Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
200907137/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Geleenbeekdal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907137/1/R3.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Geleenbeekdal" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2009, beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2010, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Schoffeleers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele bestemmingsregeling voor het deel van het Geleenbeekdal dat ten oosten van Geleen ligt.

2.2. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschap" ten onrechte is toegekend aan het ongenummerde perceel op de hoek tussen Daniken 21 en 23 met het kadastrale nummer F3718. Hij voert hiertoe aan dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu deze bestemming woningbouw niet mogelijk maakt, terwijl op de naburige percelen de bestemming "Wonen" rust. Dit levert volgens hem eveneens strijd op met het vertrouwensbeginsel, nu hij ervan uit mocht gaan dat, aangezien in het verleden ook huizen gebouwd zijn op de naburige percelen, dit voor zijn perceel ook mogelijk zou zijn. Door op dit punt niet op zijn zienswijze in te gaan, heeft de raad eveneens in strijd gehandeld met het motiveringsbeginsel, aldus [appellant].

2.2.1. Het plan is conserverend van aard en legt de bestaande feitelijke situatie vast. Volgens de toelichting bij het plan is het agrarisch gebruik van het buitengebied grotendeels vastgelegd in een agrarische bestemming. Alleen daar waar sprake is van concreet aanwezige natuurwaarden, is het plangebied bestemd tot natuur. Het provinciaal en gemeentelijk beleid is erop gericht dat de bestaande woningen in het buitengebied als zodanig bestemd worden, maar dat er geen nieuwe woningen meer gebouwd worden. Op het perceel van [appellant] staat geen bebouwing. Voorts is geen vergunning voor het bouwen van een woning verleend of een toezegging voor een dergelijke vergunning gedaan. In het voorheen geldende plan rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden", hetgeen onder andere een bouwverbod voor burgerwoningen inhield. Er bestond voor [appellant] dan ook geen aanleiding om uit te gaan van de mogelijkheid op zijn perceel een woning te bouwen. Door of namens de raad zijn geen verwachtingen gewekt dat aan het perceel een bestemming met een bouwmogelijkheid voor een woning toegekend zou worden.

Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met de naast zijn perceel gelegen percelen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat op die percelen reeds gebouwen staan, terwijl dat op het perceel van [appellant] niet het geval is. Voor alle percelen is het bestaand gebruik als zodanig bestemd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

350-653.