Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201002921/1/T1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5526, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2006 heeft de besliscommissie aan [appellant sub 2] een schadevergoeding toegekend van € 32.500,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/9 met annotatie van J.W. van Zundert, Red.
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4726
TBR 2011/90 met annotatie van G.M. van den Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002921/1/H2.

Datum uitspraak: 10 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

1. de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 februari 2010 in zaak nr. 09/4871 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de besliscommissie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2006 heeft de besliscommissie aan [appellant sub 2] een schadevergoeding toegekend van € 32.500,00.

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft de besliscommissie het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan [appellant sub 2] aanvullend € 3.890,00 aan nadeelcompensatie toegekend.

Bij uitspraak van 16 februari 2010, verzonden op 17 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 augustus 2009 vernietigd en bepaald dat de besliscommissie een nieuw besluit op het bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de besliscommissie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

De besliscommissie en [appellant sub 2] hebben ieder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2010, waar de besliscommissie, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en [appellant sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 23 oktober 1996 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer krachtens artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw), gelezen in samenhang met artikel 24 van die wet, het luchtvaartterrein Schiphol aangewezen (hierna: het aanwijzingsbesluit).

In de artikelen 6 en 12 van het aanwijzingsbesluit in samenhang met de bij dat besluit behorende kaarten E1-E4 zijn krachtens artikel 25 Lvw geluidzones rond het luchtvaartterrein Schiphol vastgesteld.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het aanwijzingsbesluit wordt aan degene die door dit besluit schade lijdt of zal lijden op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, voor zover die schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de uitbreiding van het luchtvaartterrein Schiphol hebben onder meer de Minister, provinciale staten van Noord-Holland en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol vastgesteld.

Ingevolge artikel 9, lid 3a, van de gemeenschappelijke regeling is het algemeen bestuur van het Schadeschap, onverminderd het bepaalde in artikel 19, bij uitsluiting bevoegd ter zake van de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 21 van het aanwijzingsbesluit.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de gemeenschappelijke regeling kan het algemeen bestuur de in artikel 9 genoemde bevoegdheden overdragen aan de besliscommissie.

Bij besluit van 14 januari 1999 heeft het algemeen bestuur deze bevoegdheden aan de besliscommissie overgedragen.

2.3. Bij besluit van 27 maart 2006 heeft de besliscommissie, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de adviescommissie) van 3 februari 2006, aan [appellant sub 2] schadevergoeding toegekend voor de waardevermindering van zijn woning door de nieuwe grenswaarden voor de geluidbelasting rondom de luchthaven Schiphol, gesteld in de Wet Luchtvaart en het daarop gebaseerde Luchthavenindelingsbesluit en Luchthavenverkeersbesluit.

Bij dit besluit heeft de besliscommissie aan [appellant sub 2] geen vergoeding toegekend voor de door hem gestelde aantasting van het woongenot en waardevermindering van zijn woning door de met het oog op het zogenoemde vierbanenstelsel toegestane geluidbelasting op grond van het aanwijzingsbesluit. Daartoe is overwogen dat de maximaal te ondervinden geluidbelasting op grond van het aanwijzingsbesluit niet is verslechterd, omdat er onder het oude aanwijzingsbesluit in het geheel geen beperkingen golden ten aanzien van de geluidbelasting.

2.4. Bij uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705041/1 heeft de Afdeling in een soortgelijke zaak overwogen dat artikel 21 van het aanwijzingsbesluit, blijkens de toelichting bij dit besluit alsmede de toelichting bij de gemeenschappelijke regeling, uitdrukking geeft aan het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten (hierna: het égalitébeginsel). Het aanwijzingsbesluit is, voor zover daarbij met het oog op het zogenoemde vierbanenstelsel de geluidzones met de bijbehorende voorschriften zijn vastgesteld, niet een besluit waarop artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO, oud) betrekking heeft. Anders dan bij een verzoek om planschadevergoeding dient bij een verzoek om nadeelcompensatie gebaseerd op het égalitébeginsel, zoals hier in het geding is, geen vergelijking van opvolgende juridische regimes te worden gemaakt, maar een vergelijking van het juridische regime dat is vastgesteld voor een beperkte groep burgers met het juridische regime dat geldt voor burgers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

Bij het aanwijzingsbesluit zijn de geluidzones rond de luchthaven Schiphol zodanig vastgesteld dat een zo klein mogelijk aantal woningen daarbinnen ligt. Buiten de geluidzones geldt op grond van het aanwijzingsbesluit en de daarbij behorende kaarten een geluidnorm van minder dan 35 Kosteneenheden (hierna: Ke) als toelaatbaar maximum, daarbinnen loopt de norm in de richting van het luchtvaartterrein op van meer dan 35 Ke tot meer dan 65 Ke. Aan de verhoudingsgewijs beperkte groep bewoners van woningen gelegen binnen de geluidzones, is op die wijze een speciale last opgelegd in vergelijking tot de bewoners van woningen die wel binnen de invloedssfeer van de luchthaven Schiphol maar buiten de geluidzones liggen. Op grond van het égalitébeginsel dient bij het bepalen of aanleiding bestaat voor nadeelcompensatie op grond van artikel 21 van het aanwijzingsbesluit dan ook deze vergelijking te worden gemaakt, aldus de Afdeling.

2.5. Deze uitspraak heeft aanleiding gegeven tot een algemeen advies van de adviescommissie van 12 februari 2009.

In dit advies wordt gesteld dat de bewoners van woningen binnen de geluidzones nadeel ondervinden, omdat "zij - anders dan de bewoners van woningen buiten deze geluidszones - geen bescherming kunnen ontlenen aan de wettelijke grenswaarde van respectievelijk 35 Ke en 26 dB(A) LAeq, en derhalve rekening moeten houden met de door het Aanwijzingsbesluit vastgelegde juridische toelaatbaarheid van een geluidbelasting van hun woningen van meer dan 35 Ke respectievelijk 26 dB(A) LAeq." Deze bewoners dienen te worden gecompenseerd door middel van een zogenoemde egalisatievergoeding. De adviescommissie adviseert hierbij uit te gaan van een forfaitair systeem met een vergoeding van één tot zes procent van de waarde van een woning, afhankelijk van de ligging van de desbetreffende woning tussen de opvolgende geluidcontouren van 35 tot 65 Ke.

Omdat de verplichting tot het vaststellen van geluidzones per 1 oktober 1978 in de Lvw is opgenomen en een kaart met de mogelijke situering van deze geluidzones op 14 november 1979 is gepubliceerd, acht de adviescommissie het redelijk een korting op de vergoeding toe te passen ten aanzien van bewoners die op of na 14 november 1979 hun woning hebben gekocht, omdat zij rekening konden houden met de mogelijkheid dat hun woning in een geluidzone zou komen te liggen. De definitieve begrenzing van de geluidzones was pas vanaf 18 januari 1994 kenbaar, omdat op die dag de ontwerp-PKB Schiphol en omgeving (deel 1) ter visie is gelegd en daarin de ligging van de geluidzones grotendeels conform het nadien tot stand gekomen Aanwijzingsbesluit van 1996 is weergegeven. De adviescommissie acht het daarom redelijk een korting toe te passen op de toe te kennen egalisatievergoeding die oploopt van 5% als de bewoning is aangevangen op 14 november 1979 tot 100% als de bewoning is aangevangen na 18 januari 1994.

2.6. Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft de besliscommissie aan [appellant sub 2] € 3.890,00 aan compensatie toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2004. Nu de woning van [appellant sub 2] onder het vierbanenstelsel tussen de 40 en 45 Ke-contour lag, komt volgens de besliscommissie, onder verwijzing naar het advies van 12 februari 2009 van de adviescommissie, het nadeel aldus neer op 2% van € 389.000,00. De besliscommissie heeft in afwijking van het advies overwogen dat aan alle verzoekers die hun woning hebben gekocht tussen 14 november 1979 en 18 januari 1994 een korting van 50% vanwege voorzienbaarheid in rekening moet worden gebracht. Nu [appellant sub 2] de woning op 15 april 1981 in eigendom heeft verworven, dient die korting ook ten aanzien van hem toegepast te worden. Het aldus berekende bedrag, € 3.890,00, dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente met ingang van 28 april 2004, aldus de besliscommissie.

2.7. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep van [appellant sub 2] gegrond verklaard aangezien de besliscommissie de keuze voor een vergoeding, die varieert van één tot zes procent per geluidcontour van 5 Ke, onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt dat die maatstaf aanzienlijk afwijkt van de meer geobjectiveerde maatstaf die de besliscommissie pleegt te hanteren, voor het vaststellen van vergoedingen voor planschade als gevolg van de komst van het vijfbanenstelsel en de daarbij behorende geluidzones; daarbij wordt uitgegaan van een vergoeding van één procent van de waarde van de woning bij een stijging van één Ke in geluidbelasting. Nu het ook bij nadeelcompensatie feitelijk gaat om compensatie voor de waardevermindering van de woning door aantasting van woongenot wegens geluidhinder, is dit verschil niet aanvaardbaar, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de besliscommissie op juiste gronden een korting van 50% heeft toegepast en terecht 28 april 2004, de datum van ontvangst van het verzoek om nadeelcompensatie, als ingangsdatum voor de wettelijke rente heeft gehanteerd.

2.8. De besliscommissie betoogt in hoger beroep, samengevat weergegeven, dat de rechtbank de vergelijkingsmaatstaf, opgenomen in de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2008, heeft miskend en ten onrechte de aard van de schade als bedoeld in artikel 21 van het aanwijzingsbesluit heeft gekwalificeerd als waardevermindering van een woning, waarvan de omvang op eenzelfde wijze moet worden vastgesteld als de bepaling van de waardevermindering bij toepassing van artikel 49 van de WRO. De vaststelling van de geluidzones in het aanwijzingsbesluit heeft volgens de besliscommissie juist niet geleid tot schade in de vorm van een concreet taxeerbare vermindering van de waarde van een woning binnen een geluidzone, omdat er voorheen geen juridische beperkingen golden voor de geluidbelasting van de woningen. Evenmin leidt het aanwijzingsbesluit ertoe dat de bewoners feitelijk met een geluidbelasting van woningen worden geconfronteerd die voorheen niet bestond. De compensatie strekt er volgens de besliscommissie derhalve niet toe om het niet te constateren verschil tussen de waarde van woningen binnen de geluidzones onmiddellijk voor en onmiddellijk na de vaststelling van de geluidzones op te heffen. De bewoners binnen de geluidzones komen voor een vergoeding in aanmerking, omdat zij anders dan bewoners van buiten de zones gesitueerde woningen geen bescherming kunnen ontlenen aan de buiten de geluidszones geldende norm van minder dan 35 Ke, respectievelijk 26 dB(A)LAeq. Nu het om een andere vergoeding gaat, acht de besliscommissie het redelijk om niet de maatstaf 1% waardedaling per 1 Ke-stijging te hanteren, maar 1% waardedaling per 5 Ke-stijging.

2.8.1. Dit betoog slaagt niet.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 april 2008 overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat voor nadeelcompensatie een vergelijking gemaakt moet worden tussen de verhoudingsgewijs beperkte groep bewoners binnen de geluidzones, die een speciale last hebben gekregen, en bewoners van woningen die wel binnen de invloedssfeer van de luchthaven Schiphol maar buiten de geluidzones liggen. Vervolgens dient de besliscommissie te beoordelen of er ook sprake is van een abnormale last, namelijk van schade die buiten het normaal maatschappelijk risico valt en vervolgens of die schade voor een belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van de beslissing om te investeren in het geschade belang.

Anders dan de besliscommissie ziet de Afdeling geen grond voor de aanname dat de schade als gevolg van het moeten dulden van een hogere geluidbelasting zich niet zou vertalen in waardevermindering van de woning.

Dat het, zoals de besliscommissie betoogt, niet mogelijk is opeenvolgende juridische regimes te vergelijken voor de groep die binnen de geluidzones woont en er derhalve geen sprake is van concreet taxeerbare waardevermindering van woningen ten gevolge van geluidoverlast, kan daartoe geen reden vormen, nu de Afdeling in de uitspraak van 9 april 2008 heeft geoordeeld dat een andere vergelijkingsmaatstaf moet worden toegepast.

Dat het aanwijzingsbesluit, zoals de besliscommissie verder betoogt, ook feitelijk niet heeft geleid tot een toename van geluidbelasting in vergelijking met de voorheen bestaande situatie en derhalve evenmin tot waardevermindering van de woningen, is daarvoor evenmin een argument. Deze aanname berust niet op een vergelijkend onderzoek naar de waarde van woningen binnen de geluidzones en woningen buiten de geluidzones, maar wel binnen de invloedssfeer van Schiphol op de peildatum, de vaststelling van de geluidzones in het aanwijzingsbesluit.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de besliscommissie haar keuze voor een vergoeding van 1% tot 6% per geluidcontour van 5 Ke niet heeft voorzien van een toereikende motivering. Dit klemt te meer nu aan de maatstaf voor het vaststellen van planschadevergoedingen voor waardevermindering van woningen ten gevolge van geluidoverlast veroorzaakt door de uitbreiding van Schiphol met een vijfde baan uitvoerig onderzoek ten grondslag ligt en daarbij wordt uitgegaan van een waardevermindering van woningen met 1% per 1 Ke toename van de geluidbelasting.

2.9. De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de besliscommissie het besluit van 24 augustus 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd en dus in strijd met artikel 7:12 van de Awb heeft genomen.

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet mocht volstaan met het vernietigen van het besluit wegens een ontoereikende motivering, maar zelf in de zaak had moeten voorzien. Daartoe voert hij aan dat er geen grond aanwezig is om voor de waardevermindering van de woning een andere maatstaf te hanteren dan door de besliscommissie is toegepast bij de vaststelling van schadevergoeding vanwege toegenomen geluidbelasting vanwege vliegverkeer als gevolg van de komst van het vijfbanenstelsel.

2.10.1. Dit betoog slaagt niet. Voor vergoeding van planschade gelden andere vereisten en criteria dan voor vergoeding van nadeelcompensatie, waaronder de toepassing van kortingen wegens normaal maatschappelijk risico, zodat de maatstaf 1% waardedaling per 1% toename van geluidbelasting niet zonder meer toepasbaar is. Voorts kan de besliscommissie ervoor kiezen nader onderzoek te doen naar de omvang van de waardevermindering van woningen ten gevolge van de in het aanwijzingsbesluit vastgestelde geluidzones. De Afdeling wijst verder op hetgeen onder 2.14 wordt overwogen.

2.11. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de besliscommissie een korting van 50% wegens voorzienbaarheid heeft mogen toepassen. Daartoe voert hij aan dat geen sprake was van kenbare informatie, dat ten tijde van de aankoop van zijn woning in 1981 de plannen nog onzeker waren en dat hij mocht afgaan op andersluidende informatie.

2.11.1. Wat de voorzienbaarheid van permanente schade betreft, is het - zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 26 september 2001 in zaak no. 200005612/1, AB 2001, 379) - aan te leggen criterium of voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in voor hem ongunstige zin zou veranderen.

2.11.2. De wijziging van de Luchtvaartwet waarbij de verplichting ging gelden om geluidzones vast te stellen, is op 1 oktober 1978 in werking getreden. Vanaf dat moment moest er rekening mee worden gehouden dat er geluidzones rond de luchthaven Schiphol zouden worden vastgesteld rekening houdend met het vierbanenstelsel en met als doel juridisch afdwingbare grenzen te stellen aan de geluidbelasting veroorzaakt door de luchthaven. De grenswaarde voor het geluid dat wordt veroorzaakt door structureel uitgevoerd vliegverkeer dat in de nachtelijke periode toelaatbaar is, is in de Luchtvaartwet gesteld op 26 dB(A)LAeq. Later is in het op de Luchtvaartwet gebaseerde Besluit Geluidsbelasting Grote Luchtvaartterreinen van 15 juli 1981 de grenswaarde voor het geluid dat door al het vliegverkeer tezamen wordt veroorzaakt, vastgesteld op 35 Ke. Uit de kaart, opgenomen in deel a van het Structuurschema Burgerluchtvaartterreinen 1981 (hierna: SSBL), gepubliceerd op 14 november 1979, kan de begrenzing (vorm en omvang) van de geluidzones worden afgeleid. Deze zones komen grotendeels overeen met die op de bij het aanwijzingsbesluit van 1996 behorende kaarten. Vervolgens is op 18 januari 1994 de ontwerp-PKB Schiphol en omgeving (deel 10) ter inzage gelegd, waarin de komst en de ligging van de vijfde baan en de situering van de 35 Ke geluidzone is opgenomen en waaruit derhalve bleek dat de voor het vierbanenstelsel vastgestelde geluidzones en contouren zouden komen te vervallen.

De besliscommissie mocht aan degenen die tussen 14 november 1979 en 18 januari 1994 hun woning hebben gekocht of zijn gaan bewonen, voorzienbaarheid tegenwerpen. Het instellen van de geluidzones en geluidcontouren was vanaf 14 november 1979 op basis van dit openbare stuk voldoende concreet voorzienbaar, zodat er een redelijk handelend koper in ieder geval vanaf die datum aanleiding had om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in een voor hem ongunstige zin zou veranderen in de zin dat zijn woning binnen de 35 Ke-zone zou komen te liggen en hij derhalve rechtens meer geluidoverlast zou moeten dulden dan bewoners van woningen daarbuiten.

De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat de besliscommissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 2], nu hij zijn woning in 1981 heeft gekocht, voorzienbaarheid mocht worden tegengeworpen, zij heeft daarbij eveneens terecht rekening gehouden met de lange duur van de totstandkoming van de zonering door een korting van 50% van het begrote schadebedrag in rekening te brengen.

Anders dan [appellant sub 2] betoogt, volgt uit het vorenstaande dat er sprake was van kenbare informatie ten aanzien van de geluidzones. Dat de desbetreffende geluidzones eerst in 2001 in een bestemmingsplan zouden zijn opgenomen, doet daar niet aan af, reeds omdat de zones ook gelden indien zij niet in een bestemmingsplan worden opgenomen en de voorzienbaarheid ervan kon worden ontleend aan de met ingang van 1 oktober 1978 in de Luchtvaartwet opgenomen verplichting om zones rond de luchthaven Schiphol vast te stellen en op de destijds reeds gepubliceerde kaarten weergegeven zones, die grotendeels overeenkomen met die op de bij het aanwijzingsbesluit van 1996 behorende kaarten.

[appellant sub 2]s betoog dat het in 1981 nog ging om onzekere plannen, treft evenmin doel. Voor zover hij in dit verband doelt op de eventuele uitbreiding van Schiphol met een vijfde baan, is dat niet relevant, omdat het in deze zaak gaat om de aanwijzing van geluidzones voor het bestaande vierbanenstelsel. Voorts is van belang, zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen, onder meer in eerder genoemde uitspraak van 26 september 2001, dat voor het aannemen van risicoaanvaarding niet is vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vast staat. Evenmin is vereist dat de schadeveroorzakende maatregel tot in details is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen geheel nauwkeurig kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van de aankoop van de woning de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat een redelijk denkende en handelende koper bij de beslissing tot aankoop daarmee rekening moest houden. Dat [appellant sub 2] zou zijn afgegaan op andersluidende informatie van een makelaar en van toekomstige buren, komt voor zijn risico en staat niet aan het aannemen van voorzienbaarheid in de weg.

2.12. [appellant sub 2] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat 31 oktober 1996, de datum waarop het aanwijzingsbesluit van kracht is geworden, als ingangsdatum voor de wettelijke rente dient te worden aangenomen en niet 28 april 2004, de datum van ontvangst van het verzoek om vergoeding van nadeel. Hij voert aan dat hij met ingang van 31 oktober 1996 onomkeerbare schade heeft geleden; dat er sprake is van een inbreuk op een eigendomsrecht en de schade per dag toeneemt en dat de besliscommissie een ontmoedigingsbeleid zou hebben gevoerd ten aanzien van burgers die aanspraak menen te maken op vergoeding van schade op grond van het égalitébeginsel.

2.12.1. Dit betoog slaagt niet.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 8 februari 2006 in zaak nr. 200504269/1, wordt de wettelijke rente vergoed met ingang van de datum van ontvangst van het verzoek om nadeelcompensatie, waarbij de wettelijke rente op zijn vroegst begint te lopen op het moment van het onherroepelijk worden van het aanwijzingsbesluit. De besliscommissie kan niet tot vaststelling van een vergoeding overgaan alvorens het op artikel 21 van het aanwijzingsbesluit gebaseerde verzoek is ontvangen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de besliscommissie van deze hoofdregel af had moeten wijken.

In hetgeen [appellant sub 2] in hoger beroep heeft aangevoerd is evenmin grond voor afwijking te vinden. Zijn beroep op artikel 1 van het eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden faalt, reeds omdat aan deze bepaling geen aanspraak op een volledige schadeloosstelling kan worden ontleend, zoals de Afdeling eerder, onder meer bij uitspraak van 6 maart 2002 in zaak nr. 200103345/1 heeft overwogen. Het verloop van de procedure geeft evenmin aanleiding om af te wijken van 28 april 2004 als ingangsdatum voor de wettelijke rente.

2.13. Het hoger beroep van [appellant sub 2] treft geen doel.

2.14. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om de besliscommissie op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar van 24 augustus 2009 te herstellen. De besliscommissie heeft daarbij twee mogelijkheden.

De besliscommissie behoort in beginsel, uitgaande van de uitspraak van 9 april 2008, een aantal typen woningen, zoals onder meer hoekwoningen, tussenwoningen en vrijstaande woningen, in het invloedsgebied van Schiphol maar buiten de geluidzones te selecteren, vaststellen wat de waarde daarvan is geweest op de peildatum en vervolgens vaststellen wat de waarde is geweest van vergelijkbare typen woningen binnen de verschillende zones op de peildatum en vervolgens nagaan of het verschil, mede gelet op het normaal maatschappelijk risico en de voorzienbaarheid voor vergoeding in aanmerking komt.

De besliscommissie kan er ook voor kiezen om, gelet op het door haar reeds verrichte onderzoek naar waardedalingen van woningen als gevolg van geluidsbelasting in het kader van het vijfbanenstelsel, de maatstaf te hanteren dat een toename van 1% Ke geluidbelasting leidt tot 1% waardedaling van een woning. De Afdeling acht het in de rede liggen, nu het in dit geval niet gaat om het toekennen van een vergoeding voor planschade, maar om nadeelcompensatie, hierop een korting van 50% toe te passen wegens normaal maatschappelijk risico. Daarbij overweegt de Afdeling dat bewoners van huizen binnen de invloedssfeer van Schiphol rekening dienen te houden met een toename van geluidbelasting die samenhangt met de groei van de luchthaven, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en de omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien. Voorts kan op het aldus berekende bedrag in de daarvoor in aanmerking komende gevallen een korting wegens voorzienbaarheid worden toepast.

2.15. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding onderscheidenlijk verschuldigdheid van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het bezwaar van [appellant sub 2] opnieuw te beoordelen met inachtneming van hetgeen in 2.14. is overwogen en de uitkomst van deze beoordeling aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010

299.