Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201004666/1/R2 en 201004666/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Doetinchemseweg 9 te Loerbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004666/1/R2 en 201004666/3/R2.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Doetinchemseweg 9 te Loerbeek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2010, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 19 augustus 2010, in zaak no. 201004666/2/R2 (www.raadvanstate.nl), heeft de voorzitter afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] en anderen tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2010, hebben [appellant] en anderen de voorzitter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 oktober 2010.

Ter zitting zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.B.W.M. Jansen, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [eigenaar], en bijgestaan door mr. C. Karharman, advocaat te Apeldoorn.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor een huifkarcentrum met zorgboerderij aan de [locatie 1] te [plaats]. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 2] en [locatie 3].

2.3. [appellant] en anderen stellen dat weliswaar bij het huifkarcentrum alleen ondersteunende horeca is toegestaan, maar dat het onderscheid tussen ondersteunende horeca en zelfstandige feesten onduidelijk is. Hierdoor zal wellicht overlast kunnen ontstaan. Voorts is volgens hen ten onrechte een oppervlakte van 225 m² aan horeca toegestaan en zal het huifkarcentrum een grote verkeersaantrekkende werking hebben. Tevens zullen de huifkarren leiden tot verkeersonveilige situaties op de Doetinchemseweg, aldus [appellant] en anderen.

2.4. De raad stelt dat zelfstandige feesten en partijen ter plaatse niet zijn toegestaan en dat dit op afdoende wijze in de planregels is geregeld. Voorts is de toegestane oppervlakte voor het gebruik als horeca juist beperkt zodat niet het gehele perceel daarvoor kan worden gebruikt. De verkeersaantrekkende werking van het huifkarcentrum zal ongeveer 80 verkeersbewegingen per dag zijn. De verkeersintensiteit op de Doetinchemseweg is niet zodanig dat het gebruik van die weg door de huifkarren zal leiden tot verkeersonveilige situaties, aldus de raad. Bovendien zal de toegestane snelheid op de Doetinchemseweg worden beperkt tot 60 kilometer per uur.

2.5. Het plan voorziet ten behoeve van het huifkarcentrum in een plandeel met de bestemming "Recreatie (R)".

Ingevolge artikellid 4.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Recreatie (R)" aangewezen gronden bestemd voor huifkarcentrum en ondersteunende horeca.

Ingevolge artikellid 4.3, van de planregels wordt onder strijdig gebruik met deze bestemming in ieder geval begrepen het houden van zelfstandige feesten en partijen.

In artikel 1, onder k., van de planregels is vermeld dat onder ondersteunende horeca moet worden verstaan, horeca die onlosmakelijk is verbonden met de dagrecreatieve functie van het huifkarcentrum en de zorgboerderij.

2.5.1. In voormelde planregels is naar het oordeel van de voorzitter voldoende vastgelegd dat ter plaatse van het huifkarcentrum geen zelfstandige feesten en partijen zijn toegestaan. Tevens heeft de raad ter zitting verklaard dat met de term 'ondersteunende' tot uitdrukking is geprobeerd te brengen dat de huifkarritten altijd de hoofdactiviteit moeten zijn. Gelet hierop is voldoende zeker dat feesten waarbij een huifkarrit slechts een ondergeschikt deel is van het programma, niet zullen worden toegestaan. Voorts heeft de omstandigheid dat voor de ondersteunende horecafunctie een oppervlakte van 225 m² is toegestaan, geen invloed op de aard van het toegestane gebruik. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de horecafunctie geen overlast zal veroorzaken.

2.6. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting is vermeld dat in de huidige situatie de verkeersintensiteit op de Doetinchemseweg ongeveer 2.250 motorvoertuigen per dag is. Op basis van de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek is berekend dat door het huifkarcentrum en de zorgboerderij 80 extra verkeersbewegingen per dag zullen ontstaan.

2.6.1. Het huifkarcentrum en de zorgboerderij zullen leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen per dag op de Doetinchemseweg. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Doetinchemseweg deze toename van het verkeer niet zal kunnen verwerken. Gezien de huidige verkeersintensiteit en de verwachte, beperkte toename, heeft de raad zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk op de Doetinchemseweg. Over de verkeersveiligheid is de voorzitter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van de weg door huifkarren niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Daarbij is in aanmerking genomen dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de huifkarren moeten voldoen aan het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en dat de toegestane maximumsnelheid op de Doetinchemseweg inmiddels is verlaagd naar 60 kilometer per uur.

2.7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.8. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

545.