Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201002033/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BL0517, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2007 heeft de raad, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002033/1/H2.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 januari 2010 in zaak nr. 08/973 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de raad van de gemeente Veghel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft de raad, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2008 heeft de raad het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2010, verzonden op 21 januari 2010, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2010, waar [appellanten], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door T.J.M. Bockting, werkzaam bij de gemeente Veghel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling gold tot 1 september 2005, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. [appellanten] waren ten tijde van belang eigenaars van de woning en bijbehorende percelen aan de [locatie] te [plaats].

Aan het verzoek om planschadevergoeding is ten grondslag gelegd dat de onder het bestemmingsplan 'Buitengebied' bestaande mogelijkheid om op de percelen een nieuw agrarisch bedrijf op te richten door de inwerkingtreding van het bestemmingplan 'Landelijk Gebied' op 13 januari 2003 is vervallen en dat dit de waarde van de percelen heeft verminderd.

2.4. Niet in geschil is dat [appellanten] door de bestemmingsplanwijziging in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren en dientengevolge schade lijden. In geschil is uitsluitend of de schade ten laste van [appellanten] dient te blijven op de grond dat zij, door de onder het bestemmingsplan 'Buitengebied' bestaande bouwmogelijkheden niet te benutten, het risico dat deze bouwmogelijkheden zouden kunnen worden beperkt, passief hebben aanvaard.

Voor het antwoord op deze vraag is van belang of de voortekenen van de nadelige bestemmingsplanwijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen is het, volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 11 mei 2000 in zaak nr. 199902237/1, BR 2001, p. 228), voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. 200702220/1), is alleen sprake van passieve risicoaanvaarding als sprake is van voorzienbaarheid en er in het verleden geen stappen zijn ondernomen tot realisering van de bouwmogelijkheden die met het nieuwe regime zijn komen te vervallen. Hieruit vloeit voort dat voordat de vraag of onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouwmogelijkheden zijn ondernomen aan de orde kan komen, eerst de vraag dient te worden beantwoord of de nadelige planologische wijziging, hier in de vorm van een beperking van de bouwmogelijkheden op de percelen, voorzienbaar was. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de paraplunota Buitengebied Boekel-Uden-Veghel (hierna: de paraplunota) concrete beleidsvoornemens als hiervoor bedoeld behelst, zodat zij sinds de terinzagelegging van deze nota, op 4 december 1997, rekening dienden te houden met de kans dat de planologische situatie voor de percelen in ongunstige zin zou veranderen. Zij voeren aan dat de door de rechtbank aangehaalde passages uit pagina 7 van deel B van de paraplunota slechts een mogelijke richting van het te voeren beleid geven, gezien het gebruik van het woord 'voorstanders' in die passages.

2.5.1. In die passages is vermeld dat de gemeentebesturen voorstanders van een bepaalde prioriteitsvolgorde zijn. Niet in geschil is dat deze prioriteitsvolgorde tot een voor [appellanten] ongunstige planologische wijziging zou leiden. Uit het gebruik van het woord 'voorstanders' blijkt van een voldoende concreet beleidsvoornemen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de planologische wijziging vanaf 4 december 1997 voorzienbaar was.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij vanaf 4 december 1997 geen concrete poging hebben gedaan om de onder het bestemmingsplan 'Buitengebied' bestaande bouwmogelijkheden te realiseren. Zij voeren aan dat zij op 6 december 2000, de dag vóór de inwerkingtreding van een voorbereidingsbesluit, aanvragen om het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van bedrijfswoningen en loodsen op de percelen hebben ingediend en dat de rechtbank ten onrechte in de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002 grond heeft gevonden voor het oordeel dat zij hiermee geen concrete poging hebben ondernomen.

2.6.1. Bij brief van 21 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veghel aan [appellanten] medegedeeld dat de aanvragen van 6 december 2000 niet voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening. Zij zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om de aanvragen binnen twee weken aan te vullen met de in de brief nader aangegeven tekeningen en berekeningen. Hun is daarbij voorts te kennen gegeven dat de aanvragen niet in behandeling worden genomen, indien deze gegevens niet binnen de aldus gestelde termijn zijn overgelegd.

Bij besluiten van 23 januari 2001 heeft het college de aanvragen buiten behandeling gesteld op de grond dat de gevraagde gegevens niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn overgelegd. Bij besluiten van 3 juli 2001 heeft het college de daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 maart 2002 heeft de rechtbank het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 december 2002 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

In de uitspraak van de Afdeling is onder meer overwogen dat [appellanten] wisten of konden weten dat de aanvragen onvolledig waren, dat zij er vanaf het tijdstip van indiening ervan rekening mee hadden kunnen houden dat het college hen zou manen de aanvragen aan te vullen, dat de gevolgen van de omstandigheid dat zij de brief van 21 december 2000 kennelijk hebben afgewacht alvorens actie te ondernemen daarom voor hun rekening komen en dat daaraan niet afdoet dat in de hun gegunde periode voor het indienen van de ontbrekende gegevens enkele feestdagen vielen.

2.6.2. [appellanten] hebben op 6 december 2000, de dag vóór inwerkingtreding van een voorbereidingsbesluit, getracht door het indienen van aanvragen om bouwvergunning alsnog gebruik te maken van de planologische mogelijkheden op de percelen, maar zij hebben daarbij onvoldoende gegevens en bescheiden overgelegd, hoewel zij sinds de terinzagelegging van de paraplunota op 4 december 1997 voldoende tijd hebben gehad de aanvragen voor te bereiden. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad heeft miskend dat door middel van deze aanvragen een concrete poging tot realisering van de bestaande bouwmogelijkheden is ondernomen. Dat [appellanten], naar zij hebben gesteld, om strategische redenen tot het laatste moment hebben gewacht met het indienen van de aanvragen, moet voor hun rekening blijven. Met deze handelwijze hebben zij bewust het risico genomen dat het realiseren van de bestaande planologische mogelijkheden op de percelen niet meer mogelijk zou zijn.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

452.