Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201004981/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Wijzigingsplan ex artikel 3.6 Wro, Madeweg te Ruinerwold" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004981/1/R1.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van De Wolden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Wijzigingsplan ex artikel 3.6 Wro, Madeweg te Ruinerwold" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2010, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door drs. M. van der Veen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door H.W. Ebbers, werkzaam bij Rentmeesterkantoor Noordanus & Partners, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 4, onder I, sub 9, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden" (hierna: het bestemmingsplan) en voorziet in een bouwvlak op het perceel aan de Madeweg, kadastraal bekend [locatie], sectie […], nr. […], met de bestemming "Agrarisch gebied". Op het perceel zal een nieuw agrarisch melkrundveebedrijf gerealiseerd worden dat in eigendom is van [belanghebbende].

2.2. [belanghebbende] heeft ter zitting betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat [appellant] geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. In dit verband heeft [belanghebbende] erop gewezen dat de woning van [appellant] op een afstand van ongeveer 690 meter van het plangebied ligt en het zicht vanaf het perceel van [appellant] afgeschermd wordt door een schuur en begroeiing.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, van de Wro.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. Ter zitting is gebleken dat [appellant] op ongeveer 600 meter afstand van het plangebied woont en hij zicht heeft op de gronden waar het plangebied op ziet. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van het ter plaatse te bouwen melkrundveebedrijf, alsmede het open karakter van het gebied, is de Afdeling van oordeel dat het belang van [appellant] rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zodat hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.3. Het beroep van [appellant] is gericht tegen de vaststelling van het wijzigingsplan. Hij betoogt ten eerste dat het wijzigingsplan niet past binnen de karakteristieke verkavelingstructuur van het gebied.

2.3.1. Het college stelt dat uit het door Noordanus & Van Driesten Rentmeesters, thans: Rentmeesterkantoor Noordanus & Partners, opgestelde "Inrichtingsplan nieuwvestiging melkveehouderij Madeweg te [plaats]" van oktober 2009 (hierna: het Inrichtingsplan) volgt dat het wijzigingsplan geen afbreuk doet aan de verkavelingstructuur van het gebied.

2.3.2. Uit het vaststellingsbesluit volgt dat op het wijzigingsplan de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan van toepassing zijn.

Aan het perceel is in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend zonder de aanduiding "bouwperceel".

Ingevolge artikel 4, onder A, sub 1, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan zijn gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 4, onder I, aanhef en sub 9, van de voorschriften behorende bij bestemmingsplan kan het college, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, het plan wijzigen in die zin dat op de kaart een nieuw bouwperceel wordt aangegeven, mits (..) met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in de Landinrichtingswet, alsmede onder artikel 4, onder B, sub 1.4 en artikel 40.

Ingevolge artikel 4, onder B, sub 1.4, wordt, voor zover hier van belang, wijziging ten behoeve van nieuwe agrarische bouwpercelen alleen toegepast voor volwaardige, in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijven.

(..)

Bij nieuwe bouwpercelen zal in het bijzonder moeten worden gelet op de landschappelijke waarden, met name op de verkavelingsrichting.

2.3.3. Uit het Inrichtingsplan volgt dat het perceel is gelegen in het veenontginningslandschap op hogere zandgronden. Dit landschap wordt gekarakteriseerd door langgerekte smalle kavels die haaks vanuit de bewoningsas zijn ontstaan bij de ontginning van het gebied. Dit is een open landschap met over het algemeen weinig opgaande beplanting. Met de ruilverkaveling zijn ook verspreid liggende boerderijen aan het landschap toegevoegd. Deze zijn als groene eilanden in het landschap terug te zien. Het bedrijf van [belanghebbende] zal door het toepassen van inheemse beplanting ook als een eiland in het gebied komen te liggen. Met deze beplanting wordt voor een verankering in het landschap gezorgd en voegt het nieuwe bedrijf zich haast als vanzelfsprekend tussen de bestaande, verspreid liggende, bebouwing, aldus het Inrichtingsplan.

Gelet op het voorgaande en op de ter zitting door het college gegeven toelichting, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan geen afbreuk doet aan de verkavelingstructuur van het gebied. Het betoog van [appellant] faalt derhalve.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat er sprake is van intensieve veehouderij in plaats van een grondgebonden melkveehouderij, omdat maar ongeveer 28% van de voerbehoefte gedekt wordt door de productie van het eigen land.

2.4.1. Gelet op de onder 2.3.2. aangehaalde wijzigingsvoorwaarde van artikel 4, onder B, sub 1.4 mag een wijziging van het bestemmingsplan alleen wordt toegepast voor volwaardige, in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijven. Vast staat dat het wijzigingsplan uitsluitend een volwaardig, in hoofdzaak grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk maakt. Het wijzigingsplan is in overeenstemming met de wijzigingsvoorwaarde op dit punt uit het bestemmingsplan. Gezien de definitie van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering van artikel 1, onder 21, van het wijzigingsplan is ter plaatse geen intensieve veehouderij toegestaan. Voor zover [appellant] vreest dat ter plaatse een intensieve veehouderij zal worden gevestigd, overweegt de Afdeling dat vestiging van een dergelijk agrarisch bedrijf in strijd zou zijn met de planregels en dat [appellant] in dat geval een verzoek om handhavend op te treden zou kunnen indienen. In deze procedure kunnen argumenten met betrekking tot handhaving echter niet aan de orde komen.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat er twee alternatieve locaties zijn aan de Madedwarsweg die uit agrarisch logistiek oogpunt beter zouden passen. De eerste locatie aan de Madedwarsweg ligt aan een rustige niet-doorgaande landbouwweg. De voorziene bedrijfsbebouwing komt hierbij centraal in de kavel te liggen. De tweede locatie op de hoek van de Madeweg en de Madedwarsweg sluit aan bij vijf bestaande bedrijven die aan de Ruinerwoldseweg liggen. De al bestaande nutsvoorzieningen hoeven hierbij maar over een geringe afstand te worden doorgetrokken. [appellant] voert aan dat het argument van het college dat juist voor de huidige locatie is gekozen omdat deze op halve lengte van de kavel ligt onjuist is, omdat de locatie in tegenstelling tot de twee door hem voorgestelde alternatieve locaties aan de rand van de kavel ligt. Het argument van het college dat beweiding op de alternatieve locaties lastig is vanwege de te grote afstand die het vee moet afleggen doet niet ter zake, omdat het vee dat op het bedrijf zal worden gehouden nooit het land zal beweiden, aldus [appellant]. Hiertoe voert hij aan dat voor het beweiden van het vee minstens een drievoudig aantal hectares aanwezig moet zijn, het bedrijf gebruik maakt van robotmelken en het vee om die reden in de buurt van de melkapparatuur dient te blijven en beweiding in laagveengebied de grasmat te veel beschadigt.

2.5.1. Het college stelt dat het de twee alternatieve locaties in de besluitvorming heeft betrokken, maar dat het bewust heeft gekozen voor de huidige locatie.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat het college bij de keuze om het bestemmingsplan te wijzigen een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het wijzigingsplan. Daarbij heeft het college beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Uit het bestreden besluit en het verweerschrift volgt dat het college de door [appellant] naar voren gebrachte locaties heeft bezien, doch deze niet geschikt heeft bevonden. Het college heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet dat het bedrijf van [belanghebbende] op die locaties niet passend wordt geacht. Hierbij heeft het college kunnen betrekken dat ingevolge het advies van het waterschap Reest en Wieden het bedrijf van [belanghebbende] niet aan de Madedwarsweg gesitueerd dient te worden omdat het gebied waarin de twee door [appellant] naar voren gebrachte alternatieve locaties liggen bekend staat om zijn wateroverlast en in de toekomst kan worden aangewezen als bergingsgebied, de twee alternatieve locaties op kleinere afstand tot het Natura 2000-gebied Havelte-Oost liggen dan de in het geding zijnde locatie en het melkvee een te grote afstand moet afleggen om gemolken te worden. Voorts heeft het college van belang kunnen achten dat de Madedwarsweg geen doorgaande verharde weg betreft en niet bestand is tegen het zware verkeer dat het bedrijf met zich brengt. De ligging van de locatie aan de rand van de kavel, wat daar ook van zij, maakt het voorgaande niet anders.

Gelet op hetgeen onder 2.4.1. is overwogen, faalt het betoog van [appellant] dat het vee dat op het bedrijf zal worden gehouden nooit het land zal beweiden. Het wijzigingsplan maakt ter plaatse uitsluitend, in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering mogelijk, wat inhoudt dat de bij het bedrijf behorende gronden moeten worden gebruikt voor het functioneren van het bedrijf.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

466-634.