Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201006383/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college bouwvergunning verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VSM Automatisering B.V. (hierna: VSM Automatisering) voor het veranderen en vergroten van een bedrijfsgebouw op het perceel Grotestraat 80 te Sambeek, gemeente Boxmeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/3441 met annotatie van C.M. Saris
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006383/1/H1.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VSM Automatisering B.V., gevestigd te Sambeek, gemeente Boxmeer,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 juni 2010 in zaken nrs. 10/1235 en 09/5842 in het geding tussen:

[wederpartijen], woonachtig te [woonplaats], gemeente Boxmeer

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college bouwvergunning verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VSM Automatisering B.V. (hierna: VSM Automatisering) voor het veranderen en vergroten van een bedrijfsgebouw op het perceel Grotestraat 80 te Sambeek, gemeente Boxmeer.

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2010, verzonden op 8 juni 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 november 2009 vernietigd, het besluit van 10 maart 2009 herroepen en bepaald dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2010, en VSM Automatisering bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

VSM Automatisering en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van der Velden, en VSM Automatisering, vertegenwoordigd door J. Vloet en bijgestaan door mr. E.A.M. van Gaal, advocaat te Tiel, zijn verschenen. Tevens is verschenen [wederpartijen], vertegenwoordigd door [wederpartij].

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een verhoging van het bedrijfsgebouw van 4,85 m naar 6,65 m en een vergroting van de inhoud van 2902 m³ naar 3838 m³.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Kom Sambeek" geldt voor het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden".

Ingevolge artikel 4, onderdeel B IV, vijfde lid, van de planvoorschriften, mag de hoogte van een hoofdgebouw, niet zijnde een woning, niet meer bedragen dan de op de plankaart maximaal toegestane goothoogte, vermeerderd met 4,5 m.

Ingevolge de plankaart is de op het perceel maximaal toegestane hoogte van een gebouw 4,5 m en is een goothoogte van een hoofdgebouw toegestaan tussen 3 en 6 m.

2.3. Het college en VSM Automatisering betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren daartoe aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat ook in dit geval, waarin sprake is van discrepantie tussen de plankaart en de planvoorschriften, de planvoorschriften dienen te prevaleren boven de plankaart en dat het college daarom gehouden was de bouwvergunning te verlenen.

2.3.1. De voorzieningenrechter - en ook partijen - zijn er terecht van uitgegaan dat de bebouwingsvoorschriften voor hoofdgebouwen niet zijnde woningen van toepassing zijn op het bouwplan.

2.3.2. Nu op de plankaart ter plaatse een maximale hoogte van 4,5 m is aangeduid, terwijl ingevolge de planvoorschriften een hoogte van 10,5 m is toegestaan, te weten de op de plankaart maximaal toegestane goothoogte van 6 m, vermeerderd met 4,5 m, is hier sprake van een discrepantie tussen de aanduiding op de plankaart en de planvoorschriften. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat in deze situatie volgens vaste jurisprudentie de planvoorschriften prevaleren boven de plankaart. De omstandigheid dat de door de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan op 17 april 2003 beoogde wijziging, dat de hoogte van het bedrijfsgebouw niet meer mag bedragen dan 4,5 m, niet op de juiste wijze is doorgevoerd, betekent echter niet dat het bouwplan moet worden getoetst aan hetgeen de gemeenteraad heeft beoogd.

Voor het antwoord op de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, is, in tegenstelling tot wat de voorzieningenrechter heeft overwogen, de tekst van de planvoorschriften bepalend en niet de bedoeling, zoals die blijkt uit het vaststellingsbesluit. De voorzieningenrechter heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het bouwplan wat de hoogte betreft in strijd is met het bestemmingsplan, nu op grond van artikel 4, onderdeel B IV, vijfde lid, van de planvoorschriften de hoogte van het bedrijfsgebouw 10,5 m mag bedragen.

Het betoog van het college en van VSM Automatisering slaagt.

2.4. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige bij de voorzieningenrechter aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de voorzieningenrechter daaraan ten onrechte niet is toegekomen.

2.5. [wederpartijen] hebben betoogd dat het bestaande gebouw afwijkt van het bestemmingsplan qua diepte en situering. Voorts stellen zij dat voor het bouwplan evenmin met toepassing van het overgangsrecht bouwvergunning kan worden verleend.

2.5.1. Ingevolge artikel 4, onderdeel B IV, eerste lid, van de planvoorschriften mag de diepte van een hoofdgebouw, niet zijnde een woning, niet meer dan 20 m bedragen en moet de voorgevel in de bebouwingsgrens zijn geplaatst.

Ingevolge artikel 22, onderdeel A, eerste lid, mag bebouwing die afwijkt van de bestemming van het plan en die bestond op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerpplan, voor zover de afwijking van het plan kwalitatief niet wordt vergroot, behoudens onteigening:

-gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

-eenmalig worden vergroot met ten hoogste 10% van de oppervlakte en ten hoogste 15% van de inhoud van de bebouwing, zoals die bestond op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerpplan;

-geheel worden vernieuwd of veranderd na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit, mits de bouwvergunning binnen twee jaar na het tenietgaan is aangevraagd.

2.5.2. Het betoog slaagt. Het ter zitting door het college ingenomen standpunt, dat het bouwvoorschrift opgenomen in artikel 4, onderdeel B IV, eerste lid, slechts zou gelden voor de bouw van nieuwe gebouwen en niet voor bestaande situaties, wordt niet gevolgd. Het college heeft deze lezing van de bepaling niet onderbouwd. Evenmin wordt in de systematiek van het bestemmingsplan of anderszins steun voor deze opvatting gevonden.

De diepte van het gebouw is in strijd met artikel 4, onderdeel B IV, eerste lid, van de planvoorschriften 31,6 m. Voorts is in strijd met deze bepaling de voorgevel niet geplaatst in bebouwingsgrens I, doch op een afstand van 17 m achter bebouwingsgrens I. Het bouwplan is eveneens in strijd met artikel 22, onderdeel A, eerste lid, nu het bouwplan voorziet in een vergroting van de inhoud met meer dan 15%. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter, zij het om andere redenen, terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 3 november 2009 is genomen in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 46, derde lid, van de Woningwet. Derhalve dient het college bij een nieuw besluit te bezien of het bereid is ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen.

2.6. De hoger beroepen zijn gegrond. Nu echter de beslissing van de voorzieningenrechter juist is, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. Nu de hoger beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding te bepalen dat de secretaris van de Raad van State aan VSM Automatisering het door haar betaalde griffierecht terugbetaalt. Van het college wordt geen griffierecht geheven.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VSM Automatisering B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 448 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

357-642.