Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201002883/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, in zaak nr. 200902288/1, heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002883/1/H1.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekers], (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2009, in zaak nr. 200902288/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, in zaak nr. 200902288/1, heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak is aangehecht.

Bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2010, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Het college van burgemeester en wethouders van Raalte heeft een schriftelijke reactie gegeven.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 oktober 2010, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door B. Bolink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat op het perceel, anders dan in de uitspraak van 7 oktober 2009 is overwogen, het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Heino" (hierna: het bestemmingsplan) van toepassing is. [verzoeker] betoogt dat de Afdeling, indien zij met dit bestemmingsplan bekend was geweest, tot een andere uitspraak zou zijn gekomen, nu dit bestemmingsplan de mogelijkheid biedt vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het perceel voor permanente bewoning. Voorts is volgens [verzoeker] vast komen te staan dat het door het college gehanteerde handhavingsbeleid niet op het perceel van toepassing is geweest.

2.2.1. Herziening van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak betreft een buitengewoon rechtsmiddel, dat er in beginsel toe strekt een uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. In het beoordelingskader van artikel 8:88 van de Awb kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard een rol spelen.

2.2.2. Hetgeen [verzoeker] in zijn verzoek over het bestemmingsplan en het handhavingsbeleid naar voren heeft gebracht, zijn geen feiten of omstandigheden die hem niet reeds voor de uitspraak waarvan herziening is gevraagd bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Het rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Gelet hierop wordt aan de vraag of, indien hetgeen [verzoeker] met betrekking tot het bestemmingsplan en het handhavingsbeleid naar voren heeft gebracht bij de Afdeling eerder bekend was geweest, dit tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden, niet toegekomen.

Voor zover [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat ter zitting van de Afdeling van 9 september 2009 is meegedeeld dat de behandeling zou worden aangehouden, wat daar verder ook van zij, is dit evenmin een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

2.3. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

374-627.