Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
201000965/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Treebeek-Centrum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000965/1/R3.

Datum uitspraak: 17 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Brunssum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Treebeek-Centrum" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. Keulers en mr. H.D. Lelieveld, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat de wijze van voorlichting in de voorontwerpfase van het plan onjuist is verlopen, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is. De procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan vangt derhalve aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van voorlichting, als bedoeld door [appellant], geen deel uitmaakt van de in de Wro geregelde procedure, kan het bezwaar aangaande de voorlichting geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten.

2.2. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij niet is ingelicht over de beslissing op zijn zienswijze en de vaststelling en de terinzagelegging van het plan overweegt de Afdeling dat, wat er van de juistheid daarvan ook zij, deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Het beroep van [appellant] is gericht tegen een plandeel dat voorziet in een nieuw woongebouw. Volgens [appellant] is nu onvoldoende duidelijk welke kant van het woongebouw vanaf de Wijenweg zichtbaar is. Voorts is naar zijn mening ten onrechte de situering van de entree van het woongebouw tegenover zijn perceel [locatie] niet in het plan vastgelegd. Hiermee is onvoldoende duidelijk welke uitstraling het gebouw zal hebben voor zijn huurders.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, mogen hoofdgebouwen uitsluitend in aaneengebouwde vorm worden gebouwd.

Ingevolge artikel 8.2.2, aanhef en onder b, van de planregels, mag het aantal bouwblokken niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwblokken'.

Ingevolge artikel 8.2.2, aanhef en onder c, van de planregels, dient de voorgevel van een hoofdgebouw, indien sprake is van een woonfunctie op de begane grond, op 4 meter van de naar de weg gekeerde bestemmingsgrens te worden gebouwd, met dien verstande dat indien dienstverlenende bedrijven en/of instellingen op de begane grond worden gesitueerd het hoofdgebouw op 2 meter van de naar de weg gekeerde bestemmingsgrens dient te worden gebouwd.

2.3.2. Op de verbeelding is ten aanzien van het tegenover het perceel van [appellant] gelegen, hoofdzakelijk naar de Wijenweg toegekeerde, bestemmingsvlak aangegeven dat één bouwblok van woningen is toelaten.

Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op de combinatie van de verbeelding en de hiervoor weergegeven planregels, afdoende zeker gesteld dat de voorgevel van het woongebouw naar de Wijenweg toegekeerd zal worden en dat daarmee dat gebouw op die weg georiënteerd zal zijn. Mede gelet op de wijze waarop deze oriëntatie is voorzien, ziet de Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad daarbij vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening de specifieke ligging van de entree van het woongebouw had moeten voorschrijven.

2.4. Ten slotte maakt [appellant] bezwaar tegen de versmalling van de Wijenweg. Door deze versmalling zal er parkeerruimte verdwijnen, wat volgens hem nadelig is voor de winkeliers aan de Wijenweg.

2.4.1. Volgens de raad werden de huidige parkeerplaatsen niet alleen door het winkelend publiek, maar ook door de bewoners van de inmiddels gesloopte flats aan de Wijenweg gebruikt. Het plan voorziet ter plaatse van die flats in minder woningen, welke bovendien over hun eigen parkeervoorzieningen op het terrein achter de flat beschikken, aldus de raad. Voorts worden volgens de raad in de onmiddellijke omgeving nieuwe parkeergelegenheden gerealiseerd. Verder heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat een versmalling van de Wijenweg niet aan de orde is.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat een versmalling van de Wijenweg als door [appellant] bedoeld, niet in het plan is vastgelegd. Deze beroepsgrond mist dus feitelijke grondslag. Voorts is niet aannemelijk geworden dat ter plaatse sprake zal zijn van onvoldoende parkeerplaatsen. Daarbij neemt de Afdeling naast hetgeen de raad ter zake naar voren heeft gebracht in aanmerking dat in het plan een parkeernormering is vastgelegd per bestemming en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze parkeernormering gezien de situatie ter plaatse niet afdoende is.

2.5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010

45-653.