Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201001153/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BL1170, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft het college aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van drie appartementencomplexen en een toegangspoort op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/274 met annotatie van M.A. HeldewegHeldewegM.A
JIN 2011/128
JIN 2011/167 met annotatie van Heldeweg
Module Ruimtelijke ordening 2010/1991 met annotatie van R. Sieben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001153/1/H1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Laren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2009 in zaak nrs. 08/4661 en 08/4669 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [wederpartij sub 2 A], [wederpartij sub 2 B], [wederpartij sub 2 C], [wederpartij sub 2 D], [wederpartij sub 2 E], [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], allen wonend te [woonplaats], en de erven van [wederpartij sub 2 H],

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft het college aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van drie appartementencomplexen en een toegangspoort op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 18 december 2009, verzonden op 21 december 2009, heeft de rechtbank de door [wederpartij sub 2 B] en [wederpartij sub 2 E] daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard, de door [wederpartij sub 2 A], [wederpartij sub 2 C], [wederpartij sub 2 D], [wederpartij sub 2 F], [wederpartij sub 2 G] en de erven van [wederpartij sub 2 H] (hierna: [wederpartij sub 2 A] en anderen) en [wederpartij sub 1] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 15 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2010, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college en [wederpartij sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2 A] en anderen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2010, waar [appellant sub 1] bijgestaan door mr. A.G.J. van Wassenaer en mr. L.P.B. Mensink, advocaten te Amsterdam, en ir. M.J. Crol-De Groot, werkzaam bij Abacus Vastgoed B.V., het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartij sub 1], bijgestaan door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, en [wederpartij sub 2 A] en anderen, in persoon van [wederpartij sub 2 A], ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van drie appartementengebouwen met in totaal vijftien woningen, ondergrondse parkeergarages en een toegangspoort.

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en de erven van [wederpartij sub 2 H] wegens het ontbreken van zicht op de bouwwerken na realisering van het bouwplan, niet als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen worden aangemerkt.

Het college betoogt dat de rechtbank [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G] ten onrechte als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb heeft aangemerkt. Het college voert daartoe aan dat [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G] op grote afstand van de plaats van de voorziene gebouwen wonen en bovendien geen zicht zullen hebben op deze gebouwen na realisering daarvan.

2.2.1. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

2.2.2. De percelen van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2 H] grenzen aan het perceel waarop de appartementengebouwen zijn voorzien. De afstand van de woning van [wederpartij sub 1] tot het middelste van de drie appartementengebouwen bedraagt ongeveer 61 m. De woning van [wederpartij sub 2 H] ligt ongeveer 47 m van het dichtst bij zijn perceel voorziene appartementengebouw. Het perceel van [wederpartij sub 2 A] is ook in de onmiddellijke nabijheid van het bouwperceel gelegen en de afstand van zijn woning tot het zuidelijkst gelegen appartementengebouw bedraagt ongeveer 77 m. Gelet op deze afstand bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en de erven van [wederpartij sub 2 H] ten onrechte belanghebbend heeft geacht.

2.2.3. De woningen van [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], [wederpartij sub 2 D] en [wederpartij sub 2 C] liggen op meer dan 100 m afstand van de plaats van de voorziene appartementengebouwen. Het betreft een bosrijke omgeving. Niet aannemelijk is geworden dat na realisering van het bouwplan zicht bestaat op de appartementengebouwen. De percelen waarop de appartementengebouwen worden gerealiseerd, worden ontsloten door de Rijksweg West. Nu, mede gelet hierop, voorts niet valt te verwachten dat de appartementengebouwen een zodanige ruimtelijke uitstraling hebben dat op grond daarvan belanghebbendheid moet worden aangenomen, heeft de rechtbank ten onrechte het beroep, voor zover ingediend door [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], [wederpartij sub 2 D] en [wederpartij sub 2 C], ontvankelijk geacht.

2.3. Eerst in hoger beroep heeft [wederpartij sub 1] aangevoerd dat ten behoeve van het bouwplan ten onrechte geen milieueffectrapportage is verricht. De rechtbank heeft geen oordeel kunnen geven over dit betoog. Reeds omdat het hoger beroep gericht is tegen de aangevallen uitspraak, geen reden bestaat om aan te nemen dat [wederpartij sub 1] dit niet bij de rechtbank heeft kunnen aanvoeren en hij dit, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Rijksweg 2000" hebben de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemmingen "Woningen", "Tuin" en "Erf".

Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften zijn de als "Woningen" aangegeven gronden bestemd voor woondoeleinden.

Ingevolge artikel 3.3, aanhef en onder a, mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de aanduidingen op de plankaart en mag ten hoogste één woning worden gebouwd voor zover geen nadere aanduiding voorkomt.

Ingevolge artikel 4, zijn de op de plankaart als "Erf"aangegeven gronden bestemd voor erf bij woningen op hetzelfde bouwperceel.

Ingevolge artikel 4.2, aanhef en onder a, mogen de volgens de plankaart als "Erf" bestemde gronden worden gebruikt voor aan- en uitbouwen van de op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.

Ingevolge artikel 5.1 zijn de op de plankaart als "Tuin" aangegeven gronden bestemd voor tuin bij gebouwen op hetzelfde bouwperceel.

Ingevolge artikel 5.2, aanhef en onder b, mogen de op de plankaart als "Tuin" bestemde gronden worden gebruikt voor aan- en uitbouwen van gebouwen zoals erkers.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het tweede lid kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.5. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan en om het bouwplan toch mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de door de gemeenteraad van Laren vastgestelde "Ruimtelijke Structuurvisie 2008-2023" (hierna: de Structuurvisie 2008-2023) en de daaraan voorafgaande "Ruimtelijke Structuurvisie 2015" (hierna: Structuurvisie 2015). Verder wordt volgens het college voldaan aan de randvoorwaarden van hoofdstuk II van de door hem op 4 januari 2001 vastgestelde "Beleidsnota artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de Beleidsnota).

2.6. [appellant sub 1] en het college betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in strijd met de Beleidsnota vrijstelling heeft verleend, heeft miskend dat terecht aan de Structuurvisie 2015 en Structuurvisie 2008-2023 is getoetst. Zij voeren daartoe aan dat de Structuurvisie 2008-2023, met daarin specifieke op het bouwplan betrekking hebbende voorwaarden, recenter is vastgesteld dan de Beleidsnota, hetgeen tot gevolg heeft dat aan de algemene beleidsregels uit de Beleidsnota, voor zover het bouwplan zich daar niet mee verdraagt, geen betekenis toekomt.

[appellant sub 1] en het college betogen dat de rechtbank vervolgens ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het besluit om al dan niet vrijstelling te verlenen het aanwenden van een discretionaire bevoegdheid betreft. [appellant sub 1] heeft verder aangevoerd dat de rechtbank het voor het college onmogelijk heeft gemaakt alsnog een nieuw besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning te nemen.

2.6.1. De betogen slagen. Ten tijde van het besluit tot vergunningverlening was de Structuurvisie 2008-2023 in werking getreden. Als bijlage 1 is daarin opgenomen bijlage 7, zoals vastgesteld op 19 december 2007, van de Structuurvisie 2015. Eveneens gold ten tijde van dat besluit de Beleidsnota. Naar het college ter zitting heeft verklaard, hanteert het de Structuurvisies 2015 en 2008-2023 als ware het door hem zelf vastgestelde beleidregels. Dat het college de Structuurvisies niet zelf als beleidsregels heeft vastgesteld, betekent niet dat het deze niet als vaste gedragslijn heeft kunnen hanteren. Voorts heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat voor zover de Beleidsnota, die overigens inmiddels is ingetrokken, niet met de Structuurvisies in overeenstemming is, deze toepassing mist. Daarbij is van belang dat de Structuurvisies van recentere datum zijn dan de Beleidsnota en dat in de Beleidsnota de gedachte is neergelegd dat als een bouwplan in overeenstemming is met een gemeentelijk ruimtelijk plan, zoals een door de Raad vastgestelde Structuurvisie, daarvoor in beginsel vrijstelling kan worden verleend. Vastgesteld wordt daarnaast dat het thans van belang zijnde beleid, neergelegd in de Structuurvisies, gedetailleerder van aard is dan het beleid, neergelegd in de Beleidsnota. Geen grond bestaat dan ook voor het oordeel dat het college in de omstandigheid dat de Structuurvisies en de Beleidsnota niet op thans van belang zijnde punten overeenkomen, de bouwaanvraag niet aan de Structuurvisies heeft mogen toetsen. Gelet op het vorenstaande bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het college het bouwplan uitsluitend aan de Beleidsnota had dienen te toetsen en vervolgens wegens strijd daarmee had moeten weigeren, nu geen aanleiding bestond daarvan af te wijken. Voor het in de plaats van het besluit laten treden van de rechtbankuitspraak, waarmee kennelijk is beoogd alsnog de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te weigeren, bestond geen grond. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat deze in de plaats treedt van het besluit van 15 oktober 2008.

2.8. De Afdeling zal alsnog de (overige) bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, waaraan de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.9. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] betogen in beroep tevergeefs dat het college onbevoegd vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft verleend, omdat volgens hen de projectlocatie deels is gesitueerd binnen het in het streekplan Noord-Holland-Zuid als ecologische hoofdstructuur aangeduide gebied en het streekplan zich tegen de oprichting van bebouwing daarin verzet.

Niet in geschil is dat het tot het perceel [locatie] behorende perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], binnen het als zodanig in het streekplan aangeduide gebied ligt. De realisering van het bouwplan heeft echter geen gevolgen voor dit perceel. De voorziene appartementengebouwen en bijbehorende voorzieningen worden op andere kadastrale percelen gebouwd. Weliswaar wordt dit perceel genoemd in het besluit tot vergunningverlening, maar daaraan komt in dit verband geen betekenis toe. Geen grond bestaat dan ook voor het oordeel dat het college wegens strijd met het streekplan onbevoegd was ten behoeve van het bouwplan vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.10. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] voeren aan dat vrijstelling is verleend in strijd met de Structuurvisie 2015, nu deze uitsluitend de ombouw van bestaande woningen in appartementen mogelijk maakt. Daarnaast worden per appartementengebouw vijf appartementen gerealiseerd, terwijl volgens de Structuurvisie 2015 niet meer dan vier woningen zijn toegestaan, en worden de oppervlaktes van de gebouwen met meer dan 10 procent vergroot tot meer dan 500 m2. Verder gaat de bouw ten koste van waardevolle bomen.

Daarnaast wordt betoogd dat het bouwplan in strijd is met bijlage 1 van de Structuurvisie 2008-2023, omdat sloop niet is toegestaan en de maximaal toelaatbare nok- en goothoogte met meer dan 25% wordt overschreden.

2.10.1. Het college heeft het bouwplan getoetst aan de Structuurvisie 2008-2023. In de daaraan voorafgaande Structuurvisie 2015 is volgens het college de basis van het bouwplan verankerd. In bijlage 7 (nieuw), vastgesteld op 19 december 2007, van de Structuurvisie 2015 zijn voorwaarden voor het realiseren van appartementen in afwijking van het bestemmingsplan opgenomen. Deze voorwaarden zijn vervolgens grotendeels ongewijzigd overgenomen als bijlage 1 van de Structuurvisie 2008-2023, die ten tijde van het besluit in werking was getreden.

In de bijlagen staat dat het realiseren van appartementen in afwijking van een vigerend bestemmingsplan alleen toelaatbaar is onder bepaalde voorwaarden. Deze hebben betrekking op de kwaliteit van het te realiseren gebouw, het gebied dat daarvoor in aanmerking komt, de aard van de bestaande woning, de minimale oppervlakte van het betrokken perceel, de verschijningsvorm van het pand na realisering van appartementen en het proces.

Voor zover [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] hebben aangevoerd dat het bouwplan zich niet verdraagt met bijlage 7 (oud) van de Structuurvisie 2015, wordt overwogen dat het college daaraan niet heeft getoetst. Deze versie was vervangen door bijlage 7 (nieuw), die nagenoeg gelijkluidend is aan bijlage 1 bij de Structuurvisie 2008-2023. Dat volgens [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] tijdens een presentatie op 11 oktober 2007 van de kant van het college zou zijn gezegd dat getoetst zou worden aan de oude bijlage, wat daar ook van zij, brengt niet met zich dat het college het bouwplan ten onrechte aan het recht ten tijde van het besluit heeft getoetst. In deze bijlage worden, anders dan in een concept daarvan, geen beperkingen gesteld aan het aantal appartementen, de maximale toename van de oppervlakte van het gebouw en de maximumoppervlakte. Ook bevat het geen voorwaarde betreffende bomenkap. Evenmin bevatten de voorwaarden dan wel de overige tekst van de Structuurvisie 2008-2023 aanleiding voor het standpunt dat uitsluitend de ombouw in de zin van verbouwing van een woning tot een appartementengebouw is toegestaan. Als voorwaarde 1.6 van bijlage 7 (nieuw) is vermeld dat bestaande panden geheel mogen worden vervangen mits deze tien voorafgaande jaren in eigendom van de aanvrager waren. Gesteld noch gebleken is dat aan deze voorwaarde niet wordt voldaan.

Tot slot wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de verlening van vrijstelling in strijd met het gemeentelijke beleid zou zijn omdat [appellant sub 1] niet beschikte over een kapvergunning.

Gezien het vorenoverwogene bestaat in hetgeen [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de Structuurvisies 2015 en 2008-2023 geen belemmering vormde om vrijstelling te verlenen.

2.11. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] hebben betoogd dat ten onrechte in de ruimtelijke onderbouwing niet is ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan. Volgens [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] is ook de archeologische paragraaf onvoldoende toegelicht.

2.11.1. In opdracht van [appellant sub 1] heeft Abacus Vastgoed B.V. een rapport "Ruimtelijke Onderbouwing terrein Rijksweg West 14 en 16 te Laren" opgesteld. Dit rapport is mede ten grondslag gelegd aan het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning. In dit rapport is niet ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Het college heeft in het besluit overwogen dat het gaat om een particulier initiatief en dat voor zover aansluitingen moeten worden gemaakt op nutsvoorzieningen de bestaande verordeningen voorzien in leges. Nu [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] hun betoog verder niet hebben onderbouwd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in verband met de economische uitvoerbaarheid geen vrijstelling heeft mogen verlenen.

In het rapport is ingegaan op de archeologische omstandigheden van het perceel. In de Archeologische Monumentenkaart is aan het perceel geen bijzondere cultuurhistorische waarde toegekend. Geen aanleiding bestaat dat het college in verband met de archeologische toestand van het perceel geen vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.12. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] hebben betoogd dat niet is voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Gesteld wordt dat de Europese richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit geen enkele verslechtering van de luchtkwaliteit toestaan indien er geen concrete maatregelen tegenover staan en dat het Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) hiermee in strijd is. Verder stelt [wederpartij sub 1] dat de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit onvoldoende nauwkeurig zijn bepaald, nu de bijdrage ten onrechte niet is bepaald tot op twee decimalen achter de komma.

2.12.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Tevens zijn op 15 november 2007 het Besluit NIBM en de regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Het college heeft bij het besluit terecht getoetst aan de op dat moment van kracht zijnde Wet luchtkwaliteit en het Besluit NIBM. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de realisering van het bouwplan in een niet betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging ter plaatse. Het college heeft zijn standpunt gebaseerd op de rapporten van ingenieursbureau Peutz B.V. van 21 december 2005 en de aanvulling daarop van 14 december 2007 met betrekking tot de luchtkwaliteit ter hoogte van de geprojecteerde appartementen. Geconcludeerd wordt dat het project een verwaarloosbare bijdrage levert aan de bestaande overschrijding, veroorzaakt door de hoge achtergrondconcentratie en het verkeer op de Rijksweg. Nu [wederpartij sub 1], zijn stellingen ter zake niet nader heeft onderbouwd, is niet aannemelijk geworden dat het Besluit NIBM in strijd is met de Europese richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit. Voor zover [wederpartij sub 1] heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2006 in zaak nr. 200506157/1, wordt overwogen dat daar, anders dan in dit geval, het Besluit luchtkwaliteit 2005 aan de orde was.

2.13. Daarnaast betogen [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] dat niet is verzekerd dat aan het bepaalde in de Wet geluidhinder wordt voldaan nu bij overschrijding van de toegestane geluidsbelasting, zoals in dit geval, de gevels van de woningen als zogenoemde dove gevels moeten worden uitgevoerd.

2.13.1. Ingevolge artikel 76a van de Wet geluidhinder, zoals dat destijds luidde, worden bij het nemen van een projectbesluit dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 1, voor zover thans van belang, wordt onder gevel verstaan: bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.

Ingevolge artikel 1b, vijfde lid, wordt in afwijking van artikel 1 onder een gevel in de zin van de Wet geluidhinder en de daarop berustende bepalingen niet verstaan:

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB(A) onderscheidenlijk 35 dB, alsmede

b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

2.13.2. Het betoog slaagt. In de ruimtelijke onderbouwing is een rapport van Peutz B.V. van 20 februari 2008 opgenomen. Het rapport bevat de resultaten van een onderzoek naar de geluidsbelasting van het wegverkeer op de A1 op de gevels van de voorziene woningen. Ter zitting heeft het college gesteld dat in het onderzoek reeds rekening is gehouden met de aanleg van een geluidscherm langs de A1. In het rapport is vermeld dat de geluidsbelasting van vijf gevels van de appartementengebouwen hoger is dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB waarvoor bij een besluit op grond van de Wet geluidhinder een hogere waarde kan worden vastgesteld. Toetsing van de geluidsbelasting aan deze waarden kan ingevolge de Wet geluidhinder achterwege blijven indien de bedoelde gevels worden uitgevoerd als dove gevels. Dat zijn gelet op artikel 1b, vijfde lid, gevels waarin geen te openen delen of alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Ter zitting heeft het college bevestigd dat de woning op de eerste verdieping van het zuidelijkst gelegen appartementengebouw inderdaad een gevel heeft die volgens het bouwplan niet als dove gevel wordt uitgevoerd, aangezien bij een appartement op de eerste verdieping het balkon toegankelijk is vanuit de woonkamer met openslaande deuren. Volgens het college zal dit echter geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse met zich brengen nu op het balkon een 2 m hoog glazen scherm wordt geplaatst waarvan een geluidwerende werking uitgaat.

Wat echter ook zij van de geluidwerendheid van een dergelijk scherm, de plaatsing daarvan betekent niet dat de gevel als dove gevel in de zin van de Wet geluidhinder wordt uitgevoerd. Geen grond bestaat dan ook om de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de A1 niet te toetsen aan de waarden van de Wet geluidhinder. Uit het rapport van Peutz volgt dat de geluidsbelasting op de desbetreffende gevel hoger is dan ingevolge de artikelen 82, eerste lid, en 83 van de Wet geluidhinder is toegestaan. Niet is gebleken dat hogere waarden voor de geluidsbelasting op grond van artikel 83, zevende lid, van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld. In zoverre is derhalve vrijstelling in strijd met artikel 76a van de Wet geluidhinder verleend.

2.14. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2 A] en [wederpartij sub 2 H] betogen dat de bouwvergunning is verleend in strijd met het bestemmingsplan "Rijksweg 2000", nu het bouwplan op meer punten in strijd is met het bestemmingsplan dan waarvan vrijstelling is verleend. [wederpartij sub 1] noemt daarbij artikel 3, derde lid, eerste volzin en sub a en f, artikel 4, tweede lid, artikel 4, derde lid, eerste volzin en sub a, artikel 5, tweede lid, en artikel 18, eerste lid.

2.15. Het college heeft bij het besluit uitdrukkelijk vrijstelling verleend van artikel 5, tweede lid, onder b, artikel 5, derde lid, onder a en b, artikel 3, derde lid, onder a en f, artikelen 2.3 en 2.5, artikel 4, tweede lid, onder a, en artikel 4, derde lid, onder a, van het bestemmingsplan "Rijksweg 2000".

Ter zitting heeft het college erkend dat niet alle artikelen waarmee het bouwplan in strijd is, zijn genoemd in het besluit, maar dat is beoogd vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor zover dat nodig is. Vaststaat dat de voorziene bouwwerken de bouwgrenzen overschrijden, zodat het bouwplan in ieder geval ook in strijd is met artikel 18, eerste lid. Nu voorts uit het besluit noch de ruimtelijke onderbouwing naar voren komt dat is onderkend dat het bouwplan ook in zoverre een inbreuk maakt op het planologisch regime, moet worden geoordeeld dat in strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bouwvergunning is verleend.

2.16. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 15 oktober 2008 in strijd met artikel 76a van de Wet geluidhinder en artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, is genomen. De beslissing van de rechtbank tot vernietiging van het besluit is juist, zodat de aangevallen uitspraak voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze rust, dient te worden bevestigd. Het bestuursorgaan dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling een nieuw besluit te nemen.

De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het beroep van [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], [wederpartij sub 2 D] en [wederpartij sub 2 C] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.17. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2009 in zaak nrs. 08/4661 en 08/4669, voor zover het beroep van [wederpartij sub 2 A] en anderen, voor zover ingediend door [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], [wederpartij sub 2 D] en [wederpartij sub 2 C] ontvankelijk is geacht, en voor zover daarbij is bepaald dat deze in plaats treedt van het besluit van 15 oktober 2008;

III. verklaart het beroep van [wederpartij sub 2 A] en anderen, voor zover dat is ingediend door [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], [wederpartij sub 2 D] en [wederpartij sub 2 C] niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2009, voor zover deze is vernietigd wat betreft het ontvankelijk geachte beroep van [wederpartij sub 2 A] en anderen, voor zover ingediend door [wederpartij sub 2 F] en [wederpartij sub 2 G], [wederpartij sub 2 D] en [wederpartij sub 2 C];

V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2009 in zaak nrs. 08/4661 en 08/4669 voor het overige;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Laren aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) vergoedt;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laren tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laren tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door C.H.M. van Altena, voorzitter, en H. Troostwijk en J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

163-604.