Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3496

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201001156/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Delfluent Services B.V. (hierna: Delfluent) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001156/1/M1.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Delfluent Services B.V. (hierna: Delfluent) afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2010, waar [appellant] en anderen, in persoon en bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Stegers, mr. M.C.G. van Tilburg, M. van Binsbergen, A. Schoumans, K. van Leeuwen en W. Landlust, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Delfluent, vertegenwoordigd door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te Den Bosch, en drs. F.J.H. Vossen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Voor de inrichting is bij besluit van 15 augustus 2000 een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer verleend voor de oprichting van de afvalwaterzuiveringsinstallatie Harnaschpolder te Den Hoorn.

Bij verzoek van 21 april 2009 hebben [appellant] en anderen het college om handhaving verzocht wegens overtreding van de aan de vergunning verbonden voorschriften 8.C.2.2.1 en 8.C.2.2.2.

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden in verband met de overtreding van voorschrift 8.C.2.2.2. Volgens [appellant] en anderen kan niet aan de in dit voorschrift gestelde geurimmissienorm worden voldaan. Daartoe voeren zij aan dat in de boekhouding gegevens ontbreken over de niet vergunde emissies en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de verhoogde emissie van de schoorsteen en de lange verblijfstijd van het afvalwater in de persleidingen. Verder is volgens [appellant] en anderen de geuremissie vanwege de nabezinktanks niet correct vastgesteld, omdat de meetmethodes die zijn gehanteerd in de bij het bestreden besluit behorende geuronderzoeken van PRA Odournet B.V. (hierna: Odournet) van april 2007 en juli 2009 niet toereikend zouden zijn. Voorts betogen [appellant] en anderen dat de geurimmissienorm is overschreden als gevolg van een calamiteit, te weten een lekkende afsluiter.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voorschrift 8.C.2.2.2 niet is overtreden, omdat de waarde van 1 ge/m3 gedurende minder dan 176 uur per jaar, dat wil zeggen gedurende minder dan 2% van de tijd, wordt overschreden. Volgens het college blijkt uit het 'Evaluerend geuronderzoek eindsituatie RWZI Harnaschpolder, juni 2008' van Odournet dat de inrichting voldoet aan de gestelde geurimmissienorm. Het college betoogt dat de inrichting weliswaar van tijd tot tijd kortdurende geurhinder veroorzaakt als gevolg van onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden, maar dat dit niet betekent dat de geurimmissienorm wordt overschreden. Voorts betoogt het college dat uit het geuronderzoek van Odournet van 28 juli 2009 blijkt dat de geuremissie vanwege de nabezinktanks door het verwijderen van de drijvende afdekkingen niet leidt tot een overschrijding van de geurimmissienorm.

2.2.2. In voorschrift 8.C.2.2.2 is bepaald dat de geurimmissie vanwege de inrichting de waarde van 1 ge/m3, bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de referentiepunten 1 tot en met 20 niet meer dan 2% van de tijd (98 percentiel) mag overschrijden.

2.2.3. Binnen de inrichting zijn geurreducerende maatregelen getroffen, te weten het installeren van een actief koolfilter na het lavafilter en het plaatsen van vaste afdekkingen op de voorbezinktanks. Volgens het rapport 'Evaluerend geuronderzoek eindsituatie RWZI Harnaschpolder, juni 2008' van Odournet, dat na het treffen van die maatregelen is uitgevoerd, wordt de geuremissie uit de schoorsteen voor 99,3% gereduceerd en is van de voorbezinktanks in het geheel geen geuremissie meetbaar. De geurbelasting in de omgeving van de inrichting is berekend aan de hand van een verspreidingsmodel. In het rapport wordt op grond van deze geurverspreidingsberekeningen geconcludeerd dat de geurimmissienorm in voorschrift 8.C.2.2.2 niet wordt overschreden.

Nadien is blijkens het klachtoverzicht over de periode van juni 2008 tot mei 2009 het aantal geurklachten verminderd. In gevallen waarbij geurhinder werd waargenomen betrof het veelal kortstondige geurhinder veroorzaakt door onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat de geurimmissie vanwege de inrichting als gevolg van de onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden, of als gevolg van calamiteiten, de waarde van 1 ge/m3 gedurende meer dan 176 uur per jaar heeft overschreden.

2.2.4. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de emissie vanwege de nabezinktanks leidt tot een overschrijding van de geurimmissienorm, overweegt de Afdeling dat Delfluent een melding heeft gedaan teneinde de drijvende afdekkingen van de acht afgedekte nabezinktanks te verwijderen. Het college heeft de melding bij besluit van 23 april 2009 geaccepteerd, waarna de afdekkingen in juni 2009 feitelijk zijn verwijderd. Nadien is nogmaals een geuronderzoek uitgevoerd, teneinde de geuremissie vanwege de open nabezinktanks vast te stellen. In het geurrapport van Odournet van 28 juli 2009 wordt geconcludeerd dat de geuremissie vanwege de open nabezinktanks niet leidt tot een overschrijding van de geurimmissienorm.

Volgens [appellant] en anderen is dit onderzoek onzorgvuldig tot stand gekomen en zijn de uitkomsten ervan onjuist. In dit verband overweegt de Afdeling dat het onderzoek bestaat uit twee metingen, verricht op 5 juli 2009 en op 26 juli 2009. De meting op 5 juli 2009 is niet representatief geacht, vanwege de invloed van andere aanwezige geurbronnen. Van de meting die op 26 juli 2009 is verricht wordt in het deskundigenbericht dat is uitgebracht in zaak nr. 201000263/1, betreffende de acceptatie van de melding, geconcludeerd dat de meting niet representatief is, omdat een enkele meting op grond van het document 'Meten en rekenen geur' van het ministerie van VROM van december 1994 (hierna: het document 'Meten en rekenen geur') onvoldoende is. Op grond van het document 'Meten en rekenen geur' zouden ten minste drie representatieve metingen noodzakelijk zijn.

Het document 'Meten en rekenen geur' schrijft voor dat bij stabiele emissiesituaties de monstername in drievoud moet plaatsvinden en dat de minimale monsternameperiode per monster 30 minuten moet bedragen teneinde voldoende nauwkeurigheid te bereiken. Ter zitting is komen vast te staan dat de nabezinktanks een nagenoeg stabiele geurbron vormen met een constante emissie. Blijkens het geuronderzoek van 28 juli 2009 zijn bij de meting die op 26 juli 2009 is verricht drie monsters genomen, elk gedurende een periode van 30 minuten. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet de meting van 26 juli 2009 daarmee aan het document 'Meten en rekenen geur' en kan de meting als representatief worden beschouwd.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college ervan uit mocht gaan dat voorschrift 8.C.2.2.2 niet is overtreden. Het college heeft in zoverre terecht van handhavend optreden afgezien.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte van handhavend optreden heeft afgezien in verband met overtreding van voorschrift 8.C.2.2.1. Volgens [appellant] en anderen is in het geuronderzoek van Odournet van april 2007 ten onrechte geen rekening gehouden met onder meer de emissie die wordt veroorzaakt door slibtransporten, die meer dan zes keer per dag plaatsvinden.

2.3.1. Het college voert aan dat handhavend optreden wegens overtreding van voorschrift 8.C.2.2.1 onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, omdat de geurimmissienorm uit voorschrift 8.C.2.2.2 niet wordt overschreden. Volgens het college is voorschrift 8.C.2.2.1 inmiddels achterhaald, omdat er andere bronnen van geuremissie binnen de inrichting aanwezig zijn en de emissies van de schoorsteen en de voorbezinktanks na het treffen van geurreducerende maatregelen sterk zijn afgenomen. Nu de overtreding van voorschrift 8.C.2.2.1 niet leidt tot een overschrijding van de geurimmissienorm, is er volgens het college onvoldoende reden om handhavend op te treden tegen die overtreding. Daarnaast stelt het college dat reeds een traject tot verlening van een revisievergunning is opgestart, in welk kader aandacht zal worden geschonken aan de nog niet opgenomen emissiebronnen.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 8.C.2.2.1 mag de geuremissie, per afzonderlijke bron en in totaliteit, op enig moment de waarden in de in dat voorschrift opgenomen tabel C 2.2.1 niet overschrijden. Tabel C 2.2.1 bevat grenswaarden voor de geuremissie in ge/s van de schoorsteen, de lavafilters 1 tot en met 4 en de nabezinktanks.

2.3.3. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 8.C.2.2.1, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.4. In voorschrift 8.C.2.2.1 is niet alleen een grenswaarde voor de afzonderlijke emissiebronnen opgenomen, maar ook een grenswaarde voor de emissie van de gehele inrichting. Uit de stukken blijkt dat de overtreding van voorschrift 8.C.2.2.1 wordt veroorzaakt door emissies die niet afzonderlijk in het voorschrift worden genoemd. Ter zitting heeft het college verklaard dat ten tijde van het verlenen van de vergunning alleen geuremissie werd verwacht van de met name in het voorschrift genoemde bronnen, maar dat er in de praktijk meer geuremissiebronnen blijken te zijn. Voorts kennen sommige met name genoemde bronnen inmiddels een lagere emissie dan waarvan bij de vergunningverlening is uitgegaan. Zo is de geuremissie van de schoorsteen en de voorbezinktanks aanzienlijk verminderd door de getroffen geurreducerende maatregelen, bestaande uit het installeren van een actief koolfilter na het lavafilter en het plaatsen van vaste afdekkingen op de voorbezinktanks. De verdeling van de geuremissie per geurbron is daardoor anders dan bij het verlenen van de vergunning was voorzien. Daarnaast is in het voorschrift geen rekening gehouden met kortdurende geuremissie als gevolg van onder meer onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden.

In verband met het vorenstaande is het college voornemens om de tekst van voorschrift 8.C.2.2.1 in het kader van een aanvraag om revisievergunning aan te passen. Gelet op deze omstandigheden en op de omstandigheid dat de geurimmissienorm van voorschrift 8.C.2.2.2, welke bepalend is voor de geurhinder die omwonenden van de inrichting kunnen ondervinden, door een en ander niet wordt overschreden, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het college heeft bij het bestreden besluit zijn besluit tot afwijzing van het verzoek van [appellant] en anderen dan ook terecht gehandhaafd.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

195-651.