Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201001388/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2009:BK9231, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het college aan Deventer Luchtvaartclub - Modelvliegsport (hierna: DLM) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het gebruik van het weiland ten zuiden van de Kleistraat 36 te Olst-Wijhe (hierna: het weiland) voor het vliegen met ongemotoriseerde en gemotoriseerde modelvliegtuigen en modelhelikopters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3719
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001388/1/H1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 december 2009 in zaak nr. 09/411 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het college aan Deventer Luchtvaartclub - Modelvliegsport (hierna: DLM) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het gebruik van het weiland ten zuiden van de Kleistraat 36 te Olst-Wijhe (hierna: het weiland) voor het vliegen met ongemotoriseerde en gemotoriseerde modelvliegtuigen en modelhelikopters.

Bij uitspraak van 29 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 maart 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft DLM een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. Martens, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Kuiper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting DLM, vertegenwoordigd door haar [voorzitter] en G.J. Schutter, bijgestaan door mr. R.A. van Huussen, advocaat te Veenendaal, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet in de legalisering van het bestaande gebruik van het weiland voor het vliegen met ongemotoriseerde en gemotoriseerde modelvliegtuigen en modelhelikopters.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Olst" rust op het weiland de bestemming "Agrarisch gebied A". Het gebruik van het weiland ten behoeve van het vliegen met modelvliegtuigen en modelhelikopters is daarmee in strijd. Gelet daarop heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor dat gebruik vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Bij besluit van 27 februari 2006 heeft de raad van Olst-Wijhe deze vrijstellingsbevoegdheid gedelegeerd aan het college.

2.4. [appellant] betoogt onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing van het project niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Hij voert daartoe aan dat in de ruimtelijke onderbouwing als neergelegd in de nota "Ruimtelijke onderbouwing" onvoldoende is gemotiveerd waarom het gebruik waarvoor vrijstelling is verleend past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

2.4.1. Dit betoog slaagt. In de ruimtelijke onderbouwing is, onder verwijzing naar de door de raad van Olst-Wijhe bij besluit van 24 november 2008 vastgestelde "Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied", vermeld dat het bestreden gebruik past binnen de toekomstige bestemming van het buitengebied waarin het weiland is gelegen, nu bij de herziening van het bestemmingsplan aan het weiland een passende dubbelbestemming wordt gegeven op basis van de verleende vrijstelling. De verleende vrijstelling maakt echter een onbeperkt gebruik van het weiland voor de gemotoriseerde modelvliegsport mogelijk. Daarbij kan sprake zijn van zodanige geluidoverlast dat de inbreuk van dat gebruik op de agrarische bestemming van het perceel ingrijpend moet worden geacht. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt onvoldoende dat het college dit aspect heeft meegewogen. Dat bij besluit van 29 april 2008 een vergunning als bedoeld in de wet Milieubeheer is verleend voor een beperkt gebruik van het weiland voor het vliegen met gemotoriseerde modelvliegtuigen, maakt dat niet anders, nu het verzoek om vrijstelling bepalend is bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van het project. Desgevraagd heeft het college ter zitting verklaard dat ook in het ontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied geen randvoorwaarden inzake een gebruik van het weiland voor de modelvliegsport zijn voorzien.

Onder vorenvermelde omstandigheden voldoet de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Gelet hierop wordt niet meer toegekomen aan de beoordeling van de overige hoger beroepsgronden van [appellant].

2.5. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 9 februari 2009 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 december 2009 in zaak nr. 09/411;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe van 9 februari 2009, kenmerk 0907-1-RU-AR;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

357-543.