Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO4075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
201005990/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking. De afwijzing van het verzoek om (video-)opnamen te maken en de afwijzing van het verzoek om uitstel van de zitting zijn processuele beslissingen die als zodanig in het kader van de wrakingsprocedure niet ter beoordeling staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005990/2/H3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:

de stichting Stichting Belangenbehartiging Bewoners en Ondernemers Oud Zuid, gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.

Op 28 oktober 2010, voorafgaand aan de openbare behandeling van zaak nr. 201005990/1/H3 ter zitting van diezelfde dag, heeft de stichting verzocht om wraking van staatsraden mr. M. Vlasblom, mr. D. Roemers en mr. S.F.M. Wortmann (hierna: de staatsraden), voorzitter, onderscheidenlijk leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van die zaak.

De staatsraden hebben niet in de wraking berust.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 28 oktober 2010 ter zitting aan de orde gesteld. De stichting is niet ter zitting verschenen. De staatsraden hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Bij mondelinge beslissing van 28 oktober 2010 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Awb afgewezen.

Daartoe heeft zij als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing indien bij de Afdeling hoger beroep wordt ingesteld.

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Wrakingsregeling Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Wrakingsregeling) worden, indien het wrakingsverzoek wordt gedaan nadat partijen in de bodemprocedure zijn uitgenodigd om op een zitting van de Afdeling te verschijnen, maar voordat het onderzoek ter zitting in die zaak is aangevangen, de verzoeker en het lid om wiens wraking is verzocht in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op de datum en het tijdstip van die zitting, tenzij aan hen mededeling wordt gedaan dat zij op een andere datum en tijdstip voorafgaand aan die zitting in de gelegenheid worden gesteld.

Het verzoek is op 28 oktober 2010 om 02.21 uur bij de Raad van State ingekomen. Vervolgens is de stichting in de gelegenheid gesteld overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de Wrakingsregeling ter zitting van 12.15 uur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Het verzoek om wraking berust, samengevat weergegeven, op het betoog dat de staatsraden de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt omdat zij de zitting niet hebben willen uitstellen, geweigerd hebben gevraagde stukken toe te sturen, niet toestaan dat ter zitting opnamen worden gemaakt en de stichting, haar gemachtigde en de bewoners hebben vernederd, hetgeen in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De afwijzing van het verzoek om (video)opnamen te maken en de afwijzing van het verzoek om uitstel van de zitting zijn processuele beslissingen die als zodanig in het kader van de wrakingsprocedure niet ter beoordeling staan. Niet is gebleken dat met die beslissingen op enigerlei wijze is vooruitgelopen op de beslissing in de hoofdzaak. In die processuele beslissingen wordt ook anderszins geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatsraden vooringenomen zijn jegens één van de partijen dan wel dat de vrees daarvoor gerechtvaardigd is. In hetgeen voor het overige is aangevoerd wordt evenmin grond gevonden voor dit oordeel.

Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Offers

voorzitter

w.g. Van der Smissen

ambtenaar van staat

419.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser