Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO3433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
201007163/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het wijzigingsplan "1e wijziging ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening van het bestemmingsplan Kom Scherpenisse" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007163/2/R2.

Datum uitspraak: 1 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoekster sub 1] (hierna: handelsonderneming), gevestigd te [plaats], en anderen,

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Tholen,

2. de raad van de gemeente Tholen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het wijzigingsplan "1e wijziging ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening van het bestemmingsplan Kom Scherpenisse" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Handelsonderneming en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2010, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, hebben de Handelsonderneming en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2010, heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 18 oktober 2010, waar de Handelsonderneming en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en bijgestaan door mr. H.E. Goedegebuur, advocaat te Bergen op Zoom, en [verzoeker sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.E. Goedegebuur, advocaat te Bergen op Zoom, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college, vertegenwoordigd door ing. P.A. Quist, werkzaam bij de gemeente, en Castria Wonen, vertegenwoordigd door ing. C.L. van de Wege, werkzaam bij Castria Wonen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Ten aanzien van het plan

2.2. Het plan voorziet in een woonservicecomplex met een gym-/gemeenschapszaal en een dorpshuis en in vijf grondgebonden woningen aan de Laban Deurloostraat.

2.3. [verzoeker sub 2] en de Handelsonderneming en anderen wonen dan wel zijn gevestigd aan de Laban Deurloostraat en richten zich tegen het plandeel dat voorziet in het woonservicecomplex omdat zij voor overlast vrezen. Zij beogen onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plandeel te voorkomen. Hiertoe voeren zij onder meer aan, samengevat weergegeven, dat het plandeel zal leiden tot een aantasting van hun uitzicht, privacy en woongenot. Voorts is het plandeel in strijd met de wijzigingsvoorwaarden vastgesteld en is onvoldoende onderzoek gedaan naar de te verwachten geluidsbelasting op de nabijgelegen woningen, aldus [verzoeker sub 2] en de Handelsonderneming en anderen.

2.4. In paragraaf 3.9 van de plantoelichting is vermeld dat op grond van de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) de aanbevolen richtafstand voor het gezondheidscentrum en voor de horecavoorzieningen in verband met geluidhinder 10 meter is. Voor een sporthal is de aanbevolen richtafstand in verband met geluidhinder 50 meter. Volgens de plantoelichting kan weliswaar niet aan de richtafstand van 50 meter voor een sporthal worden voldaan, maar het plan voorziet ook niet in een sporthal. Een gymnastieklokaal is wat betreft gebruik en omvang niet vergelijkbaar met een sporthal. Door bij de uitwerking van het plan rekening te houden met de verschillende functies, kan voor de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, aldus de plantoelichting.

2.5. De woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] liggen ten oosten van het plandeel dat voorziet in het woonservicecomplex. De kortste afstand tussen deze woningen en het bouwvlak voor het woonservicecomplex is 20 meter.

2.6. De voorzitter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke uitstraling van de geplande gymzaal niet op één lijn is te stellen met de ruimtelijke uitstraling van een sporthal. Het college heeft echter in het geheel niet inzichtelijk gemaakt of de in het plan voorziene afstand van 20 meter tussen de woningen en het bouwvlak voor onder meer de gymzaal voldoende is om ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.

Gelet op het vorenstaande bestaat twijfel of het bestreden besluit op dit punt in de bodemprocedure in stand zal blijven.

2.7. In verband hiermee en gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plandeel, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek in zoverre toe te wijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Gelet hierop kunnen de overige gronden die [verzoeker sub 2] en de Handelsonderneming en anderen tegen het plandeel hebben ingebracht thans buiten bespreking blijven.

Ten aanzien van het niet vaststellen van een exploitatieplan

2.8. Voorts zijn de verzoeken van de Handelsonderneming en anderen en [verzoeker sub 2] gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Zij voeren tevens aan dat hiertoe geen expliciet besluit is genomen.

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden de Handelsonderneming en anderen en [verzoeker sub 2] naar het oordeel van de voorzitter niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende delen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat de Handelsonderneming en anderen en [verzoeker sub 2] geen eigenaars zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van de Handelsonderneming en anderen en [verzoeker sub 2] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, zouden zij in de bodemprocedure evenmin kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van de desbetreffende delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Niet is gebleken van een besluit van de raad omtrent de vaststelling van de desbetreffende delen van een exploitatieplan. Gezien het vorenstaande verwacht de voorzitter echter dat de Handelsonderneming en anderen en [verzoeker sub 2] ook bij het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit niet als belanghebbenden zullen worden aangemerkt.

De voorzitter heeft dan ook de verwachting dat de beroepen van de Handelsonderneming en anderen en [verzoeker sub 2] in zoverre niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

2.9. Gelet hierop dienen de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre te worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

2.10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tholen van 20 april 2010, voor zover daarbij is vastgesteld het plandeel met de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Maatschappelijke Doeleinden (M)" dat ziet op het woonservicecomplex;

II. wijst de verzoeken voor zover die zijn gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan af;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tholen tot vergoeding van bij [verzoekster sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tholen tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tholen aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van

- € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor [verzoekster sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; en

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoeker sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2010

545.