Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201003416/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2008 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf (hierna: exploitatievergunning) voor de kantine van [manege] niet in behandeling genomen. Bij datzelfde besluit heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf (hierna: DHW-vergunning) voor de kantine niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003416/1/H3.

Datum uitspraak: 10 november 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 maart 2010 in zaken nrs. 09/131, 09/132, 09/133 en 09/134 in het geding tussen:

[appellant]

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf

2. de burgemeester van Landgraaf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2008 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf (hierna: exploitatievergunning) voor de kantine van [manege] niet in behandeling genomen. Bij datzelfde besluit heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf (hierna: DHW-vergunning) voor de kantine niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 21 juli 2008 heeft de burgemeester een nieuwe aanvraag van [appellant] om verlening van een exploitatievergunning voor de kantine niet in behandeling genomen. Bij datzelfde besluit heeft het college een nieuwe aanvraag van [appellant] om verlening van een DHW-vergunning voor de kantine niet in behandeling genomen.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 december 2008 (hierna onderscheidenlijk: besluit 1 en besluit 2) hebben de burgemeester en het college de door [appellant] tegen het besluit van 11 april 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 december 2008 (hierna onderscheidenlijk: besluit 3 en besluit 4) hebben de burgemeester en het college de door [appellant] tegen het besluit van 21 juli 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen besluit 1 en besluit 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door [appellant] tegen besluit 3 en besluit 4 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2010, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. Ph.W.A.M. van Roy, advocaat te Beek (Lb.), en de burgemeester en het college, beide vertegenwoordigd door mr. A. van de Schraaff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Landgraaf (hierna: APV 2008) is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob), voor zover thans van belang, kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur inrichtingen of bedrijven aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, door het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen van het openbaar bestuur een advies kan worden uitgebracht.

Ter uitvoering van onder meer artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob is het Besluit bibob (hierna: het Besluit) vastgesteld.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit worden inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt, aangewezen als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob.

2.1.1. Op 16 augustus 2005 hebben de burgemeester en het college de Beleidsnotitie Wet BIBOB Gemeente Landgraaf augustus 2005 (hierna: de beleidsnotitie) vastgesteld. Hierin is vermeld op welke wijze het college en de burgemeester invulling geven aan de Wet bibob.

Volgens paragraaf 2.3.2.1. onderzoekt de gemeente eerst zelf of zich een situatie voordoet als genoemd in artikel 3 van de Wet bibob. Een lichte toets wordt toegepast bij activiteiten waarvoor jaarlijks veel vergunningaanvragen worden ingediend onderscheidenlijk veel vergunningen worden verleend.

Volgens paragraaf 2.3.2.4., aanhef en onder a, wordt het BIBOB instrumentarium onder meer ingezet ten behoeve van vergunningen voor de branches natte en droge horeca.

Volgens paragraaf 2.3.2.5., aanhef en onder c, wordt bij vergunningaanvragen betreffende natte en droge horeca-inrichtingen, die niet in een door de burgemeester aangewezen risicogebied liggen, in eerste instantie een lichte toets toegepast. Een diepgaande toets vindt pas plaats, indien na de reguliere toets vragen blijven bestaan over onder meer:

- de bedrijfscultuur, of de activiteiten in en/of in de directe omgeving van de onderneming;

- de financiering van het bedrijf.

2.2. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgrond gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het door hem tegen besluit 3 en besluit 4 ingestelde beroep ingetrokken.

2.3. De burgemeester en het college (hierna: verweerders) hebben, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 3 december 2008, aan besluit 1 en besluit 2 ten grondslag gelegd dat volgens de beleidsnotitie het instrumentarium van de Wet bibob van toepassing is op zowel exploitatie- als DHW-vergunningen. In dat kader worden bij de aanvraag voor deze vergunningen extra gegevens gevraagd om in eerste instantie, conform beleid, de lichte Bibob-toets toe te passen. Volgens verweerders zijn deze gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvragen. Voorts is het voor het toepassen van de Bibob-toets niet nodig dat reeds een vermoeden van strafbare feiten bestaat, voordat de extra gegevens mogen worden gevraagd, aldus verweerders. De door [appellant] verstrekte gegevens bieden volgens verweerders te weinig inzicht in de financiële situatie van zijn bedrijf. Zij hebben hun besluit om de aanvragen voor de exploitatievergunning en de DHW-vergunning met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten daarom gehandhaafd.

2.4. Ten aanzien van de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen de besluiten 1 en 2 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet van belang is of hij op verzoek van verweerders is overgegaan tot het indienen van de aanvragen. Volgens hem was het niet noodzakelijk deze vergunningen te verkrijgen, omdat hij al in het bezit was van een DHW-vergunning. Daar de exploitatievergunning en de DHW-vergunning op uitdrukkelijk verzoek van verweerders zijn aangevraagd, lag het initiatief tot het indienen van de aanvragen volgens [appellant] dan ook bij verweerders.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat nu [appellant] in aanmerking wenste te komen voor een uitgebreidere DHW-vergunning dan die waarover hij beschikte en hij niet beschikte over de vereiste exploitatievergunning, het voor de beoordeling van de vraag of verweerders de aanvragen terecht niet in behandeling hebben genomen niet van belang is of [appellant] op verzoek van verweerders is overgegaan tot het indienen van de aanvragen.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat verweerders conform het beleid in beginsel een lichte Bibob-toets dienden toe te passen. Deze toets heeft geen juridische basis, aldus [appellant]. De rechtbank heeft volgens hem dan ook ten onrechte geoordeeld dat voor verweerders aanleiding bestond om extra gegevens van hem te verzoeken. Hij stelt voorts dat hij, overeenkomstig een ter zake met verweerders gemaakte afspraak, voldoende gegevens heeft overgelegd. Overigens meent hij dat verweerders zoveel gegevens wensen dat in feite een diepgaande Bibob-toets is toegepast. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

2.5.1. Het betoog faalt. Zowel voor de exploitatievergunning, als voor de DHW-vergunning kan op basis van de beleidsnotitie een lichte Bibob-toets plaatsvinden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beleidsnotitie niet in strijd is met de wet. Voorts acht de Afdeling met de rechtbank het beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onrechtmatig. Derhalve heeft de rechtbank terecht de lichte Bibob-toets op de onderneming van [appellant] van toepassing geacht. Op grond van deze toets diende [appellant] gegevens over te leggen die inzicht geven in de financiële situatie van zijn bedrijf. Hierbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bedrijf van [appellant] bestaat uit een manege waarvoor hij een kantine exploiteert. Niet is gebleken dat de kantine losstaat van de manege, zodat moet worden uitgegaan van één bedrijf. Hoewel [appellant] in eerste instantie volgens afspraak met verweerders gegevens heeft overgelegd, hebben verweerders zich op het standpunt mogen stellen dat het overgelegde exploitatieoverzicht van de kantine onvoldoende inzicht bood in de financiële situatie van het bedrijf als geheel. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat verweerders om die reden in het kader van de lichte Bibob-toets in redelijkheid om extra gegevens omtrent de bedrijfsstructuur en de financiering van het bedrijf hebben kunnen verzoeken. Het betoog van [appellant] dat verweerders een diepgaande toets hebben toegepast treft dan ook geen doel.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat verscheidene stukken, waarin staat vermeld dat geen vermoeden bestaat dat de vergunningen gebruikt zullen worden voor illegale dan wel criminele activiteiten, niet aan de bezwaarschriftencommissie zijn doorgeleid. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat het advies van de bezwaarschriftencommissie zodoende op een onvolledig dossier is gebaseerd.

2.6.1. Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor de toepasbaarheid van de lichte Bibob-toets geen vermoeden van een strafbaar feit is vereist. Blijkens de memorie van toelichting is het doel van het instrumentarium van de Wet bibob om te onderzoeken of ernstig gevaar bestaat dat door het verlenen van vergunningen de overheid onbedoeld criminele activiteiten zou faciliteren (Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3, blz. 6). Derhalve is het niet van belang of de bezwaarschriftencommissie op de hoogte was van de voormelde brieven.

2.7. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat verweerders hebben mogen besluiten de aanvragen die hebben geleid tot de besluiten 1 en 2, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht niet in behandeling te nemen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

176-637.