Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
200907897/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2008 heeft de minister verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voornemen van Westport om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met kenmerk NL300560 uit te voeren naar de Verenigde Staten van Amerika gedurende de periode vanaf de datum van dagtekening van dit besluit tot en met 31 december 2008.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/272
JM 2011/3 met annotatie van Welschen
JAF 2010/44 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2011/17
Module Afval 2011/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907897/1/M1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht Westport Petroleum Inc.,

appellante,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2008 heeft de minister verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voornemen van Westport om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met kenmerk NL300560 uit te voeren naar de Verenigde Staten van Amerika gedurende de periode vanaf de datum van dagtekening van dit besluit tot en met 31 december 2008.

Bij besluit van 3 september 2009, verzonden op 3 september 2009, heeft de minister het door Westport hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Westport bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2009, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Westport en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2010, waar Westport, vertegenwoordigd door G.K. Greissinger, bijgestaan door mr. R. de Bree, advocaat te Den Haag, mr. B.J. Walraven, advocaat te Rotterdam, R. McDow, R. Kassinger en C.H.P. Keesom, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag, bijgestaan door mr. J.P.J. Geurts, A.M. Witte, mr. G. Dohmen, mr. K. Ulmer en F. van Bart, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het geschil heeft betrekking op 7.009 mt van een mengsel van 4.997 mt zogenoemde "non-EU high density slurry" afkomstig van de lading van de M.T. Adafera (hierna: de slurry) en andere olie. De slurry is door Westport gekocht van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Petroval Bunker International B.V. (hierna: Petroval), die deze op haar beurt heeft gekocht van de rechtspersoon naar buitenlands recht Koch Supply & Trading, SARL (hierna: Koch), die deze op haar beurt weer had gekocht van de rechtspersoon naar buitenlands recht Rio Energy International Inc. (hierna: Rio). Westport heeft onder protest kennisgeving gedaan als vereist op grond van de Verordening EG 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1) (hierna: de Verordening). Ten aanzien van deze kennisgeving is op 18 november 2008 positief beslist.

2.2. Teneinde de herkomst en de kwaliteit van de slurry te kunnen aantonen, heeft Westport de Afdeling verzocht om op de voet van artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een bij naam genoemde medewerker van Rio als getuige op te roepen. Westport betoogt dat het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) besloten liggende beginsel van 'equality of arms' met zich brengt dat de Afdeling dit verzoek niet mag afwijzen. Zolang bedoelde persoon niet is opgeroepen en gehoord acht Westport zich in een wezenlijk nadeliger positie dan de minister om de zaak aan de Afdeling te presenteren, omdat zij minder mogelijkheden heeft dan de minister om informatie in te winnen over de herkomst en de kwaliteit van de slurry.

2.2.1. De Afdeling ziet in hetgeen Westport heeft aangevoerd geen aanleiding om bedoelde persoon als getuige op te roepen. Het ligt op de weg van Westport om haar stelling dat de kennisgeving geen betrekking heeft op een afvalstof, aannemelijk te maken. Westport is voldoende in de gelegenheid geweest bewijs van die stelling te leveren, onder meer door met toepassing van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb zelf getuigen mee te brengen naar de zitting.

2.3. Westport betoogt dat het materiaal waarop de kennisgeving ziet geen afvalstof is en dat derhalve voor de uitvoer daarvan een kennisgeving als bedoeld in de Verordening niet was vereist. Westport voert daartoe aan dat de slurry, waaruit het materiaal grotendeels is samengesteld, doelbewust is geproduceerd, dat de slurry inzetbaar is als brandstof in oliegestookte centrales en dat de slurry te gebruiken is als zogenoemde blend-component van stookolie voor schepen. Westport wijst in dit laatste verband op de in opdracht van haar door Saybolt Nederland B.V. (hierna: Saybolt) met de slurry uitgevoerde blendproeven waarvan op 10 april 2008 verslag is gedaan en op het feit dat er een reguliere markt is voor blendcomponents.

Onder verwijzing naar het arrest van 24 juni 2008, C-188/07, Tanker Erika, (www.curia.europa.eu) betoogt Westport dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) prejudiciële vragen dienen te worden gesteld over de uitleg van de door het Hof ontwikkelde, aan bijproducten gestelde criteria 'voortzetting van het productieproces' en 'economisch voordeel'.

2.3.1. Ingevolge artikel 4 van de Verordening, voor zover hier van belang, doet de kennisgever, wanneer hij voornemens is afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, over te brengen, daarvan voorafgaand schriftelijke kennisgeving bij en via de bevoegde autoriteit van verzending.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1, wordt onder afvalstoffen verstaan: afvalstoffen als omschreven in artikel 1, eerste lid, onder a, van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PB 2006 L 114/9).

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van Richtlijn 2006/12/EG (hierna: de Kaderrichtlijn), waarin Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, Richtlijn 91/692/EEG, Beschikking 96/350/EG en Verordening (EG) nr. 1882/2003 is gecodificeerd, wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

2.3.2. Het Hof heeft in het arrest van 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97, Arco Chemie Nederland e.a. (www.curia.europa.eu) overwogen dat het begrip afvalstof niet restrictief kan worden uitgelegd en dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de Kaderrichtlijn, terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Daarbij heeft het Hof beklemtoond dat voor de beoordeling of een stof moet worden aangemerkt als afvalstof de wetenschap dat een stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig voor later gebruik was beoogd, een belangrijke aanwijzing is.

Het Hof heeft in zijn arrest van 18 april 2002, C-9/00, Palin Granit (www.curia.europa.eu) overwogen dat naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium vormt dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van de Kaderrichtlijn gaat. Uit dit arrest volgt evenwel dat, indien sprake is van stoffen die zijn verkregen bij een productieproces zonder dat dat proces in de eerste plaats op de winning daarvan is gericht, toepassing van dit criterium slechts dan tot de conclusie kan leiden dat geen sprake is van een afvalstof indien vaststaat dat het hergebruik van deze stoffen zeker is zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces.

2.3.3. In hetgeen Westport in zoverre naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof. In het door Westport in dit verband aangehaalde arrest Tanker Erika sluit het Hof ten aanzien van de aan bijproducten gestelde criteria 'voortzetting van het productieproces' en 'economisch voordeel' aan bij zijn eerdere rechtspraak, in het bijzonder bij bovengenoemd arrest Palin Granit. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof.

2.3.4. De minister heeft terecht geoordeeld dat Westport niet aannemelijk heeft gemaakt dat de slurry doelbewust is geproduceerd. Daarbij heeft de Afdeling het volgende in aanmerking genomen. In het 'certificate of origin', opgemaakt op 11 maart 2008 door de Kamer van Koophandel te Corpus Christi, Texas in de Verenigde Staten, heeft Koch verklaard dat niet kan worden vastgesteld of de lading van de M.T. Adafera van buitenlandse of binnenlandse herkomst is. In de 'note of protest' van de kapitein van de M.T. Adafera van 11 maart 2008, heeft het schip de haven van Houston verlaten zonder documenten waaruit de kwaliteit en kwantiteit van de lading blijkt. Tenslotte heeft Westport geen concrete informatie over de herkomst en kwaliteit van de door Rio aan Koch geleverde slurry overgelegd, waaruit blijkt dat deze doelbewust is geproduceerd.

2.3.5. De minister heeft terecht geoordeeld dat Westport niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hergebruik van de slurry zeker is zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat Westport de gestelde inzetbaarheid van de slurry als brandstof voor oliegestookte energiecentrales niet voldoende heeft onderbouwd, dat Rio in de overeenkomst tussen haar en Koch van 22 februari 2008 heeft verklaard geen garantie af te geven over de compatibiliteit (blendbaarheid) van de geleverde slurry en dat uit de analyseresultaten van Saybolt niet blijkt dat een van de onderzochte mengsels aan alle in ISO 8217 aan stookolie gestelde kwaliteitseisen voldoet. Uit de stelling van Westport, tenslotte, dat er een reguliere markt is voor blendcomponents, volgt niet dat de slurry voldoet aan de voor bijproducten geldende criteria.

2.3.6. De minister heeft gelet hierop terecht aangenomen dat de door Westport afgenomen partij slurry geen product of bijproduct is, maar een afvalstof.

2.3.7. Gelet op het vorenoverwogene is er in hetgeen Westport heeft aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat het standpunt van de minister dat de kennisgeving ziet op de overbrenging van afvalstoffen onjuist is.

2.4. Westport betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Awb nu haar, anders dan andere afnemers van de slurry, niet de mogelijkheid is geboden met het materiaal te handelen als een product. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Bedoelde andere afnemers is toegestaan om de opgeslagen afvalstoffen bij wijze van nuttige toepassing te bewerken tot een scheepsbrandstof die voldoet aan de kwaliteitseisen van ISO 8217. Eerst nadat was aangetoond dat het als gevolg van deze bewerking ontstane materiaal voldeed aan alle kwaliteitseisen van ISO 8217 is een verzoek dit aldus ontstane materiaal te verhandelen als product ingewilligd.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

579.