Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
200904786/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk 1471002, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904786/1/R3.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], allen wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 6]), wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],

9. [appellante sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellanten sub 10] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 10]), wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk 1471002, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2009, [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2009, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2009, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2009, [appellante sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, [appellante sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, en [appellant sub 12] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, beroep ingesteld.

[appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 juli 2009. [appellant sub 7] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 21 augustus 2009. [appellant sub 10] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 augustus 2009. [appellant sub 12] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de raad en [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 12], [appellant sub 11], [appellant sub 6], [appellanten sub 5], [appellant sub 10], [appellant sub 4], het college en de raad hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 1], [appellant sub 11] en [belanghebbenden] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2010, waar [appellante sub 1], in persoon, [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door mr. J. de Vries, advocaat te Eindhoven, [appellanten sub 5], in persoon en bijgestaan door S.M.I. Blankers- van Gennip, [appellant sub 6], in persoon en bijgestaan door mr. L. Bultman, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [appellant sub 7], in persoon en bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, [appellante sub 9], in persoon, [appellant sub 10] en [appellant sub 12], in persoon en bijgestaan door mr. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Veghel, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partijen gehoord de raad, vertegenwoordigd door C.M.G. Schoof en ing. M.J.A. Ras, werkzaam bij de gemeente, alsmede S. Jansen, belanghebbende, bijgestaan door mr. L. Bier, advocaat te Vught.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Het plan voorziet in een herziening van de bestemmingsplannen voor het grootste deel van het buitengebied van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het plan heeft grotendeels een conserverend karakter.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goed ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

(Recreatie)woningen

2.3. Bij brief van 7 juli 1999 heeft de wethouder ruimtelijke ordening van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten aan de bewoners van onder meer [locatie 1, 3, en 4] aangekondigd dat voor de ontwikkeling van een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied een inventarisatie plaatsvindt van alle niet-bedrijfsmatige activiteiten en burgerwoningen. Daarbij heeft de wethouder verklaard dat, voor zover bekend, op onder meer voornoemde adressen geen bedrijfsmatige (agrarische) activiteiten plaatsvinden, maar dat de percelen gebruikt worden voor woondoeleinden en dat deze percelen dan ook als zodanig worden bestemd.

2.4. Het plan is gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerp, in die zin dat aan woningen waaraan in het ontwerpplan de aanduiding "recreatiewoning met persoonsgebonden overgangsrecht" was toegekend en waarvoor volgens de raad een schriftelijke toezegging van een lid van het college van burgemeester en wethouders voor een woonbestemming is afgegeven, de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend met de aanduiding "beperkte maatvoering (bm)". Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder a, bezien in samenhang met artikel 8.3.3, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor woningen en mag de inhoud ervan niet meer bedragen dan de inhoud waarvoor op het moment van de vaststelling van het plan bouwvergunning is verleend.

2.5. Het college heeft onder meer goedkeuring onthouden aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woningen [locatie 1, 2, 3, en 4]. Volgens het college is deze bestemming in strijd met het beleid voor de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS), waarin deze woningen zijn gelegen, en is de raad ten onrechte voorbijgegaan aan dit beleid door zich te beroepen op de met de brief van 7 juli 1999 gewekte verwachtingen.

2.6. Volgens het provinciaal beleid in de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling" (hierna: Interimstructuurvisie) moet het buitengebied in hoofdzaak bestemd blijven voor landbouw, natuur en recreatie. De nadere uitwerking van het beleid is neergelegd in de door het college vastgestelde en op 1 juli 2008 in werking getreden Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: Paraplunota). Volgens de Paraplunota is uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag in de EHS alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen en moeten onder zwaarwegende maatschappelijke belangen in dit verband in ieder geval openbare belangen worden verstaan, dus niet uitsluitend of overwegend particuliere belangen. Voorts moet voorkomen worden dat recreatiewoningen permanent bewoond worden en is medewerking aan de omzetting van een recreatiewoning in een burgerwoning alleen aan de orde als deze in een woonwijk ligt of wordt opgenomen, aldus de Paraplunota.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.7. [appellant sub 3] richt zich in beroep tegen de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 2] en voert daartoe aan dat reeds in het vorige bestemmingsplan aan het perceel een woonbestemming was toegekend. Gelet hierop heeft het college zich in zijn verweerschrift bij nader inzien op het standpunt gesteld dat het plandeel voor de woning [locatie 2] alsnog voor goedkeuring in aanmerking komt. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 2].

2.7.1. Nu tegen het voornoemde plandeel geen bedenkingen zijn ingebracht, zodat niet is gebleken van belangen van derden die aan de goedkeuring van het in geding zijnde plandeel in de weg staan, ziet de Afdeling aanleiding alsnog goedkeuring te verlenen aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor het perceel [locatie 2].

De beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellante sub 9]

2.8. [appellant sub 6], eigenaar van de woning [locatie 3], [appellant sub 7], eigenaar van de woning [locatie 4], en [appellante sub 9], eigenaar van de woning [locatie 1], betogen dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan de bestemming "Woondoeleinden" voor hun woningen. In dit verband betogen zij dat het college ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat hen vanwege de wethouder ruimtelijke ordening in de brief van 7 juli 1999 is toegezegd dat het bestaande gebruik als burgerwoning als zodanig wordt bestemd.

[appellant sub 6] voert aan dat hij schade lijdt door de onthouding van goedkeuring nu hij op basis van de toezegging investeringen heeft gedaan in de woning. Hij betoogt verder dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In dit verband voert hij aan dat de woning [locatie 5] ook in de EHS ligt en aan de desbetreffende woonbestemming wel goedkeuring is verleend. Daarnaast is goedkeuring verleend aan woonbestemmingen voor voormalige recreatiewoningen op aangrenzend grondgebied in de naburige gemeente Laarbeek.

[appellant sub 7] stelt voorts dat de ruimtelijke gevolgen van een recreatiewoning groter zijn dan in geval van gebruik voor permanente bewoning.

[appellante sub 9] voert aan dat zij door de onthouding van goedkeuring aan de woonbestemming financiële en emotionele schade lijdt. De waarde van de woning zal bij verkoop ervan lager zijn indien er geen woonbestemming op rust. Daarnaast geeft de juridische status van de woning de nodige onrust en onzekerheid, aldus [appellante sub 9].

2.8.1. Daargelaten of de verklaring van de wethouder ruimtelijke ordening in de brief van 7 juli 1999 de gestelde gerechtvaardigde verwachtingen heeft kunnen doen ontstaan en of deze kunnen worden toegerekend aan de raad als het ter zake beslissingsbevoegde bestuursorgaan, is het college hier niet aan gebonden bij de uitoefening van zijn taak in het kader van de goedkeuring van het plan. Dit doet er niet aan af dat het college de verklaring als een belang dient af te wegen bij het goedkeuringsbesluit. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarbij, met het oog op het algemeen belang van het behoud en de versterking van de ter plaatse aanwezige natuurwaarden, in redelijkheid kunnen vasthouden aan het beleid voor de EHS en heeft het derhalve in de particuliere belangen van [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellante sub 9] bij de mogelijkheid van permanente bewoning van hun als recreatiewoning vergunde woningen, in redelijkheid geen aanleiding gezien om af te wijken van zijn beleid voor de EHS. Gelet hierop behoefde het college evenmin overwegende betekenis toe te kennen aan de door [appellant sub 6] gestelde schade die hij beweerdelijk heeft geleden doordat hij op basis van de verklaring heeft gehandeld.

2.8.2. Ten aanzien van de door [appellant sub 6] gemaakte vergelijking met [locatie 5] heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor deze woning een bouwvergunning voor een burgerwoning is verleend. Wat betreft de woningen in de gemeente Laarbeek hebben het college en de raad verklaard dat daarvoor reeds in het bestemmingsplan uit 1977 een woonbestemming was opgenomen en dat ten tijde van de goedkeuring van dat bestemmingsplan het beleid ten aanzien van de EHS nog niet bestond. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant sub 6] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situaties. Dit betoog faalt derhalve.

2.8.3. Voorts heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke gevolgen van het gebruik voor permanente bewoning beperkter zijn dan van het gebruik als recreatiewoning, nu een permanente woonsituatie in het algemeen een intensiever gebruik met zich brengt. Dat [appellant sub 7] een relatief minder intensief gebruik van het woonperceel voorstaat, is in dit verband niet relevant, nu de bestemming van de woning niet een persoonsgebonden karakter draagt.

2.8.4. Ten slotte ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 9] onaanvaardbare emotionele en financiële schade lijdt als gevolg van de onthouding van goedkeuring, nu bouwvergunning is verleend voor een recreatiewoning en haar woning in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan in gebruik is genomen voor permanente bewoning. Het bestreden besluit brengt derhalve geen verandering in de juridische status van de woning.

2.8.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellante sub 9] hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" voor de percelen [locatie 3], 49b en 45 in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellante sub 9] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.9. [appellante sub 1] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" en de aanduiding "recreatiewoning" voor het perceel [locatie 11]. Zij betoogt gerechtvaardigde verwachtingen te hebben ontleend aan de brief van 21 januari 2000 van de wethouder ruimtelijke ordening waarin staat dat het voornemen bestaat de recreatiewoning als burgerwoning te bestemmen in het nieuwe bestemmingsplan. Daarnaast is volgens haar in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel voor zover een woonbestemming is toegekend aan vakantiewoningen in de omgeving. Ten slotte acht zij het onrechtvaardig dat recreatiewoningen die, anders dan haar recreatiewoning, in strijd met het vorige bestemmingsplan permanent zijn bewoond, in het plan een woonbestemming hebben gekregen.

2.9.1. Ter zitting heeft de raad verklaard dat per abuis, in afwijking van een door de raad aangenomen amendement, geen woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 11]. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met dit zorgvuldigheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 Awb.

Het beroep van [appellante sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" en de aanduiding "recreatiewoning" voor het perceel [locatie 11]. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellante sub 1] geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.10. [appellant sub 4] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" voor het perceel [locatie 6], voor zover daaraan niet tevens de aanduiding "recreatiewoning" is toegekend.

Ten eerste betoogt [appellant sub 4] dat het plan op dit punt ten onrechte gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerp, waarin voor het perceel de aanduiding "recreatiewoning" was opgenomen, nu hij daardoor niet de gelegenheid heeft gehad om een zienswijze naar voren te brengen.

Voorts voert hij aan dat de woning historische waarde heeft omdat deze in de jaren 40 van de vorige eeuw als schuilobject is gebouwd. Gelet hierop kan hem niet worden tegengeworpen dat voor de woning geen bouwvergunning is verleend en dat deze in strijd is met het later gevormde beleid voor de EHS.

Verder voert [appellant sub 4] aan dat andere woningen in de straat die ook in de EHS liggen, wel de aanduiding "recreatiewoning" hebben gekregen.

Daarnaast betoogt [appellant sub 4] dat het college heeft miskend dat de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de woning als recreatiewoning bestemd zou worden. In dit verband voert hij aan dat de woning is erkend doordat deze een huisnummer heeft gekregen, dat aanslagen voor onroerende zaaksbelasting zijn opgelegd, dat een zogenoemde milieupas is ontvangen, dat een rioolaansluiting is gerealiseerd, dat het waterschap heffingen heeft gelegd op de woning, dat de vijver van het pand is aangeduid op een kaart van Staatsbosbeheer, dat op wegbewijzering naar het adres [locatie 6] wordt verwezen, dat aan een vorige bewoner een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend en dat nooit handhavend is opgetreden tegen de recreatiewoning.

Tot slot voert [appellant sub 4] aan dat de woning wederom onder het overgangsrecht is gebracht.

2.10.1. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de woning is gelegen in de EHS, waarin op grond van dat beleid recreatiewoningen ongewenst worden geacht. Voorts acht het college, in navolging van de raad, van belang dat de woning is gebouwd en verbouwd alsmede bijgebouwen zijn opgericht zonder de daartoe vereiste bouwvergunningen en dat de woning niet was toegelaten op basis van het vorige bestemmingsplan. Verder brengt de raad naar voren dat de gemeentelijke monumentencommissie heeft geconcludeerd dat het bouwwerk geen monumentale waarde heeft.

2.10.2. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Dit betoog faalt.

2.10.3. Volgens de Paraplunota zijn de ruimtelijke mogelijkheden voor nieuwbouw van recreatiewoningen gelijk aan de mogelijkheden voor nieuwbouw van woningen in het buitengebied, in die zin dat de bouw van een recreatiewoning alleen toelaatbaar is als op die plaats ook een reguliere woning kan worden gebouwd. Het college werkt niet mee aan de komst van solitair gelegen recreatiewoningen, tenzij dit nodig is voor het behoud van karakteristieke gebouwen of om vorm te geven aan het recreatiemilieu "einde van de wereld", waarbij het gaat om de mogelijkheid om in betrekkelijke afzondering rust, ruimte natuur en landschap te ervaren. Bij dit laatste moet worden gedacht aan de omzetting van een afgelegen voormalige boerderij, een boswachterswoning of een dijkhuisje in een recreatiewoning, aldus de Paraplunota.

Gelet op het oordeel van de gemeentelijke monumentencommissie heeft [appellant sub 4] met de enkele stelling dat de woning historische waarde heeft, niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor genoemde uitzondering in de Paraplunota op zijn woning van toepassing is.

2.10.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met andere woningen in de straat die wel de aanduiding "recreatiewoning" hebben gekregen, heeft de raad ter zitting verklaard dat alleen de woningen [locatie 7 en 8] gelijke gevallen betreffen, nu die evenmin met bouwvergunning zijn gebouwd en ook in de EHS liggen. Aan deze twee woningen is niet de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. Voor de overige door [appellant sub 4] genoemde woningen zijn bouwvergunningen verleend. Alleen aan deze woningen is de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college heeft miskend dat het plan op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

2.10.5. Voorts kunnen aan de door [appellant sub 4] gestelde omstandigheden geen gerechtvaardigde verwachtingen worden ontleend met betrekking tot het planologische regime dat op de desbetreffende bebouwing van toepassing zal worden. Anders dan [appellant sub 4] ter zitting heeft betoogd, brengt een persoonsgebonden gedoogbeschikking niet met zich dat het gebruik als recreatiewoning is toegelaten in planologische zin.

2.10.6. In het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied" (1974) was aan het perceel van de woning [locatie 6] de bestemming "Bosgebied A" toegekend, op basis waarvan het gebruik van bouwwerken voor permanente of tijdelijke bewoning was verboden. Niet in geschil is dat het gebruik van de woning is aangevangen vóór het van kracht worden van dat plan. Gelet hierop mocht het gebruik als recreatiewoning ingevolge de gebruiksovergangsbepaling in paragraaf IV, artikel 5, onder b, van de planvoorschriften worden gehandhaafd. Het gebruik als recreatiewoning was derhalve niet uitgesloten van het overgangsrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 35.2.1 van de voorschriften van het voorliggende plan is het gebruik van de recreatiewoning thans evenmin uitgesloten van het overgangsrecht, nu het geen gebruik betreft dat eerst een aanvang heeft genomen na het verkrijgen van rechtskracht van het vorige bestemmingsplan.

Het gebruik van de recreatiewoning is derhalve wederom onder het overgangsrecht gebracht. De keuze voor deze regeling is aanvaardbaar indien aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dienaangaande is ter zitting gebleken dat [appellant sub 4] in 2009 een brief van het gemeentebestuur heeft ontvangen waarin hem is medegedeeld dat handhavend zal worden opgetreden tegen bouwwerken in het buitengebied die zonder bouwvergunning zijn opgericht. Daarbij is vanwege de raad toegelicht dat de brief een vooraankondiging betreft en dat in de komende planperiode handhavend zal worden opgetreden. Hiermee heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de recreatiewoning binnen de planperiode zal worden beëindigd. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het gebruik ervan ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht.

2.10.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" voor het perceel [locatie 6] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.11. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" onderscheidenlijk "Agrarisch gebied met abiotische waarden" met de aanduiding "beschermingszone natte natuurparel" voor zijn percelen achter zijn bedrijfsperceel aan de [locatie 9] te [plaats], grenzend aan het [bedrijventerrein]. Volgens hem is in het plan ten onrechte geen bedrijfsbestemming toegekend aan deze gronden.

[appellant sub 2] betoogt dat de percelen in het provinciaal beleid ten onrechte zijn aangemerkt als onderdeel van de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS) en de beschermingzone natte natuurparel. Voorts voert hij aan dat de ligging in de GHS en de beschermingszone natte natuurparel niet in de weg heeft gestaan aan de realisatie van het industrieterrein Molenkamp enkele jaren geleden. Ten slotte is het college met de raad eraan voorbijgegaan dat behoefte bestaat aan uitbreiding van het [bedrijventerrein], aldus [appellant sub 2].

2.11.1. Blijkens het deskundigenbericht is het westelijk gelegen perceel van de in geding zijnde percelen van [appellant sub 2] grotendeels gelegen in de GHS. Dat perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische waarden" toegekend gekregen. [appellant sub 2] heeft zijn standpunt dat bedoeld perceel ten onrechte is aangemerkt als onderdeel van de GHS niet onderbouwd. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadere begrenzing van de GHS, zoals die op dit punt in het plan is vastgelegd, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Voorts zijn beide in geding zijnde percelen volgens het Uitwerkingsplan Zuidoost Brabant gelegen in het zogenoemde landschappelijk raamwerk, specifiek aangeduid voor beekdalsysteemontwikkeling, ten aanzien waarvan het beleid is gericht op het tegengaan van verdere uitbreiding van het stedelijk gebied.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling met het college geen aanleiding om het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten, nu de vastgestelde bestemmingen in overeenstemming zijn met het voornoemde provinciaal beleid, dat zich reeds tegen de gewenste bedrijfsbestemming verzet. Hetgeen [appellant sub 2] met betrekking tot de beschermingszone natte natuurparel heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

Voor zover [appellant sub 2] beoogt te betogen dat het college van voornoemd beleid had moeten afwijken, is de Afdeling van oordeel dat daartoe geen aanleiding bestond, nu [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het nabijgelegen bedrijventerrein, anders dan de raad heeft verklaard, onvoldoende vestigingsmogelijkheden biedt.

2.11.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voornoemde plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 5]

2.12. Het beroep van [appellanten sub 5] is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor het perceel Laar 76 te Nuenen. Het plan is ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld, in die zin dat een achterliggende strook grond van het perceel Laar 76 en een stuk grond waar de woning op staat - evenals het merendeel van dat perceel - de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" toegekend hebben gekregen. [appellanten sub 5] hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

2.12.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een over het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheden doen zich niet voor wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping", zoals dat reeds was opgenomen in het ontwerpplan.

Het beroep van [appellanten sub 5] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.13. Het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ontvankelijk, richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel zoals dat gewijzigd is vastgesteld met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor de achterliggende strook grond van het perceel Laar 76. Zij betogen dat het college heeft miskend dat de te realiseren paardenstal en het koetshuis leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege stankoverlast en verminderd uitzicht. Verder vrezen zij dat de verkeersveiligheid ter plaatse in het gedrang komt als gevolg van het verkeer met paarden en koetsen van en naar de camping.

2.13.1. Het college verwijst voor zijn standpunt naar de bij besluit van 2 april 2009 op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan en de daartoe verleende verklaring van geen bezwaar voor onder meer de oprichting van een minicamping inclusief het (ver)bouwen van een koetshuis en een paardenstal. Voorts wijst het college erop dat het plan voorziet in de inpassing van hetgeen met het vrijstellingsbesluit is toegelaten.

2.13.2. Ingevolge artikel 10.1 van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Recreatieve en horecadoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor recreatieve voorzieningen en horecabedrijven overeenkomstig de aanduiding zoals opgenomen in de Staat van recreatieve en horecavoorzieningen in artikel 10.2.1, een en ander met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 10.3.1 mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van recreatieve voorzieningen passende bij de in de Staat van recreatieve en horecavoorzieningen opgenomen specifieke aanduiding.

2.13.3. Uit de plankaart bezien in samenhang met voornoemde Staat volgt dat op het perceel Laar 76 een minicamping is toegelaten. Ter zitting is van de zijde van de raad verklaard dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO een minicamping betrof voor kampeerders die aankomen en vertrekken met paarden en koetsen. Het is volgens de raad de bedoeling geweest om de met deze vrijstelling mogelijk gemaakte bebouwing en het gebruik als minicamping in het plan op te nemen. In het plan zijn de begrippen 'minicamping' en 'recreatieve voorzieningen' echter niet gedefinieerd, zodat voor de uitleg daarvan dient te worden aangesloten bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen een paardenstal en een koetshuis volgens het algemeen spraakgebruik niet worden begrepen onder bouwwerken ten behoeve van recreatieve voorzieningen passend bij een minicamping. Dit betekent dat - anders dan [appellanten sub 5], de raad en het college veronderstellen - de door [appellanten sub 5] bestreden bouwwerken op grond van het voorliggende plan niet zijn toegestaan. Het beroep van [appellanten sub 5] mist dan ook feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 8]

2.14. [appellante sub 8] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan artikel 8.6.8 van de planvoorschriften, op basis waarvan vrijstelling van de planvoorschriften kan worden verleend voor de uitoefening van kleinschalige horeca-activiteiten op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden". Zij betoogt dat in deze bepaling ten onrechte geen objectieve criteria zijn opgenomen ter voorkoming van nadelige gevolgen voor de horeca in Nederwetten ten gevolge van het toestaan van horeca-activiteiten aan de directe toegangswegen en op kleine afstand van het dorpscentrum.

2.14.1. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de bezwaren van [appellante sub 8] zien op het voorkomen of beperken van concurrentie, hetgeen geen ruimtelijk relevant aspect is. Gelet op de in de planvoorschriften genoemde voorwaarden kan volgens het college geen sprake zijn van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

2.14.2. Ingevolge artikel 8.5.1 van de planvoorschriften is het verboden de in dit artikel bedoelde gronden met de bestemming "Woondoeleinden" en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming.

Ingevolge artikel 8.6.8 kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in 8.5.1 teneinde binnen een bestaande woning en/of bestaande bijgebouwen en/of een bijbehorend perceel de uitoefening van kleinschalige horeca-activiteiten toe te staan, waarbij onder kleinschalige horeca-activiteiten wordt verstaan: de verkoop van ter plaatse te nuttigen uitsluitend niet-alcoholische dranken, verpakt ijs en koek, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren dient tevens de bewoner van de betreffende woning te zijn;

b. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;

c. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;

d. de activiteit mag niet vergunningplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn;

e. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit;

f. de vloeroppervlakte ten behoeve van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m²;

g. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden tussen 9.00 uur en 19.00 uur;

h. ter plaatse mogen geen etenswaren worden bereid.

2.14.3. Niet in geschil is dat het voorkomen of beperken van concurrentie niet ruimtelijk relevant is. Slechts in geval zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, is plaats om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter zake regulerend op te treden. Voor zover [appellante sub 8] heeft beoogd dit te betogen, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het toelaten van voornoemde kleinschalige horeca-activiteiten op basis van de in artikel 8.6.8 van de planvoorschriften genoemde criteria geen duurzame ontwrichting van het voorzieningniveau met zich zal brengen. Of het toestaan van horeca-activiteiten aan de directe toegangswegen en op kleine afstand van het dorpscentrum nadelige gevolgen heeft voor de horeca in Nederwetten is hierbij op zichzelf niet doorslaggevend.

2.14.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 8] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 8] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 12]

2.15. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 13 van de planvoorschriften met betrekking tot de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken", omdat daarin volgens hem ten onrechte geen gebruiksbepalingen zijn opgenomen. Verder zijn de natuurwaarden volgens het college onvoldoende beschermd, in verband waarmee het college het aanlegvergunningenstelsel als bedoeld in artikel 12.6 van de planvoorschriften van overeenkomstige toepassing heeft verklaard op onder meer het gebied Hooidonk.

2.15.1. [appellant sub 10] en [appellant sub 12] betogen dat de afspraken met de omwonenden van de watermolen in het gebied Hooidonk over het toestaan van een detailhandel- en horecafunctie, zoals (deels) neergelegd in artikel 13.2.2 van de voorschriften, niet worden nagekomen. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat volgens hen ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk, terwijl goedkeuring is onthouden aan artikel 13 van de planvoorschriften.

2.15.2. Zoals ter zitting naar voren is gekomen, heeft het college beoogd aan het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk goedkeuring te onthouden, althans dat het plan voor dat deel niet in werking zou treden en de bestemming in het voorheen geldende plan zou blijven gelden. Door alleen goedkeuring te onthouden aan bedoeld planvoorschrift en niet aan het desbetreffende deel van de plankaart is dit plandeel echter in werking getreden, zonder enig bijbehorend voorschrift omtrent het toegelaten gebruik. Dit betekent dat de gedeeltelijke inwerkingtreding van het plan niet strookt met de aard en inhoud van het plan.

2.15.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10] en [appellant sub 12] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 10:29, eerste lid, van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 12] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk, dient te worden vernietigd. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 11]

2.16. [appellant sub 11] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" onderscheidenlijk "Bos en Natuur" en "Woondoeleinden" voor zijn gronden op het perceel Nieuwe Dijk 7c te Nuenen. [appellant sub 11] betoogt dat voor deze gronden ten onrechte niet een agrarisch bouwblok ter grootte van 10.800 m² zoals in het voorheen geldende bestemmingsplan is opgenomen. Volgens hem heeft het college ten onrechte in navolging van de raad bij zijn besluit betrokken dat het bouwblok zou komen te vervallen in ruil voor een subsidie voor het slopen van de voormalige varkensstallen. Voorts betoogt hij dat de nog aanwezige paardenstal, mestsilo en schuur als zodanig hadden moeten worden bestemd.

2.16.1. In het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied" (1974) was aan de in geding zijnde gronden van [appellant sub 11] de bestemming "Agrarische doeleinden C" toegekend, waarmee een agrarisch bouwblok van 10.800 m² was toegekend. Niet in geschil is dat [appellant sub 11] in 1999 met een subsidie op basis van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse heeft beëindigd en sindsdien geen agrarisch bedrijf ter plaatse heeft gevestigd. Nu [appellant sub 11] onweersproken geen concrete plannen heeft om ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf op te richten, is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemmingen die geen agrarisch bedrijf met bouwwerken toestaan.

2.16.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

Proceskosten

2.17. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 10] en [appellant sub 12] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 3] en [appellante sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overigen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 5], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor het perceel Laar 76 te Nuenen, zoals dat reeds was opgenomen in het ontwerpplan, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 10] en [appellant sub 12] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 mei 2009, kenmerk 1471002,

1. voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 2];

2. voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

- het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" en de aanduiding "recreatiewoning" voor het perceel [locatie 11];

- het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk;

IV. verleent goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 2];

V. onthoudt goedkeuring aan:

- het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" en de aanduiding "recreatiewoning" voor het perceel [locatie 11];

- het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak, voor zover het betreft het onder IV. en V. genoemde, in de plaats treedt van het besluit van 26 mei 2009;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 11] geheel en het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 12] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 10] en [appellant sub 12] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellante sub 1], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 10] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 12] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Heijden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

516-661-662.