Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201008384/4/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Zeehospitium Fase 1b" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008384/4/R1.

Datum uitspraak: 4 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Katwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Zeehospitium Fase 1b" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2010, beroep ingesteld. Bij brief van 23 september 2010 hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, de stichting Stichting Het Raamwerk en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vorm Ontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 oktober 2010, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en bijgestaan door mr. drs. L.P.H. de Milliano, advocaat te Katwijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. K.L. Markerink en mr. C.T. Ploeger, beiden werkzaam bij het Adviesbureau voor ruimtelijk beleid, ontwikkeling en inrichting, en drs. L. Rietdijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Vorm Ontwikkeling, vertegenwoordigd door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam, en P.I. Klink, werkzaam bij Vorm Ontwikkeling, en de stichting, vertegenwoordigd door [bestuurder], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het beroep van [verzoeker] en anderen is onder meer ingesteld door [2 verzoekers].

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [2 verzoekers] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich naar voorlopig oordeel van de voorzitter, niet voor.

Gelet hierop gaat de voorzitter er vanuit dat het beroep van [verzoeker] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [verzoekers], in de bodemzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.3. Het bestemmingsplan voorziet in de herinrichting van het terrein van het Zeehospitium dat bestaat uit een duingebied met enkele oudere gebouwen. Met het bestemmingsplan wordt de bouw mogelijk gemaakt van vier gebouwen ten behoeve van appartementen, een parkeergarage en het Gezondheidscentrum Zeehos, dat zal gaan bestaan uit onder meer veertien appartementen voor de vrije sector, cliëntenwoningen in verschillende woongroepen, horeca categorie 1 en verschillende maatschappelijke voorzieningen, waaronder een kinderdagverblijf, (huis)artsen en fysiotherapie.

2.4. [verzoeker] en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte is afgeweken van hetgeen is opgenomen in de exploitatieovereenkomst die is gesloten tussen de gemeente en de stichting. In dit kader wijzen zij er op dat de raad op 1 juli 2004 met de inhoud van de exploitatieovereenkomst heeft ingestemd en dat [verzoeker] en anderen daarom een beroep kunnen doen op de exploitatieovereenkomst. Volgens hen heeft de raad gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en heeft hij in het onderhavige besluit onvoldoende gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de overeenkomst.

2.4.1. De voorzitter overweegt dat, anders dan [verzoeker] en anderen veronderstellen, uit de overeenkomst en uit het feit dat de raad hiermee heeft ingestemd, wat daar ook van zij, niet voortvloeit dat in de overeenkomst ten behoeve van derden rechtens verwachtingen zijn gewekt dat de gemeente onder alle omstandigheden naleving van hetgeen daarin is opgenomen, zal bevorderen. Door thans een plan vast te stellen dat volgens [verzoeker] en anderen afwijkt van de exploitatieovereenkomst handelt de raad derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel jegens [verzoeker] en anderen. De raad behoefde derhalve evenmin in het bestreden besluit te motiveren waarom hij, zo hiervan al sprake is, is afgeweken van de exploitatieovereenkomst.

2.5. [verzoeker] en anderen stellen voorts dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in het plan "Beeldkwaliteitsplan voor het Rijnlands Zeehospitium Terrein te Katwijk" van april 2004.

2.5.1. De voorzitter overweegt dat in het beeldkwaliteitsplan het volgende is vermeld: "In het beeldkwaliteitsplan geven wij richting en inspiratie voor de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp in architectuur en in het maaiveldontwerp." Hieruit kan naar het oordeel van de voorzitter worden afgeleid dat in het beeldkwaliteitsplan veeleer welstandsaspecten in plaats van ruimtelijk relevante uitgangspunten zijn opgenomen. Voorts hebben [verzoeker] en anderen geen gronden aangevoerd die wijzen op het tegendeel. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan, waarin slechts ruimtelijk relevante aspecten kunnen worden opgenomen, is vastgesteld in strijd met het beeldkwaliteitsplan. Dat de concrete uitvoering van het bestemmingsplan volgens [verzoeker] en anderen in strijd is met het beeldkwaliteitsplan, kan hieraan niet afdoen, nu uitvoeringsaspecten in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.6. [verzoeker] en anderen voeren verder aan dat in het bestemmingsplan ten onrechte is afgeweken van het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in het rapport "Stedenbouwkundig plan voor het Rijnlands Zeehospitium Terrein te Katwijk" van april 2004. Subsidiair stellen zij dat deze afwijking onvoldoende is gemotiveerd.

2.6.1. De raad erkent dat in het bestemmingsplan op bepaalde punten wordt afgeweken van de uitgangspunten zoals neergelegd in het Stedenbouwkundig plan, maar stelt dat hij hiervan gemotiveerd is afgeweken. Bovendien heeft het college van burgemeester en wethouders - het bestuursorgaan dat het ontwerpbestemmingsplan opstelt - hiertoe op 13 mei 2008 expliciet besloten.

2.6.2. In het Stedenbouwkundig plan is onder meer het volgende vermeld:

"Het landschap is de drager. Het belangrijkste duin in het gebied is altijd markant in zicht. (…) De rechte straat eindigt aan een 'duinplein' (…). Het plein heeft een besloten vorm gekregen maar heeft aan verschillende zijden open stukken, waardoor de relatie met het duin behouden blijft. Onder het plein wordt op het huidige maaiveldniveau geparkeerd. (…)

Onder het duinplein bevindt zich, onttrokken aan het zicht, een grote centrale parkeervoorziening, van minimaal 321 plaatsen die gebruikt gaan worden door gebruikers van het gehele gebied. Hieronder vallen ook de bezoekers van het totale terrein, de bezoekers en het personeel van de diverse functies die zijn gelegen op het terrein."

Voorts zijn in het Stedenbouwkundig plan op plattegronden de ligging van de voorziene gebouwen, het aantal bouwlagen waaruit een gebouw zal bestaan en de zichtlijnen weergegeven. Het gezondheidscentrum zal volgens de plattegronden bestaan uit twee losse gebouwen van 3 en 4 bouwlagen met daartussen een zichtlijn. Verder is in het Stedenbouwkundig plan aangegeven wat de bouwhoogte betreft bij de verschillende voorziene bouwlagen.

2.6.3. De voorzitter overweegt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan een toets dient plaats te vinden aan het gemeentelijke beleid, zoals onder meer neergelegd in het Stedenbouwkundig plan. Voor zover de beoogde ontwikkeling daarmee in strijd is, betekent dat niet dat de voorziene ontwikkeling reeds om die reden niet mogelijk gemaakt kan worden. Een afwijking van het beleid dient voldoende te zijn gemotiveerd.

2.6.3.1. Vast staat dat in bestemmingsplan op enkele punten is afgeweken van het Stedenbouwkundig plan. Reeds in het stuk van 13 mei 2008 - waarin het college van burgemeester en wethouders in principe akkoord is gegaan met de door de stichting gemaakte uitwerking van het Stedenbouwkundig plan - is vermeld dat bij de uitwerking vanwege functionele redenen het plan ten opzichte van het Stedenbouwkundig plan is gewijzigd maar dat de hoofdopzet blijft gehandhaafd. Voorts is hierin vermeld dat de wijzigingen onder meer betrekking hebben op het gezondheidscentrum dat smaller en langer is geworden. Verder zijn de twee gebouwen waaruit het gezondheidscentrum bestaat met elkaar verbonden door een transparant tussenstuk. Reden hiervoor is de wenselijke flexibele functionele indeling van het gezondheidscentrum. Daarnaast was het voorheen de bedoeling dat vanuit de Schuiteschatstraat zicht bestond op het hoger gelegen duin, maar dit zicht bleek zeer beperkt, zodat alsnog is gekozen voor het transparante tussenstuk, aldus het stuk.

2.6.3.2. Wat betreft het standpunt van [verzoeker] en anderen dat de voorziene bouwhoogte met 1,5 meter is verhoogd, overweegt de voorzitter dat de raad dit ter zitting heeft erkend, maar dat de raad er op heeft gewezen dat het aantal bouwlagen niet is gewijzigd en dat deze niet significante afwijking van het Stedenbouwkundig plan aanvaardbaar wordt geacht.

2.6.3.3. Met betrekking tot het standpunt van [verzoeker] en anderen dat in strijd met het Stedenbouwkundig plan de parkeergarage niet ondergronds wordt aangelegd en ten behoeve van de woontorens een aparte parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, overweegt de voorzitter als volgt. De raad heeft in de stukken en ter zitting gesteld dat in het Stedenbouwkundig plan is opgenomen dat zal worden geparkeerd op maaiveldniveau, hetgeen het bestemmingsplan eveneens mogelijk maakt. Voorts is het volgens de raad niet mogelijk de parkeergarage geheel aan het zicht te onttrekken vanwege het te grote ruimtebeslag dat hiermee gepaard gaat. In dit verband wijst de raad er op dat bij een ondergrondse aanleg ofwel de parkeergarage verkleind zou moeten worden - wat gelet op het benodigde aantal parkeerplaatsen niet mogelijk is - ofwel het voorziene gezondheidscentrum naar het zuiden zou moeten worden verplaatst - hetgeen niet mogelijk is vanwege de ontsluiting van de vier voorziene woontorens, die evenmin naar het zuiden kunnen worden geplaatst vanwege het feit dat ze daardoor dieper in het duin zouden komen te liggen. Voorts is het volgens de raad mede gelet hierop uit financieel en praktisch oogpunt niet uitvoerbaar één centrale parkeergarage te realiseren.

2.6.3.4. Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de voorzitter voldoende gemotiveerd waarom de lengte van de multifunctionele gebouwen, mede gelet op de zichtlijnen, de bouwhoogtes van de multifunctionele gebouwen, en de parkeervoorziening zijn gewijzigd ten opzichte van hetgeen is vermeld in het Stedenbouwkundig plan.

2.7. Voor zover [verzoeker] en anderen aanvoeren dat het verlengde en verhoogde zorggebouw met het transparante tussenstuk, de zichtbaarheid van de centrale parkeergarage, en in het bijzonder van de ontluchtingsgoot, en het feit dat de ontsluiting van de parkeerplaatsen die behoren bij de vier appartementencomplexen over het plein is voorzien, leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat en verkeersonveilige situaties op het plein, overweegt de voorzitter als volgt. De afstand van de appartementen van [verzoeker] en anderen tot het voorziene gezondheidscentrum bedraagt minimaal 600 meter. Voorts is uit de stukken en ter zitting gebleken dat op de parkeergarage een "duin" met begroeiing wordt gerealiseerd, zodat de garage grotendeels aan het zicht wordt onttrokken. Daarnaast is gebleken dat de ontluchtingsgoot van de garage op het maaiveld is voorzien. Verder leidt de aparte parkeergelegenheid voor de vier woontorens weliswaar tot meer verkeer op het plein, maar de raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het aantal motorvoertuigen per etmaal op het plein beduidend minder zal zijn dan 1000, welk aantal in een zone die als erf is ingericht in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht.

Gelet op het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het algemeen belang bij realisering van een functioneel gezondheidscentrum, vier appartementengebouwen en een parkeergarage een groter gewicht kan worden toegekend dan aan het belang van [verzoeker] en anderen bij het realiseren van een kleiner gezondheidscentrum, een ondergrondse parkeergarage en een andere ontsluiting van de vier appartementencomplexen. In het standpunt van [verzoeker] en anderen dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat een verkeersluw plein voor bewoners van het zorgcentrum uit het oogpunt van verkeersveiligheid zeer belangrijk is, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel, nu ter zitting is gebleken dat het plein zo kan worden ingericht dat de bewoners op een veilige manier van het plein gebruik kunnen maken. Hierbij betrekt de voorzitter dat het standpunt van de raad dat een aantal van 1000 motorvoertuigen per etmaal aanvaardbaar wordt geacht, niet onredelijk is. Voorts betrekt de voorzitter bij voornoemd oordeel dat ten aanzien van het niet nader onderbouwde standpunt van [verzoeker] en anderen dat luchtverontreiniging optreedt als gevolg van de ontluchtingsgoot van de parkeergarage, in de plantoelichting is vermeld dat - gelet op de eisen waaraan een nieuw te bouwen parkeergarage dient te voldoen - de verwachting bestaat dat buiten de parkeergarage ruimschoots wordt voldaan aan de geldende luchtkwaliteitsnormen.

2.8. Ook in hetgeen [verzoeker] en anderen voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dan wel is vastgesteld in strijd met het recht.

2.9. Gelet op het feit dat naar voorlopig oordeel van de voorzitter het bestreden besluit strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en niet in strijd is met het recht, bestaat geen aanleiding te bezien of artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet gedeeltelijk aan de vernietiging van het besluit in de weg zou staan.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van [verzoeker] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2010

559.