Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4207

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
200908346/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009, kenmerk 1505335, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bergen op Zoom bij besluit van 29 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Halsteren".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908346/1/R3.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009, kenmerk 1505335, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bergen op Zoom bij besluit van 29 januari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Halsteren".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2010, waar [appellant sub 1] in persoon is verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door drs. E.P.A.M. Weterings, werkzaam bij de gemeente, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is een actualisatie van voorheen geldende plannen voor de kern Halsteren. In het plan is ook een aantal nieuwe ontwikkelingen in het plangebied opgenomen. Daarnaast ligt de nadruk voor het overgrote deel op beheer en behoud van de bestaande bebouwde omgeving.

2.2. Ingevolge het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rustte op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij diende het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast had het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] komen op tegen het besluit van het college voor zover hierbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Sport", ter plaatse van het sportcomplex De Kannebuis, waarbinnen is voorzien in de mogelijkheid tot vestiging van een horecagelegenheid van categorie 2. Zij betwisten het standpunt van het college dat het hier gaat om een legalisering van de bestaande situatie. Hiertoe voeren zij aan dat wanneer een horecagelegenheid van categorie 2 ter plaatse wordt toegestaan, een volwaardige horecagelegenheid gerealiseerd kan worden in de vorm van een grandcafé. Zij stellen dat er geen noodzaak is om een horecagelegenheid van categorie 2 te realiseren, waar, gelet op de ligging midden in een woonwijk, een horecagelegenheid ten dienste van het sportcomplex meer voor de hand zou hebben gelegen. Ten slotte voeren [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] aan dat de horecagelegenheid ingevolge het plan kan worden vergroot of verplaatst, zodat deze dichter bij de omliggende woningen komt te liggen dan in de bestaande situatie.

2.3.1. Het college voert aan dat in het plan de vestiging van nieuwe horecagelegenheden wordt beperkt tot categorie 1, maar dat het het toestaan van een horecagelegenheid van categorie 2 op het sportcomplex aanvaardbaar acht, nu het hier gaat om een gedeeltelijke legalisering van het bestaande gebruik en een horecagelegenheid van categorie 1 niet in overeenstemming is met het al bestaande gebruik.

2.3.2. Het ingevolge artikel 17 van de planvoorschriften toestaan van een horecavoorziening als bedoeld in categorie 2 van de als bijlage bij die planvoorschriften horende Staat van Horeca-activiteiten gaat verder dan de legalisering van het bestaand gebruik van de kantine van sportcomplex De Kannebuis. Binnen deze categorie worden immers volgens de Staat van Horeca-activiteiten ook volwaardige horecagelegenheden zoals een grandcafé toegestaan. Niet valt in te zien dat het toestaan van een horecavoorziening van categorie 2 vereist is voor de door de raad en het college beoogde legalisering van de bestaande activiteiten, zoals kaarten, darten, biljarten, vergaderen en zalenverhuur. Dat deze activiteiten niet zijn onder te brengen bij categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten, hoefde geen beletsel te zijn voor de raad om de huidige horecagelegenheid te bestemmen in overeenstemming met het bestaande gebruik. Verder bedraagt ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften de maximale oppervlakte van de horecagelegenheid weliswaar 200 m2, wat nagenoeg gelijk is aan de huidige oppervlakte, maar staan de planvoorschriften er niet aan in de weg dat de horecagelegenheid wordt verplaatst binnen het in dit plan groter geworden bouwvlak, waardoor deze dichter bij de woningen rondom het sportcomplex komt te liggen. De mogelijkheid hiertoe kan evenmin worden aangemerkt als het enkel legaliseren van de bestaande situatie.

Op grond van het voorgaande bestaat er aanleiding voor het oordeel dat de raad en het college hun besluit voor zover het betreft de vaststelling onderscheidenlijk de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Sport", ter plaatse van het sportcomplex De Kannebuis, onzorgvuldig hebben genomen.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan, voor zover het het plandeel met de bestemming "Sport" ter plaatse van sportcomplex De Kannebuis betreft, is vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.5. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel.

2.6. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 1 september 2009, kenmerk 1505335, voor zover goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Sport", ter plaatse van het sportcomplex De Kannebuis;

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Sport", ter plaatse van het sportcomplex De Kannebuis;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

288-656.