Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201001167/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BL1935, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij zeven onderscheiden besluiten van 15 april 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van in totaal 37 woningen met bijbehorende infrastructuur en openbare ruimte aan de Dakotastraat te Groesbeek. Het project is plaatselijk bekend onder de naam "Parachutistenstraat-West, fase II".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001167/1/H1.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2010 in zaak nr. 09/831 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek.

1. Procesverloop

Bij zeven onderscheiden besluiten van 15 april 2008 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van in totaal 37 woningen met bijbehorende infrastructuur en openbare ruimte aan de Dakotastraat te Groesbeek. Het project is plaatselijk bekend onder de naam "Parachutistenstraat-West, fase II".

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het college het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 15 april 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 januari 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. C. Slotboom, werkzaam bij de gemeente, en R.J.M.B. Derks, werkzaam bij G&O Consult te Sint Anthonis, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghoudsters], vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] exploiteert een varkensbedrijf op het perceel [locatie] te [plats]. Het bouwplan, dat voorziet in de bouw van 37 woningen in de nabijheid van dit bedrijf, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied (herziening 2005)". Om verwezenlijking van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en het derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied, aldus de bepaling.

2.3. De raad van de gemeente Groesbeek heeft op 29 oktober 2009 de Geurgebiedsvisie gemeente Groesbeek vastgesteld. Tegelijkertijd heeft de raad op grond van de Geurgebiedsvisie en krachtens artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) de Verordening geurhinder en veehouderij 2009 (hierna: de Geurverordening) vastgesteld. De rechtbank heeft mede op grond van deze stukken het besluit op bezwaar alsnog voldoende gemotiveerd geacht en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat de op 29 oktober 2009 vastgestelde Geurgebiedsvisie en Geurverordening daarvoor onvoldoende grond bieden.

2.4.1. Voor zover [appellant] met de stelling dat de nieuwe Geurverordening bij de rechtbank nauwelijks onderdeel van discussie is geweest, beoogt te betogen dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten ter zake kenbaar te maken, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit de stukken komt naar voren dat op 30 juli 2009 een inspraakavond is gehouden over bedoelde Geurgebiedsvisie en Geurverordening, waar [appellant] aanwezig is geweest. Het college heeft bij brief van 2 november 2009 de desbetreffende stukken aan de rechtbank overgelegd. Bij brief van 6 november 2009 heeft [appellant] de door hem bij brieven van 24 en 28 augustus 2009 bij het college ingediende inspraakreacties aan de rechtbank overgelegd. Op de zitting bij de rechtbank op 20 november 2009 konden de standpunten ter zake van de Geurgebiedsvisie en Geurverordening naar voren worden gebracht. Gelet hierop heeft [appellant] zich in voldoende mate kunnen uitlaten over deze stukken.

2.4.2. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen kan grond bestaan indien het college alsnog inzichtelijk maakt dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn gegarandeerd. In de uitspraak van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200900801/1/R3 heeft de Afdeling op de daar weergegeven gronden overwogen dat, indien de voor veehouderijen toepasselijke norm wordt overschreden, hieruit niet volgt dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee de zogenoemde omgekeerde werking van de ter plaatse toepasselijke geurnormen verlaten. In de uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200807852/1/R2, heeft de Afdeling ten aanzien van de toepassing van de Wgv geoordeeld dat ook indien de voor veehouderijen toepasselijke norm niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Daargelaten het antwoord op de vraag of de wettelijke norm zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wgv of de norm, zoals opgenomen in een verordening van toepassing is, dient het college derhalve inzichtelijk te maken in hoeverre ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

De Raad heeft in de Geurgebiedsvisie een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid neergelegd, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. In de Geurverordening heeft de Raad voor het grondgebied waarbinnen de woningen zijn voorzien, een geurnorm vastgesteld van 5 odour units per kubieke meter lucht. De woningen worden gerealiseerd binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 van de Wgv.

Het college heeft de door het bedrijf van [appellant] veroorzaakte geurbelasting aangemerkt als de voor het gebied meest geurveroorzakende. De geurbelasting van het bedrijf is bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse beschouwd als zogenoemde voorgrondbelasting. Een bepaalde geurbelasting wordt, bij gelijke belastingen, als voorgrondbelasting als hinderlijker ervaren dan als achtergrondbelasting. Volgens het college leidt de feitelijke geurbelasting, die ongeveer 4,3 odour units per kubieke meter lucht bedraagt, tot niet meer dan 19 procent geurgehinderden. Bij die berekening heeft het college de bijlagen 6 en 7 van de Handreiking van de Wgv gehanteerd. In hetgeen [appellant] ter zake heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet ervan heeft mogen uitgaan dat het college deze bijlagen heeft mogen gebruiken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit percentage gehinderden acceptabel is, mede omdat de voorziene woningen komen te liggen in een overgangsgebied tussen buitengebied en bebouwd gebied. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college, gegeven de aan hem toekomende beoordelingsruimte, hiermee niet voldoende heeft gemotiveerd dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden gerealiseerd. Niet in geschil is dat de voorziene woningen de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant] niet beperken. Binnen de geurcontour van 5 odour per kubieke meter lucht van zijn bedrijf zijn reeds geurgevoelige objecten aanwezig die dichterbij zijn gelegen dan de voorziene woningen. Geen aanleiding bestaat voorts voor het oordeel dat het college alvorens vrijstelling te verlenen in dit verband had moeten nagaan of het treffen van bronmaatregelen bij het bedrijf had kunnen leiden tot een beperking van de geuremissie.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning alsnog voldoende heeft gemotiveerd en aanleiding kunnen zien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 januari 2009 in stand blijven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

163-604.