Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201010316/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft het college aan de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid V.C.R. Im- en Export Handelsmaatschappij B.V. en T.C.U. Transport- en Containerservice Ulft B.V. twee lasten onder dwangsom opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.2
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.6
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 20.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 2313
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3718
JOM 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010316/1/M2.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid V.C.R. Beheer B.V., gevestigd te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek, en andere,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2010 heeft het college aan de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid V.C.R. Im- en Export Handelsmaatschappij B.V. en T.C.U. Transport- en Containerservice Ulft B.V. twee lasten onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit hebben V.C.R. Beheer B.V. en andere bezwaar gemaakt. Bij brief, bij rechtbank Arnhem ingekomen op 19 oktober 2010, hebben V.C.R. Beheer B.V. en andere de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft deze brief doorgezonden aan de Raad van State.

2. Overwegingen

2.1. De voorzitter doet uitspraak zonder zitting.

2.2. Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Invoeringswet) in werking getreden.

2.3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo wordt onder activiteit verstaan: activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, voorzover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.

2.4. Gelet op deze bepalingen wordt de bij besluit van 25 maart 2003 krachtens de Wet milieubeheer aan V.C.R. Im- en Export Handelsmaatschappij B.V. en T.C.U. Transport- en Containerservice Ulft B.V. verleende vergunning thans gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

2.5. De bij besluit van 8 oktober 2010 opgelegde lasten onder dwangsom hebben - kort weergegeven - betrekking op het zonder de ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer (oud) vereiste vergunning veranderen van een inrichting. Dit veranderen is gelet op artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2, van de Wabo en artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet een activiteit als bedoeld in de Wabo.

2.6. Uit artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit sinds 1 oktober 2010 luidt, vloeit voort dat tegen besluiten op grond van de Wabo geen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Dit betekent dat ingevolge artikel 8:1 van de Awb beroep bij de rechtbank open staat.

2.6.1. De voorzitter ziet aanleiding te onderzoeken of de Invoeringswet voorziet in overgangsrechtelijke bepalingen die met zich brengen dat artikel 20.1 van de Wet milieubeheer, zoals dit vóór 1 oktober 2010 luidde, van toepassing is op het thans bestreden besluit, wat zou betekenen dat tegen het in bezwaar te nemen besluit beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld.

2.6.2. Ingevolge artikel 1.6 van de Invoeringswet, voor zover hier van belang, blijft, indien vóór het tijdstip waarop de Wabo in werking treedt, met betrekking tot een activiteit als bedoeld in die wet een beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom is gegeven, het onmiddellijk voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt.

2.6.3. Het bestreden besluit tot oplegging van de lasten onder dwangsom is genomen na de inwerkingtreding van de Wabo, zodat artikel 1.6 van de Invoeringswet niet van toepassing is. Dit betekent dat op het bestreden besluit de Wabo van toepassing is, zodat tegen het in bezwaar te nemen besluit geen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld, maar bij de rechtbank.

2.6.4. Dit brengt mee dat de voorzitter kennelijk onbevoegd is om van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kennis te nemen. De voorzitter zal het verzoek, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem doorzenden.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

375-578.