Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201003445/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende huurtoeslag voor het jaar 2007 definitief berekend en vastgesteld op nihil, alsmede de uitbetaalde voorschotten huurtoeslag voor dat jaar teruggevorderd ten bedrage van € 2115,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003445/1/H2.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 februari 2010 in zaken nrs. 09/575 en 09/577 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende huurtoeslag voor het jaar 2007 definitief berekend en vastgesteld op nihil, alsmede de uitbetaalde voorschotten huurtoeslag voor dat jaar teruggevorderd ten bedrage van € 2115,00.

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk gegrond verklaard en het verzoek tot het vergoeden van de door [appellante] gemaakte proceskosten in bezwaar afgewezen.

Bij uitspraak van 19 februari 2010, verzonden op 2 maart 2010, heeft de rechtbank de beroepen gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep gericht tegen het besluit van 20 juli 2009 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2010, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 4 mei 2010 zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2010, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit op bezwaar van 20 juli 2009 heeft de Belastingdienst het bezwaar van [appellante] kennelijk gegrond verklaard. De Belastingdienst heeft daarbij geweigerd om aan [appellante] de door haar in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. Volgens de Belastingdienst is er geen sprake is van een herroeping wegens een aan de Belastingdienst te wijten onrechtmatigheid. [appellante] heeft de Belastingdienst na de vaststelling van het recht op huurtoeslag over 2007 bij brief van 9 april 2009 kenbaar gemaakt dat een aan haar gedane nabetaling buiten beschouwing moest worden gelaten bij de berekening van het recht op huurtoeslag.

2.2. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Belastingdienst niet eerder dan bij brief van 9 april 2009 door [appellante] op de hoogte is gesteld van de nabetaling, zodat er geen sprake is van een aan de Belastingdienst te wijten onrechtmatigheid.

2.3. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst het verzoek tot vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), terecht heeft afgewezen. [appellante] voert daartoe aan dat het besluit van 14 oktober 2008 is herroepen wegens een aan de Belastingdienst te wijten onrechtmatigheid, aangezien het niet aan haar kan worden verweten dat de Belastingdienst achteraf gezien van een onjuist inkomen is uitgegaan bij de vaststelling van het recht op huurtoeslag. Gelet op een redelijke risicoverdeling had de Belastingdienst aanleiding moeten zien om de door haar gemaakte proceskosten te vergoeden, aldus [appellante].

2.3.1. Gelet op de tekst van het besluit op bezwaar van 20 juli 2009 moet het ervoor worden gehouden dat de Belastingdienst het besluit van 14 oktober 2008 bij het besluit op bezwaar van 20 juli 2009 heeft herroepen.

Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgt dat uitsluitend de kosten worden vergoed voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dat belanghebbende, in dit geval [appellante], geen verwijt kan worden gemaakt dat de Belastingdienst van een onjuist inkomen is uitgegaan is daarmee niet van belang. Evenmin is van belang de door [appellante] gewenste risicoverdeling.

Vaststaat dat de Belastingdienst bij besluit van 20 juli 2009 het besluit van 14 oktober 2008 heeft herroepen op grond van de door [appellante] bij brief van 9 april 2009 ingediende gegevens, waaruit blijkt dat een aan haar gedane nabetaling buiten beschouwing moest worden gelaten bij het berekenen van het recht op huurtoeslag. De Belastingdienst heeft deze gegevens niet kunnen betrekken bij het besluit van 14 oktober 2008 en heeft dit besluit dan ook niet herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. De Belastingdienst heeft derhalve het verzoek om vergoeding van de door [appellante] in bezwaar gemaakte kosten terecht afgewezen.

De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst ten onrechte van een hoorzitting in bezwaar heeft afgezien, aangezien haar bezwaar niet kennelijk gegrond was. De Belastingdienst heeft immers geweigerd om de door [appellante] gemaakte kosten in bezwaar te vergoeden, zodat niet volledig is tegemoetgekomen aan haar bezwaar.

2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Belastingdienst bij besluit van 20 juli 2009 naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] het besluit van 14 oktober 2008 herroepen, zodat aan het bezwaar tegen dat besluit volledig is tegemoetgekomen. De gevraagde proceskosten betreffen niet het bezwaar tegen het besluit. De weigering deze te vergoeden maakt dan ook niet dat niet volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft derhalve ook terecht overwogen dat de Belastingdienst van een hoorzitting in bezwaar heeft mogen afzien.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

362-680.