Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201009846/1/H1 en 201009846/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het slopen van vijf schuren op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4712
JBO 2010/69 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009846/1/H1 en 201009846/2/H1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 september 2010 in zaak nr. 10/637 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het slopen van vijf schuren op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 oktober 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M.Y. Rutjes, werkzaam bij de gemeente, en [vergunninghouder], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Dinkelland, voor zover thans van belang, is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Ingevolge artikel 8.1.6 moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

(…)

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de sloopvergunning terecht heeft verleend. Daartoe voert hij aan dat in de schuren honderden asbesthoudende golfplaten aanwezig zijn en onvoldoende is gewaarborgd dat deze op veilige wijze zullen worden verwijderd. In dat verband wijst hij op een krantenartikel, waarin is vermeld dat zeker de helft van de bedrijven die asbest verwijderen zich niet aan de daarvoor geldende regels houdt.

2.3.1. Om de veiligheid van de omgeving te waarborgen, heeft het college voorschriften aan de sloopvergunning verbonden. Deze zien onder meer op de wijze waarop asbesthoudend materiaal dient te worden verwijderd, verpakt, opgeslagen en afgevoerd. Verder is daarin voorgeschreven dat het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbesthoudend materiaal, dient te worden opgedragen aan een deskundig verwijderingsbedrijf, dat gecertificeerd is op grond van SC-530, en dat voordat met de sloopwerkzaamheden wordt begonnen het aanvangstijdstip en de naam van het uitvoerend bedrijf dienen te worden gemeld aan de Arbeidsinspectie. Voorts dient de werkwijze die bij het slopen van de schuren wordt toegepast met het oog op de te nemen veiligheidsmaatregelen in overleg met en ter nadere goedkeuring van het Bouwtoezicht te worden bepaald.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat met het stellen van die voorschriften de veiligheid voldoende is gewaarborgd. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan hieraan moet worden getwijfeld. Voor een onafhankelijk onderzoek naar de veiligheid, zoals door [appellant] gewenst, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien. De vrees van [appellant], verwijzend naar voormeld krantenartikel, dat het bedrijf dat de asbest zal verwijderen zich mogelijk niet aan de regels zal houden, leidt niet tot een ander oordeel. Indien in strijd met artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening wordt gesloopt in afwijking van de verleende vergunning en de daarbij gestelde voorschriften, kan [appellant] het college verzoeken daartegen handhavend op te treden. Zijn stelling dat het college niet beschikt over de daarvoor benodigde mankracht en expertise, maakt dat niet anders, reeds omdat daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat. Nu, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, hetgeen [appellant] voor het overige naar voren heeft gebracht geen betrekking heeft op de in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening neergelegde weigeringsgronden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de sloopvergunning terecht heeft verleend.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] voert ten slotte aan dat hij alle eerder door hem naar voren gebrachte bezwaren tegen de sloopvergunning handhaaft. Hiermee heeft hij niet gemotiveerd dat en waarom de aangevallen uitspraak onjuist is. Het aldus aangevoerde kan reeds daarom niet tot vernietiging van die uitspraak leiden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

457.