Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201004615/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2007, voor zover thans van belang, heeft de raad een verzoek van [appellant] om planschadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004615/1/H2.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 maart 2010 in zaak nr. 08/4033 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Son en Breugel (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2007, voor zover thans van belang, heeft de raad een verzoek van [appellant] om planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft hij het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2010, verzonden op 31 maart 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die ten tijde van belang luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover deze ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van die bepaling dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

2.2. [appellant] is sinds 23 oktober 1970 eigenaar van de woning en het bijbehorend perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Son en Breugel, sectie […], nr. […].

Aan het verzoek om vergoeding van planschade heeft hij ten grondslag gelegd dat inwerkingtreding van de bestemmingsplannen 'A50/Omlegging Son' en 'A50/Omlegging Son, herziening 1999' (hierna: de bestemmingsplannen) tot waardevermindering van zijn woning heeft geleid, omdat op basis van de bestemmingsplannen op de gronden ten westen van de woonwijk 'De Gentiaan' de rijksweg A50 is aangelegd en ten behoeve van de aansluiting van deze weg op de Gentiaanlaan een nieuwe verkeersverbinding is gecreëerd, waarbij deze laan is verlengd, rotondes zijn aangelegd en bijbehorende verkeersvoorzieningen zijn gerealiseerd.

2.3. De raad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In april 2005 heeft de SAOZ hem geadviseerd dat [appellant], gezien de afstand tussen zijn woning en de gronden met een verkeersbestemming, door de bestemmingsplanwijziging niet in een nadeliger positie is gebracht en zijn situatie niet vergelijkbaar is met die van eigenaren van andere woningen aan de Vogezenlaan.

De raad heeft dit advies aan het besluit van 19 december 2007 ten grondslag gelegd.

Bij brief van 28 maart 2008 heeft de SAOZ een nadere toelichting op het advies gegeven. De raad heeft die aan het besluit van 2 oktober 2008 ten grondslag gelegd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door in verband met zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te overwegen dat de SAOZ heeft uiteengezet dat de woningen aan de Vogezenlaan 20 en 22, gezien hun ligging ten opzichte van de verlengde Gentiaanlaan en de rijksweg A50, niet met die van hem op één lijn zijn te stellen en de raad de bevindingen en conclusies van de SAOZ mocht volgen, heeft miskend dat de woningen aan de Vogezenlaan 20 en 22 op grotere afstand van de verlengde Gentiaanlaan en de rijksweg A50 zijn gelegen, dan die van hem.

2.4.1. Dat betoog faalt. [appellant] heeft in beroep niet weersproken dat, zoals de SAOZ heeft gesteld, de woningen aan de [locatie], Vogezenlaan 20 en 22 op een kortste afstand van onderscheidenlijk 96, 78 en 94 m van de gronden met de bestemming voor de verlengde Gentiaanlaan en een kortste afstand van onderscheidenlijk 300, 126 en 102 m van de gronden met de bestemming voor de rijksweg A50 zijn gelegen en dat het aanleggen van een weg voor gemotoriseerd verkeer op kortere afstand dan de verlengde Gentiaanlaan in het geval van de woningen aan de Vogezenlaan 20 en 22, anders dan bij de woning aan de [locatie], onder het oude planologische regime niet mogelijk was. Gezien deze verschillen, heeft de rechtbank [appellant] terecht niet gevolgd in zijn betoog dat de raad met het in beroep bestreden besluit het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

452.