Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201002049/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast een viertal overkappingen van het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002049/1/H1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 11 februari 2010 in zaak nrs. 10/100 en 10/101 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast een viertal overkappingen van het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering van dat besluit, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 maart 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201002046/1/H1 ter zitting behandeld op 4 oktober 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. drs. C. Verrillo, advocaat te Oldenzaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Yeyden en A.H. Oude Middendorp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] woont, tezamen met [belanghebbende], in een woonwagen op het perceel. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college [belanghebbende] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de carport en het schuurtje die zijn geplaatst op een groenstrook nabij de woonwagen te verwijderen. Het tegen dit besluit door [belanghebbende] gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 december 2009 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 februari 2010 in zaken nrs. 10/103 en 10/104 heeft de voorzieningenrechter het daartegen door [belanghebbende] ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2009 vernietigd, voor zover dat ziet op de carport, bepaald dat het college te dien aanzien een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Daartegen hebben [belanghebbende] en het college hoger beroep ingesteld (zaak nr. 201002046/1/H1).

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet is het verboden een bouwwerk, standplaats of een deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

2.3. De overkappingen zijn in strijd met artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet zonder de daartoe vereiste bouwvergunning gerealiseerd en worden in strijd met artikel 40, eerste lid, onder b, van die wet in stand gelaten. Het college was derhalve bevoegd tot handhavend optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Hiertoe voert zij aan dat uit de omstandigheid dat het college van meet af aan op de hoogte was van de plaatsing van de bouwwerken op het perceel en hiertegen jarenlang niet handhavend heeft opgetreden, blijkt dat het beleid van het college er in zijn algemeenheid op is gericht de op het perceel geplaatste bouwwerken te gedogen. Dit geldt temeer daar het college bij brief van 11 augustus 2000 aan [belanghebbende] toestemming heeft verleend voor het plaatsen van een carport op de groenstrook nabij de woonwagen op het perceel. Volgens [appellante] mocht zij er onder deze omstandigheden op vertrouwen dat het college niet handhavend tegen de overkappingen zou optreden. Voorts voert zij aan dat het college in vergelijkbare gevallen niet handhavend optreedt.

2.5.1. Niet wordt betwist dat in dit geval geen sprake is van een onvoorwaardelijke en uitdrukkelijke toezegging door of namens het college dat niet handhavend tegen de overkappingen zal worden opgetreden. Voorts rechtvaardigt de omstandigheid dat het college niet direct is opgetreden tegen deze bouwwerken, daargelaten de vraag hoe lang het college op de hoogte is van het feit dat deze op het perceel waren geplaatst, nog niet de verwachting dat het college van optreden zou afzien. De voorzieningenrechter heeft, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 september 2008 in zaak nr. 200709016/1), terecht overwogen dat enkel tijdsverloop niet met zich brengt dat het college niet meer handhavend zou kunnen optreden. Uit hetgeen [appellante] heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat het beleid van het college er in zijn algemeenheid op is gericht de op het perceel geplaatste bouwwerken te gedogen. [appellante] heeft haar stelling dat het college dit ter zitting bij de rechtbank als zodanig heeft bevestigd niet met objectieve gegevens onderbouwd. Gelet op het voorgaande, heeft de voorzieningenrechter het beroep van [appellante] op het vertrouwensbeginsel terecht afgewezen.

Aan het besluit van 8 december 2009 is ten grondslag gelegd dat het college voornemens is overeenkomstig het vastgestelde beleid eveneens handhavend op te treden tegen de illegale bouwwerken op de percelen [locaties 2, 3 en 4]. Hoewel aan [appellante] kan worden toegegeven dat daarbij van het college meer voortvarendheid zou mogen worden verwacht, bestaat onvoldoende grond voor de veronderstelling dat het college in deze gevallen van handhavend optreden zal afzien. Het college heeft ter zitting toegelicht dat prioriteit is gegeven aan het perceel [locatie 1] vanwege het grote aantal illegale bouwwerken ter plaatse. Tevens heeft het college uiteengezet dat de uitvoering van het handhavingsbeleid vanwege het tekort aan personele capaciteit vertraging heeft opgelopen, maar dat hierin inmiddels is voorzien. Volgens het college is de handhaving tegen de illegale bouwwerken op de percelen [locaties 2, 3 en 4] in 2009 ter hand genomen en zal ter zake op korte termijn een vooraankondiging worden gedaan. De voorzieningenrechter heeft het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel dan ook terecht afgewezen.

Gelet op het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om handhavend tegen de overkappingen op te treden.

Het betoog faalt.

2.6. Hetgeen [appellante] in hoger beroep voor het overige heeft aangevoerd, is een herhaling van de beroepsgronden die zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd beoordeeld en daarin geen aanleiding gevonden voor gegrondverklaring van het beroep. [appellante] heeft niet uiteengezet dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist zijn. In het hoger beroep is derhalve in zoverre geen grond gelegen voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

357-593.