt.

2.13.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 5] en het college van burgemeester en wethouders zijn in zoverre ongegrond.

Artikel 6, achtste lid, van de planvoorschriften

2.14. Het beroep van [appellant sub 7] is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 6, achtste lid, van de planvoorschriften. Hij betoogt dat het perceel [locatie 1], waar de wijzigingsbevoegdheid op ziet, op grote afstand van De Wierdijk ligt en dat de ontwikkelingen die door de wijzigingsbevoegdheid worden mogelijk gemaakt geen schade toebrengen aan de beschermde waarden van het gebied. Voorts voert [appellant sub 7] aan dat er ver gevorderde plannen zijn om een Wieringerrandmeer aan te leggen met aanzienlijke aantallen woningen en dat deze plannen meer invloed hebben op het weidevogelgebied en De Wierdijk dan deze wijzigingsbevoegdheid. De onderzoeken die het college van gedeputeerde staten verlangt, kunnen ten tijde van het indienen van een bouwaanvraag worden verricht, aldus [appellant sub 7], en deze onderzoeken zijn niet nodig als de recreatiewoningen binnen het bestaande pand worden gerealiseerd.

Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat met deze wijzigingsbevoegdheid een vervallen schuur kan worden vervangen door twee recreatiewoningen. Daardoor neemt het bouwvolume op het perceel af. De weidevogels en De Wierdijk zullen naar zijn mening geen schade ondervinden van de bevoegdheid, nu bovendien nader ecologisch onderzoek is voorgeschreven.

2.14.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8. is vermeld - overwogen dat geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van deze functiewijziging en dat evenmin de effecten op het weidevogelgebied en De Wierdijk zijn onderzocht.

2.14.2. Ingevolge artikel 6, achtste lid, onder a, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - kan de bestemming "Opslag" worden gewijzigd ten behoeve van verblijfsrecreatie mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. In dat geval mogen ten hoogste twee recreatiewoningen worden gebouwd binnen het gebied dat op de plankaart is aangeduid als "recreatiewoningen na wijziging toegestaan" en moet door een erkend bedrijf vooraf inventariserend archeologisch veldonderzoek en aanvullend ecologisch onderzoek plaatsvinden. Indien het ecologisch onderzoek daartoe aanleiding geeft zullen de (bouw)werkzaamheid pas kunnen plaatsvinden nadat een ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Ffw is verkregen. Bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheid dient ingevolge artikel 6, achtste lid, onder b, rekening te worden gehouden met de aspecten bodem, water en milieutechnische aspecten.

Blijkens de plankaart is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Opslag" en de aanduiding "recreatiewoningen na wijziging toegestaan" toegekend.

2.14.3. Ter zitting is gebleken dat het perceel [locatie 1] een bebouwd perceel in de zin van de PMV is. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.2, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Voorts is ter zitting vast komen te staan dat het perceel op een afstand van ongeveer 70 m van het provinciaal monument De Wierdijk en in het weidevogel- en het stiltegebied ligt. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, dient aan deze wijzigingsbevoegdheid voldoende onderzoek naar de gevolgen van het realiseren van recreatiewoningen op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit onderzoek niet is verricht. Voorts is niet in geschil dat het in het streekplan voorgeschreven beeldkwaliteitsplan voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling die met deze wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt, ontbreekt. Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende zijn onderbouwd. De stelling van [appellant sub 7] en van het college van burgemeester en wethouders dat die functiewijziging niet leidt tot aantasting van de waarden van het gebied, is niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt. Ook faalt het betoog van [appellant sub 7] dat het college de ontwikkeling van het op enige afstand gelegen Wieringerrandmeer wel toestaat. Blijkens het verweerschrift van het college van gedeputeerde staten betreft dat een op zichzelf staand project voor een gebied dat in het streekplan - anders dan de gronden binnen dit plangebied - niet is aangeduid als uitsluitingsgebied.

2.14.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 6, achtste lid, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met het recht.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 7] en het college van burgemeester en wethouders zijn in zoverre ongegrond.

Artikel 9, negende lid, onder a, sub 2, van de planvoorschriften

2.15. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het perceel De Haukes 42, waar de wijzigingsbevoegdheid op ziet, geschikt is voor recreatie en toerisme en dat hier horeca ontwikkeld kan worden, mede gelet op de plannen om bij het Wieringerrandmeer een haven mogelijk maken.

2.15.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8 is vermeld - overwogen dat het provinciale beleid voor vrijkomende agrarische bedrijven slechts kleinschalige vormen van wonen, werken en recreatie toestaat en dat, nu de vorm van het horecabedrijf niet nader is omschreven en derhalve onbegrensd is, de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het provinciale beleid.

2.15.2. Ingevolge artikel 9, negende lid, onder a, aanhef en sub 2, van de planvoorschriften kan de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" worden gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een horecabedrijf op het perceel De Haukes 42 mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. Deze functie dient te worden gesitueerd in de bestaande, voormalige bedrijfsgebouwen en/of bestaande bedrijfswoning. Bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheid dient ingevolge artikel 9, negende lid, onder f, rekening te worden gehouden met de aspecten bodem, water en milieutechnische aspecten.

Ingevolge artikel 1, onder aa, wordt onder een horecabedrijf verstaan een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

2.15.3. Volgens het provinciale "Beleid vrijkomende agrarische bebouwing", dat op 25 september 2007 door het college van gedeputeerde staten is vastgesteld, kan vrijkomende agrarische bebouwing worden gebruikt voor kleinschalige vormen van wonen, werken en recreatie, al dan niet als nevenfunctie. De Afdeling is van oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met dit beleid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het horecabedrijf dat op grond van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 9, negende lid, onder a, aanhef en sub 2, in samenhang gelezen met artikel 1, onder aa, van de planvoorschriften mogelijk wordt gemaakt in de bestaande, voormalige bedrijfsgebouwen en/of de bestaande woning op het perceel De Haukes 42, zich niet beperkt tot een kleinschalige vorm van horeca en dat de op het perceel aanwezige bebouwing ter zitting als fors is gekenschetst. In hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen bijzondere omstandigheden die het college van gedeputeerde staten ertoe hadden moeten brengen om af te wijken van het provinciale beleid.

2.15.4. De conclusie is dat hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 9, negende lid, onder a, sub 2, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

Artikel 9, negende lid, onder b, van de planvoorschriften

2.16. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om aan een agrarisch bedrijf uitbreidingsmogelijkheden te geven - tot de vanuit het hedendaags gebruik normale maat van 1 hectare - zonder dat een bestemmingsplanprocedure moet worden doorlopen. Verder voert hij aan dat de wijzigingsbevoegdheid aansluit bij provinciaal beleid waarin ook wordt uitgegaan van agrarische bedrijven met een oppervlakte van het bouwperceel van 1 hectare en dat bij die uitbreidingsmogelijkheid aantasting van aardkundige waarden niet aan de orde is.

2.16.1. Het college van gedeputeerde staten heeft in zijn besluit specifiek ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan deze wijzigingsbevoegdheid aanvullend - aan hetgeen hiervoor onder 2.8 is vermeld - overwogen dat geen onderzoek naar de effecten heeft plaatsgevonden.

2.16.2. Ingevolge artikel 9, negende lid, onder b, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" wijzigen ten behoeve van vergroting van het bouwvlak tot maximaal 1 hectare mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: […] stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten […]. Bij de voorbereiding van deze wijzigingsbevoegdheid dient ingevolge artikel 9, negende lid, onder f, rekening te worden gehouden met de aspecten bodem, water en milieutechnische aspecten.

2.16.3. De percelen waar artikel 9, negende lid, onder b, op ziet, zijn bebouwde percelen in de zin van de PMV, nu de reeds aanwezige bedrijfsgebouwen op een ingegraven fundament staan. Een ontheffing als bedoeld in artikel 11.2, onder 2, van de PMV is derhalve niet vereist voor uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid en het college van gedeputeerde staten heeft dat vereiste - blijkens zijn verklaring ter zitting - dan ook terecht niet aan zijn onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegd.

Voorts is ter zitting vast komen te staan dat, nu de wijzigingsbevoegdheid niet ziet op specifiek gebied, de gronden waar de wijzigingsbevoegdheid op ziet in het weidevogelgebied en stiltegebied kunnen liggen. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.8.1.6 is overwogen, dient aan deze wijzigingsbevoegdheid voldoende onderzoek naar de gevolgen van het vergroten van een bouwvlak tot maximaal 1 hectare op de te beschermen gebiedswaarden ten grondslag te liggen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit onderzoek niet is verricht. Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende zijn onderbouwd. Dat met deze wijzigingsbevoegdheid wordt aangesloten bij de in het hedendaags gebruik normale maat van 1 hectare, is voor dit oordeel niet relevant.

2.16.4. De conclusie is dat hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 9, negende lid, onder b, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5] voor het overige

2.17. [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een groter oppervlak met de bestemming "Woondoeleinden" voor zijn perceel [locatie 14]. In dit verband stelt hij dat de vaststelling van het plan en het daaraan voorafgaande bestuurlijk overleg chaotisch zijn verlopen. Volgens hem moet worden betwijfeld of het standpunt van de raad juist in de stukken is verwoord. Eveneens moet worden betwijfeld of het college van gedeputeerde staten door het chaotische verloop van de besluitvorming niet in de war is gebracht, aldus [appellant sub 5].

2.17.1. Uit de zienswijzennota bezien in samenhang met het vaststellingsbesluit volgt het standpunt van de raad dat hij de door [appellant sub 5] gewenste uitbreiding van de woonbestemming op zijn perceel niet wil toestaan. In de zienswijzennota zijn bovendien de argumenten vermeld die aan dit standpunt ten grondslag liggen. Derhalve kan de stelling van [appellant sub 5] dat het standpunt van de raad voor het college van gedeputeerde staten niet kenbaar was, niet worden gevolgd. Het betoog dat het bestuurlijk vooroverleg chaotisch is verlopen, is voor dit oordeel niet relevant.

2.17.2. [appellant sub 5] betoogt voorts dat geen sprake is van belangrijke doorzichten die behouden dienen te blijven en die er aan in de weg staan dat een ruimer oppervlak voor wonen wordt toegekend. Volgens hem heeft het begrip 'doorzicht' ook geen juridische status, zodat, als daarvan al sprake zou zijn, aan die omstandigheid geen betekenis toekomt. Verder doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.17.3. Blijkens de plantoelichting stelt de raad zich op het standpunt dat voor Westerland de huidige situatie uitgangspunt is met beperkte mogelijkheden voor ontwikkeling. Daarbij gaat het met name om woningbouw, maar ook om mogelijkheden voor recreatiewoningen en dagrecreatie. Voorts volgt uit de plantoelichting dat de doorzichten in zuidelijke richting naar het Amstelmeer aanmerkelijk waardevoller zijn dan de doorzichten in noordelijke richting. Het doorzicht vanaf de Westerlanderweg wordt genoemd als te handhaven doorzicht. Door geen ruimer oppervlak met de bestemming "Woondoeleinden" toe te kennen aan het perceel van [appellant sub 5] heeft de raad voornoemde in de plantoelichting beschreven uitgangspunten gevolgd. De Afdeling acht toepassing van deze uitgangspunten niet onredelijk. Aan het perceel van [appellant sub 5] grenst in zuidelijke richting naar het Amstelmeer een open ruimte, zodat de raad zich ten aanzien daarvan in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locatie kan worden aangemerkt als 'doorzicht' in die zin dat het een plek betreft waar de dieptewerking van het landschap en/of het reliëf merkbaar en/of zichtbaar zijn. Hij heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang bij behoud van dit doorzicht dan aan het belang van [appellant sub 5] bij verruiming van de bestemming "Woondoeleinden". Het college van gedeputeerde staten heeft zich vervolgens in redelijkheid bij het standpunt van de raad kunnen aansluiten.

Het betoog van [appellant sub 5] dat aan het begrip 'doorzicht' geen betekenis toekomt omdat dat begrip geen juridische status heeft, miskent dat de aanwezigheid van doorzichten een element is in de toetsing die de raad en het college van gedeputeerde staten - zoals onder 2.4 overwogen -dienen te verrichten, namelijk of de planregeling een goede ruimtelijke ordening betreft. Het behoud van de aanwezige doorzichten is derhalve, anders dan [appellant sub 5] betoogt, terecht in die toetsing betrokken.

Ten aanzien van de door [appellant sub 5] gemaakte vergelijking met het perceel tussen [locatie 5] en [locatie 6], het perceel naast Westerlanderweg 16, de percelen Westerlanderweg 59, 25 en 26 en het perceel tussen De Dolven 30, heeft het college zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat in die gevallen bebouwing op grond van bestaande rechten als zodanig is bestemd. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich in navolging van de raad ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.17.4. [appellant sub 5] voert subsidiair aan dat in geval het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover goedkeuring is onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften voor de bouw van maximaal 15 recreatiewoningen, in de vernietiging aanleiding moet worden gezien voor toekenning van een ruimer oppervlak aan "Woondoeleinden" voor zijn perceel.

2.17.5. Het college van gedeputeerde staten heeft, zoals in 2.13 tot en met 2.13.3 is overwogen, terecht goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid, als opgenomen in artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften. Het betoog van [appellant sub 5], wat hiervan verder ook zij, kan derhalve om deze reden reeds niet slagen.

2.17.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en "Tuin" voor zijn perceel [locatie 14], niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.18. Het beroep van [appellant sub 9] is gericht tegen de goedkeuring van de vorm van het bouwvlak voor zijn woning op het perceel [locatie 15] en tegen de goedkeuring van de in het plan toegestane goothoogte van 3,50 m.

[appellant sub 9] betoogt dat een aan de oostzijde van die woning gerealiseerde aanbouw ten onrechte slechts gedeeltelijk binnen het bouwvlak valt. Daardoor biedt het plan niet de mogelijkheid daarop een verdieping te bouwen voor een slaapkamer. De ruimte voor uitbreiding die het bouwvlak aan de zuidzijde van de woning biedt, zal [appellant sub 9] niet benutten vanwege de hoge kosten, de zonnestand, het vrije erf aan die zijde en de ligging van de N99. Hij stelt dat een grotere bouwhoogte van het resterende gedeelte van de aanbouw niet zal domineren ten opzichte van de bestaande woning en dat daardoor evenmin een langgerekt front langs de Parallelweg zal ontstaan. Dat front is naar zijn mening nu al aanwezig maar zal niet worden vergroot, omdat de bouwhoogte voor een verdieping op de aanbouw beperkt kan blijven tot 6,50 m en geen 8 m behoeft te zijn zoals het plan voor het hoofdgebouw toestaat. Voorts betoogt [appellant sub 9] dat voor verschillende andere percelen binnen het plangebied de aanbouwen wel geheel binnen het bouwvlak zijn opgenomen.

2.18.1. Het college van gedeputeerde staten stemt in navolging van de raad om stedenbouwkundige reden niet in met het verleggen van het bouwvlak zodanig dat de gehele aanbouw daarbinnen valt. Volgens het college van gedeputeerde staten zal daardoor een te langgerekt front ontstaan naar de Parallelweg en de N99.

2.18.2. De gronden voor het perceel [locatie 15] zijn op de plankaart aangewezen voor "Woondoeleinden" met een bouwvlak voorzien van de aanduidingen "1" en "a". Het op de plankaart opgenomen 'Bouwvoorschrift' vermeldt dat met de aanduiding "a" de bouwklasse is aangeduid met de daarbij bijbehorende maximale goothoogte, bouwhoogte en dakhelling.

Daarmee is - voor zover thans van belang - ingevolge de in artikel 3 van de voorschriften bij het plan opgenomen bestemmingsomschrijving en bouwvoorschriften binnen het bouwvlak één woning toegestaan met een maximale goothoogte van 3,50 m en een maximale bouwhoogte van 8 m.

De goothoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - die niet binnen een bouwvlak behoeven te worden gebouwd - mag ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, sub 5, niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,25 m. De bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag ingevolge het bepaalde onder b, sub 7, van dit artikellid niet meer bedragen dan 5 m [..].

2.18.3. Blijkens de stukken is het bouwvlak aan de zuidzijde ruim om de bestaande woning gelegd en omvat het aan de oostzijde tevens ongeveer 5 m van de aanbouw aan de woning. Ongeveer 2,50 m van de aanbouw valt buiten het bouwvlak. De bestaande woning is blijkens de stukken ongeveer 5,60 m hoog.

Het toegekende bouwvlak biedt derhalve gelet op de hiervoor onder 2.18.2 vermelde bouwvoorschriften, anders dan waarvan [appellant sub 9] in zijn betoog vanuit gaat, de mogelijkheid de woning en het gedeelte van de aanbouw dat binnen het bouwvlak valt te vergroten tot een bouwhoogte van 8 m met een goothoogte van 3,50 m. Gelet op de vergroting van de bouwmassa die de toekenning van dit bouwvlak tot gevolg heeft ten opzichte van de thans aanwezige bebouwing, heeft het college van gedeputeerde staten in navolging van de raad een verdere vergroting (verlenging) van het bouwvlak stedenbouwkundig niet aanvaardbaar kunnen achten, omdat dit tot een te lang gerekt front zal leiden langs de Parallelweg en de N99. Immers alsdan zou ook voor dat gedeelte van de aanbouw de maximale bouwhoogte kunnen worden verhoogd tot 8 m.

2.18.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 9] gemaakte vergelijking met verschillende andere percelen waarvoor de aan- en uitbouwen geheel in het bouwvlak zijn opgenomen wordt overwogen dat [appellant sub 9] niet aannemelijk heeft gemaakt dat die situaties overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.18.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.19. [appellant sub 10] komt op tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan voor zover aan zijn gronden tussen zijn woning op het perceel [locatie 16] en het perceel [locatie 17] de bestemmming "Tuin" is toegekend. [appellant sub 10] stelt dat het vorige plan voorzag in een woonbestemming voor die gronden en hij wenst dat deze bestemming in dit plan opnieuw wordt toegekend.

2.19.1. In het vaststellingsbesluit is de raad deels tegemoet gekomen aan de wensen van [appellant sub 10] door de woonbestemming voor deze gronden in oostelijke richting met 5 m te verruimen ten opzichte van het ontwerpplan. In het bestreden besluit heeft het college hiermee ingestemd. Beiden hebben zich evenwel op het standpunt gesteld dat niet aan het volledige perceel een woonbestemming kan worden toegekend.

2.19.2. De raad stelt zich op het standpunt dat voor Westerland de huidige situatie met beperkte mogelijkheden voor ontwikkeling uitgangspunt is. Daarbij gaat het met name om woningbouw, maar ook voor de mogelijkheden voor recreatiewoningen en dagrecreatie. Voorts volgt uit de plantoelichting dat het gebied tussen Westerland en De Haukes in verband met het aanwezige reliëf een open karakter moet houden. Door geen ruimer oppervlak met de bestemming "Woondoeleinden" toe te kennen aan het perceel van [appellant sub 10] heeft de raad dit in de plantoelichting beschreven uitgangspunt gevolgd. De Afdeling acht toepassing hiervan niet onredelijk. Daarbij is van belang dat, zoals ter zitting vast is komen te staan, de aan de Westerlanderweg gelegen percelen hoger liggen dan de achterliggende percelen, zodat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een plek waar de dieptewerking van het landschap en/of het reliëf merkbaar en/of zichtbaar zijn. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afnemende bebouwingsdichtheid in westelijke richting moet worden behouden. Hij heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang bij behoud van het reliëf en de afnemende bebouwingsdichtheid dan aan het belang van [appellant sub 10] bij het oprichten van erfbebouwing. Het college heeft zich vervolgens in redelijkheid bij het standpunt van de raad kunnen aansluiten. Het betoog van [appellant sub 10] dat achter zijn perceel een camping ligt die reeds afbreuk doet aan het reliëf en de afnemende bebouwingsdichtheid, faalt. Dit laat immers onverlet dat de oprichting van bebouwing ter plaatse afbreuk doet aan de door de raad gehanteerde uitgangspunten. Ook het betoog van [appellant sub 10] dat hij aan het voorheen geldende plan recht kan ontlenen, faalt, nu de raad op basis van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen voor gronden kan aanwijzen en in verband met die bestemmingen regels kan vaststellen. De raad is daarbij in dit geval aangesloten bij de feitelijke situatie. Bij de keuze voor de bestemming "Tuin" heeft hij in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de hiervoor vermelde uitgangspunten.

2.19.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Tuin" voor de gronden tussen het perceel [locatie 16] en het perceel [locatie 17], niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.

2.20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B] geheel, het beroep van [appellant sub 7] wat betreft de plandelen met de bestemming "Opslag" en "Tuin" voor het perceel [locatie 1] en het beroep van [appellant sub 1] wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" voor de gronden tegenover het perceel [locatie 2], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], het college van burgemeester en wethouders van Wieringen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B], [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] geheel, en de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

291-634-646-655.