Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201009726/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de minister aan de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, thans: het Ministerie van Infrastructuur en Milieu) op grond van de Ontgrondingenwet vergunning verleend voor het winnen van 24 miljoen m³ zeezand in de Noordzee in de vakken Q16F1, Q16F2, Q16H, Q16H-oost en Q16J binnen het blok Q16 ten behoeve van de aanleg van de "Zandmotor Delflandse kust". Dit besluit is op 1 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009726/2/M1.

Datum uitspraak: 11 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010 heeft de minister aan de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, thans: het Ministerie van Infrastructuur en Milieu) op grond van de Ontgrondingenwet vergunning verleend voor het winnen van 24 miljoen m³ zeezand in de Noordzee in de vakken Q16F1, Q16F2, Q16H, Q16H-oost en Q16J binnen het blok Q16 ten behoeve van de aanleg van de "Zandmotor Delflandse kust". Dit besluit is op 1 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2010, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 november 2010, waar [verzoeker], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. ing. E. de Beer, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de Staat, vertegenwoordigd door mr. ing. R.C.R. Meijerink, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3. Niet is in geschil dat [verzoeker] geen zienswijze heeft ingediend. Niet valt in te zien dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad dat te doen. Er is geen grond voor het oordeel dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ten aanzien van het ontwerpbesluit in het geheel geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. Daarbij is van belang dat hij zich op de hoogte had kunnen (laten) stellen van de kennisgeving in de Staatscourant en verschillende huis-aan-huisbladen. Dat [verzoeker], naar hij stelt, ten tijde van de kennisgeving een week in het buitenland verbleef, maakt dat niet anders, omdat het onder die omstandigheden op zijn weg lag om zorg te dragen voor een adequate behartiging van zijn belangen. Gelet hierop zal het beroep naar verwachting niet-ontvankelijk verklaard worden.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010

433.