Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
201008674/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2004 in zaak nr. 200402600/1 (JV 2004/351) volgt dat de rechtbank terecht van oordeel is geweest dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling moet worden betrokken of een eventuele aan die inbewaringstelling voorafgaande vrijheidsontneming zonder wettelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Dat in dit geval niet is gebleken dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van de strafvorderlijke bevoegdheden jegens de vreemdeling heeft vastgesteld, doet daaraan, anders dan de minister betoogt, op zichzelf niet af. Het onderzoek naar de rechtmatigheid van een eventuele vrijheidsontneming tussen de strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke detentie behelst immers niet de beoordeling van de rechtmatigheid van de strafrechtelijke detentie.

Daargelaten dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet blijkt dat de rechtbank de minister schriftelijk om inlichtingen of stukken heeft verzocht, blijkt daaruit evenmin dat zij hem op artikel 8:31 van de Awb heeft gewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2010 in zaak nr. 201002171/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat het de rechtbank derhalve niet was toegestaan om aan het feit dat de minister de door haar verlangde inlichtingen niet heeft verschaft, op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekking te verbinden dat de vreemdeling direct voorafgaand aan de overbrenging zonder titel zijn vrijheid is ontnomen.

Aan de bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf en niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, een vaste woon- en verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. De eerstgenoemde grond heeft de minister ter zitting laten vallen, omdat de vreemdeling is vrijgesproken. De overige bewaringsgronden zijn, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, op zichzelf onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van de minister te doen uitvallen. Hoewel de minister ter zitting van de rechtbank heeft betoogd dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting en dat onduidelijk is waar diens paspoort is, is de rechtbank voorts terecht tot het oordeel gekomen dat de minister geen belangen heeft gesteld op grond waarvan de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling verschillende verklaringen over de verblijfplaats van zijn paspoort heeft afgelegd. Tijdens het gehoor op 16 augustus 2010 heeft hij verklaard dat zijn Nigeriaanse paspoort bij zijn strafrechtelijke aanhouding in zijn bagage zat. Tijdens het vertrekgesprek op 23 augustus 2010 heeft hij verklaard dat zijn paspoort bij een kennis is die momenteel in Nigeria verblijft, en dat hij daarom op dit moment niet over zijn paspoort kan beschikken. Nu de vreemdeling evenwel een – naar niet is betwist, geldige en op zijn naam gestelde – Spaanse verblijfsvergunning heeft overgelegd, kan op grond van zijn verklaringen over zijn paspoort, voor zover deze al als tegenstrijdig moeten worden beschouwd, niet zonder meer worden geconcludeerd dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting. Dit geldt te minder nu hij tijdens het vertrekgesprek heeft verklaard zich zo snel mogelijk bij zijn gezin in Spanje te willen voegen, dat aldaar, naar evenmin is betwist, rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank heeft de belangenafweging derhalve terecht in het voordeel van de vreemdeling laten uitvallen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:28
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008674/1/V3.

Datum uitspraak: 1 november 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 augustus 2010 in zaak nr. 10/29025 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 september 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), overwogen dat de minister gehouden is om haar in het kader van de beoordeling van het beroep als bedoeld in artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), inlichtingen te verstrekken over de voortgang van de voorbereiding van de verwijdering van de vreemdeling. Onduidelijk is wat er voorafgaand aan de vreemdelingenrechtelijke overbrenging van de vreemdeling heeft plaatsgevonden. Zo is onduidelijk wanneer de vreemdeling strafrechtelijk in vrijheid is gesteld. Deze informatie is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring van belang nu een aan de overbrenging voorafgaande detentie zonder titel een schending in het voortraject zou opleveren. De minister heeft desgevraagd geen nadere duidelijkheid verschaft en heeft derhalve niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Op grond van artikel 8:31 van de Awb heeft de rechtbank hieraan het gevolg verbonden dat het ervoor gehouden moet worden dat de vreemdeling direct voorafgaand aan de overbrenging zonder titel zijn vrijheid is ontnomen.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet is betwist dat de minister zijn inspanningsverplichting om uitzettingshandelingen te verrichten tijdens de strafdetentie van de vreemdeling heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie maakt een schending in het voortraject de bewaring eerst dan onrechtmatig indien de daarmee gediende belangen niet in verhouding staan tot de ernst van de geconstateerde gebreken en de daardoor geschonden belangen. De minister heeft geen specifieke belangen gesteld op grond waarvan de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. De aan de bewaring ten grondslag gelegde gronden geven hier, gelet op de geconstateerde gebreken, evenmin blijk van, aldus de rechtbank.

2.2. In de enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, zijn oordeel omtrent de proportionaliteit van de maatregel niet terughoudend heeft getoetst en haar eigen oordeel in de plaats van dat van de minister heeft gesteld. Er is gesteld noch gebleken dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van strafvorderlijke bevoegdheden jegens de vreemdeling heeft vastgesteld. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de minister zijn verplichting tot het verstrekken van informatie heeft verzaakt. Voor zover de rechtbank nadere informatie over de aan de inbewaringstelling voorafgaande strafvorderlijke vrijheidsontneming noodzakelijk achtte, had het op haar weg gelegen de minister in staat te stellen deze informatie te verstrekken. Nu de minister evenwel terecht betwist dat de gevraagde inlichtingen op voorhand van belang dienden te worden geacht voor de rechtmatigheid van de maatregel, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij in strijd met zijn verplichting op grond van artikel 8:28 van de Awb heeft gehandeld. Nu de rechtbank de minister voorts niet op artikel 8:31 van de Awb heeft gewezen, kon zij op grond van deze bepaling niet tot het oordeel komen dat de vreemdeling direct voorafgaand aan zijn inbewaringstelling zonder titel gedetineerd is geweest. Dit oordeel kon evenmin worden betrokken bij de door de rechtbank gemaakte belangenafweging, aldus de minister.

Ten slotte klaagt de minister dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij wel degelijk belangen heeft gesteld op grond waarvan de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. In het kader van het door de vreemdeling gedane verzoek om toepassing van een lichter middel, heeft hij gewezen op de tegenstrijdige verklaring van de vreemdeling over zijn paspoort, waaruit hij heeft geconcludeerd dat de vreemdeling niet volledig en actief meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, aldus de minister.

2.2.1. Voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft de vreemdeling in strafrechtelijke detentie verbleven, omdat hij werd verdacht van het plegen van een misdrijf. Tijdens deze detentie is hem meegedeeld dat hij na afloop daarvan op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 zou worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. De vreemdeling is op vrijdag 13 augustus 2010 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem vrijgesproken. Hij is op maandag 16 augustus 2010 door de officier van Justitie in vrijheid gesteld, om 17.00 uur overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en vervolgens in vreemdelingenbewaring gesteld.

2.2.2. Voor zover de minister klaagt dat de rechtbank zich bij de toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel onvoldoende terughoudend heeft opgesteld en haar eigen oordeel in de plaats van dat van de minister heeft gesteld, is deze klacht ten onrechte voorgedragen. De rechtbank heeft niets overwogen over het proportionaliteitsbeginsel. Dat zij na het constateren van een gebrek in het voortraject een belangenafweging heeft gemaakt, betekent op zichzelf niet dat zij haar eigen oordeel in de plaats van dat van de minister heeft gesteld.

2.2.3. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2004 in zaak nr. 200402600/1 (JV 2004/351) volgt dat de rechtbank terecht van oordeel is geweest dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling moet worden betrokken of een eventuele aan die inbewaringstelling voorafgaande vrijheidsontneming zonder wettelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Dat in dit geval niet is gebleken dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van de strafvorderlijke bevoegdheden jegens de vreemdeling heeft vastgesteld, doet daaraan, anders dan de minister betoogt, op zichzelf niet af. Het onderzoek naar de rechtmatigheid van een eventuele vrijheidsontneming tussen de strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke detentie behelst immers niet de beoordeling van de rechtmatigheid van de strafrechtelijke detentie. Gelet op overweging 2.2.5., betwist de minister evenwel terecht dat hij de door de rechtbank gevraagde inlichtingen in dit geval op voorhand van belang diende te achten voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel.

2.2.4. Ingevolge artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: het WvSv) geschiedt de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door het openbaar ministerie dan wel op voordracht van deze door Onze Minister.

Ingevolge artikel 570, eerste lid, aanhef en onder e, van het WvSv geschiedt de invrijheidstelling door het hoofd van het gesticht zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van het gesticht verstrekt.

2.2.5. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken bevindt zich een brief van 16 augustus 2010, die de hulpofficier van Justitie die de vreemdeling in bewaring heeft gesteld, aan de piketcentrale heeft gezonden. Daarin is vermeld dat de vreemdeling die dag in directe vrijheid is gekomen en dat hij in aansluiting op zijn strafdetentie in vreemdelingenbewaring is gesteld. In de Rapportage Vreemdelingenbewaring (Model M119) is vermeld dat de vreemdeling op 16 augustus 2010 door de officier van Justitie in vrijheid is gesteld. Hoewel uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de vreemdeling op 13 augustus 2010 is vrijgesproken, blijkt uit de voormelde twee documenten, in samenhang bezien met de voormelde artikelen uit het WvSv, genoegzaam dat de daadwerkelijke invrijheidstelling heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2010 en dat het strafrechtelijke traject eerst op die datum is geëindigd. De minister hoefde er derhalve niet op voorhand van uit te gaan dat de rechtbank over de periode vóór 16 augustus 2010 nadere gegevens zou verlangen. Of de periode tussen de vrijspraak en de daadwerkelijke invrijheidstelling te lang is geweest, staat niet ter beoordeling van de vreemdelingenrechter. De klacht van de minister is in zoverre terecht voorgedragen.

2.2.6. Ingevolge artikel 8:28 van de Awb zijn partijen aan wie door de rechtbank is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, verplicht de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8:31.

Ingevolge artikel 8:31 kan de rechtbank, indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

2.2.7. Daargelaten dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet blijkt dat de rechtbank de minister schriftelijk om inlichtingen of stukken heeft verzocht, blijkt daaruit evenmin dat zij hem op artikel 8:31 van de Awb heeft gewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2010 in zaak nr. 201002171/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat het de rechtbank derhalve niet was toegestaan om aan het feit dat de minister de door haar verlangde inlichtingen niet heeft verschaft, op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekking te verbinden dat de vreemdeling direct voorafgaand aan de overbrenging zonder titel zijn vrijheid is ontnomen. De klacht van de minister is in zoverre eveneens terecht voorgedragen.

De grief kan, gelet op overweging 2.2.8., echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.2.8. Niet in geschil is dat de minister heeft gehandeld in strijd met zijn inspanningsverplichting als omschreven in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat de rechtbank, nadat zij dit gebrek had vastgesteld, terecht een belangenafweging heeft gemaakt.

Aan de bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf en niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, een vaste woon- en verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. De eerstgenoemde grond heeft de minister ter zitting laten vallen, omdat de vreemdeling is vrijgesproken. De overige bewaringsgronden zijn, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, op zichzelf onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van de minister te doen uitvallen.

Hoewel de minister ter zitting van de rechtbank heeft betoogd dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting en dat onduidelijk is waar diens paspoort is, is de rechtbank voorts terecht tot het oordeel gekomen dat de minister geen belangen heeft gesteld op grond waarvan de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen.

Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling verschillende verklaringen over de verblijfplaats van zijn paspoort heeft afgelegd. Tijdens het gehoor op 16 augustus 2010 heeft hij verklaard dat zijn Nigeriaanse paspoort bij zijn strafrechtelijke aanhouding in zijn bagage zat. Tijdens het vertrekgesprek op 23 augustus 2010 heeft hij verklaard dat zijn paspoort bij een kennis is die momenteel in Nigeria verblijft, en dat hij daarom op dit moment niet over zijn paspoort kan beschikken. Nu de vreemdeling evenwel een – naar niet is betwist, geldige en op zijn naam gestelde – Spaanse verblijfsvergunning heeft overgelegd, kan op grond van zijn verklaringen over zijn paspoort, voor zover deze al als tegenstrijdig moeten worden beschouwd, niet zonder meer worden geconcludeerd dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting. Dit geldt te minder nu hij tijdens het vertrekgesprek heeft verklaard zich zo snel mogelijk bij zijn gezin in Spanje te willen voegen, dat aldaar, naar evenmin is betwist, rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank heeft de belangenafweging derhalve terecht in het voordeel van de vreemdeling laten uitvallen.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. De minister voor Immigratie en Asiel dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Laar, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Laar

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2010

551.

Verzonden: 1 november 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser