Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201003408/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college aan [wederpartij] vrijstelling en reguliere bouwvergunning geweigerd voor het bouwen van een berging op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003408/1/H1.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 februari 2010 in zaak nr. 09/3628 in het geding tussen:

[wederpartijen] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]) wonende te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college aan [wederpartij] vrijstelling en reguliere bouwvergunning geweigerd voor het bouwen van een berging op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 juni 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2010, verzonden op 24 februari 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2009 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na de verzending van die uitspraak, met inachtneming daarvan, een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 1 december 2008 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 6 juli 2010, bij de Raad van State ingekomen op die dag, heeft [wederpartij] tegen dat besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juli 2010.

Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel bevindt zich een pand bestaande uit een woning en een schoonheidssalon. Het bouwplan heeft betrekking op de bouw van een berging die in verbinding staat met dat pand.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum Assendelft" rusten op het perceel de bestemmingen "Tuinen (T)" en "Erven (E)";

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als "Tuinen" aangewezen gronden bestemd voor tuinen.

Ingevolge het tweede lid mag op de aldus aangewezen gronden niet worden gebouwd, met dien verstande dat een erker is toegestaan aan de voorgevel van een bijbehorend hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, zijn de als "Erven" aangewezen gronden bestemd voor erven, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mogen op deze gronden ten behoeve van deze bestemming uitsluitend aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder f, geldt voor het bouwen als bedoeld in lid 2 dat de achterzijde van de aan- en/of uitbouw niet meer dan 3 m achter de bestaande achtergevel van het bijbehorende hoofdgebouw mag liggen.

Het bouwplan is deels voorzien op gronden met de bestemming "Tuinen (T)" en op meer dan 3 m achter de bestaande achtergevel van het bijbehorende hoofdgebouw. Het bouwplan is daarom in strijd met artikel 6, tweede lid en artikel 7, derde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat [wederpartij] een beroep op het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht heeft gedaan en dat het college in het besluit op bezwaar van 11 juni 2009 ten onrechte niet op die bezwaargrond is ingegaan.

Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] in bezwaar niet heeft aangevoerd dat het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht op het bouwplan van toepassing is.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Het college had uit het bezwaarschrift van [wederpartij] niet behoeven af te leiden dat hij daarin een beroep heeft gedaan op het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht. Het college hoefde daarom ten aanzien van het bouwplan in het besluit op bezwaar van 11 juni 2009 niet op het overgangsrecht in te gaan. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de door [wederpartij] bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

2.5. [wederpartij] heeft betoogd dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Hij voert daartoe aan dat het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht van toepassing is op het bouwplan, nu het bouwplan dient ter vervanging van een aanbouw die is teniet gegaan door een calamiteit als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

2.5.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan afwijkt van het plan en dat is, wordt of kan worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot, geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is tenietgegaan, mits de bouwvergunning is aangevraagd binnen 2 jaar nadat het bouwwerk is teniet gegaan.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juni 2003 in zaak nr. 200206598/1) moet onder een calamiteit worden verstaan een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de betrokkene veroorzaakt onheil. Naar [wederpartij] ter zitting te kennen heeft gegeven dient de in het bouwplan voorziene berging ter vervanging van een aanbouw die bij restauratiewerkzaamheden aan het hoofdgebouw is verzakt en vervolgens op advies van een aannemer is afgebroken. In deze omstandigheid kan evenwel geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de oorspronkelijke aanbouw is verwoest door een onvermijdelijk onheil in de hiervoor bedoelde zin. Gelet daarop dient het bouwplan niet ter vernieuwing van een bouwwerk dat door een calamiteit is tenietgegaan als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Het betoog van [wederpartij] dat op het bouwplan het in het bestemmingsplan neergelegde bouwovergangsrecht van toepassing is, faalt reeds daarom, nog daargelaten of de oorspronkelijke aanbouw op het peilmoment nog aanwezig was en of het bouwplan kan worden aangemerkt als een vernieuwing als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. De conclusie is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, nu het bouwplan in strijd is met de beleidsregels die zijn neergelegd in de bij besluit van 18 september 2007 vastgestelde nota "Nota erfbebouwing Zaanstad 2007" (hierna: de nota).

2.7. [wederpartij] heeft betoogd dat het college het bouwplan ten onrechte heeft getoetst aan voornoemde beleidregels, aangezien die beleidsregels op 30 november 2005 tijdens het indienen van de aanvraag om bouwvergunning nog niet bestonden.

2.7.1. Dit betoog faalt. Het college heeft het bouwplan terecht getoetst aan het beleid dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Het college heeft het bouwplan mitsdien terecht getoetst aan de beleidregels die zijn neergelegd in de op 4 oktober 2007 in werking getreden nota.

In deze nota is, voor zover thans van belang, aangegeven dat achter de achtergevel van de zich op een perceel bevindende hoofdbebouwing slechts mag worden gebouwd tot een diepte van ten hoogste 3 m. Aangezien het bouwplan is gesitueerd achter de achtergevel van de zich op het perceel bevindende hoofdbebouwing en, naar niet in geschil is, een diepte heeft van meer dan 3 m, is het bouwplan in strijd met voornoemde beleidsregels. Het college heeft daarom de gevraagde vrijstelling in redelijkheid kunnen weigeren. Gelet hierop kan hetgeen bij de rechtbank is aangevoerd met betrekking tot de belangenafweging en de noodzakelijke parkeerplaatsen buiten bespreking blijven.

2.8. De rechtbank heeft de beroepsgrond, dat voor het realiseren van het bouwplan geen bouwvergunning is vereist, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Nu tegen het hierover gegeven oordeel in hoger beroep niet is opgekomen en dat oordeel niet onverbrekelijk samenhangt met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 11 juni 2009 alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan dat besluit, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 februari 2010 in zaak nr. 09/3628;

III. verklaart het door [wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van 3 juni 2010, kenmerk AWB/2009/0061 VOVO Z/2010/100554.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

357-543.