Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
200909545/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2009 heeft de minister verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voornemen van BP om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met kenmerk NL300610 uit te voeren naar de Verenigde Staten van Amerika gedurende de periode vanaf de datum van dagtekening van dit besluit tot en met 20 november 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/1913
JOM 2011/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909545/1/M1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BP Nederland B.V., thans de vennootschap naar het recht van de Europese Unie, BP Europe SE, gevestigd te Hamburg (Duitsland),

appellante,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2009 heeft de minister verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voornemen van BP om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met kenmerk NL300610 uit te voeren naar de Verenigde Staten van Amerika gedurende de periode vanaf de datum van dagtekening van dit besluit tot en met 20 november 2009.

Bij besluit van 28 oktober 2009, verzonden op 29 oktober 2009, heeft de minister het door BP hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft BP bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2009, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

BP heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2010, waar BP, vertegenwoordigd door mr. J.A.J. Leeman, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door mr. M.C. van den Ende, E. van der Sluis en dr. N.T.M. Klooster, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag, bijgestaan door mr. J.P.J. Geurts, A.M. Witte, mr. G. Dohmen, mr. K. Ulmer en F. van Bart, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het geschil heeft betrekking op 45.000 mt van een mengsel van zogenoemde "non-EU high density slurry" (hierna: slurry) en andere olie. De slurry, afkomstig van de lading van de M.T. Adafera, is door BP gekocht van de rechtspersoon naar buitenlands recht Koch Supply & Trading, SARL (hierna: Koch), die deze op haar beurt heeft gekocht van de rechtspersoon naar buitenlands recht Rio Energy International Inc. (hierna: Rio). BP heeft onder protest kennisgeving gedaan als vereist op grond van de Verordening EG 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1) (hierna: de Verordening). Ten aanzien van deze kennisgeving is op 18 februari 2009 positief beslist.

2.2. BP betoogt dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de slurry, althans het materiaal waarop de kennisgeving ziet, een afvalstof is. Daartoe voert BP aan dat de slurry, waaruit het materiaal grotendeels is samengesteld, geen afvalstof is. Slurry is volgens BP een product, of althans een bijproduct, omdat slurry, zoals blijkt uit de als nader stuk ingediende notitie van dr. N.T.M. Klooster van augustus 2010, doelbewust is geproduceerd. Daarnaast voert BP aan dat uit door TNO uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de onderzochte slurry geen fenol bevat en dat er met de blendbaarheid van de onderzochte slurry niets aan de hand is.

2.2.1. Ingevolge artikel 4 van de Verordening, voor zover hier van belang, doet de kennisgever, wanneer hij voornemens is afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, over te brengen, daarvan voorafgaand schriftelijke kennisgeving bij en via de bevoegde autoriteit van verzending.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1, wordt onder afvalstoffen verstaan: afvalstoffen als omschreven in artikel 1, eerste lid, onder a, van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PB 2006 L 114/9).

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van Richtlijn 2006/12/EG (hierna: de Kaderrichtlijn), waarin Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, Richtlijn 91/692/EEG, Beschikking 96/350/EG en Verordening (EG) nr. 1882/2003 is gecodificeerd, wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

2.2.2. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in het arrest van 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97, Arco Chemie Nederland e.a. (www.curia.europa.eu) overwogen dat het begrip afvalstof niet restrictief kan worden uitgelegd en dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de Kaderrichtlijn, terwijl ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Daarbij heeft het Hof beklemtoond dat voor de beoordeling of een stof moet worden aangemerkt als afvalstof de wetenschap dat een stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig voor later gebruik was beoogd, een belangrijke aanwijzing is.

Het Hof heeft in zijn arrest van 18 april 2002, C-9/00, Palin Granit (www.curia.europa.eu) overwogen dat naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium vormt dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van de Kaderrichtlijn gaat. Uit dit arrest volgt evenwel dat, indien sprake is van stoffen die zijn verkregen bij een productieproces zonder dat dat proces in de eerste plaats op de winning daarvan is gericht, toepassing van dit criterium slechts dan tot de conclusie kan leiden dat geen sprake is van een afvalstof indien vaststaat dat het hergebruik van deze stoffen zeker is zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces.

2.2.3. De minister heeft terecht geoordeeld dat BP niet aannemelijk heeft gemaakt dat de slurry doelbewust geproduceerd is. Daarbij heeft de Afdeling het volgende in aanmerking genomen. In het 'certificate of origin', opgemaakt op 11 maart 2008 door de Kamer van Koophandel te Corpus Christi, Texas in de Verenigde Staten, heeft Koch verklaard dat niet kan worden vastgesteld of de lading van de M.T. Adafera van buitenlandse of binnenlandse herkomst is. In de 'note of protest' van de kapitein van de M.T. Adafera van 11 maart 2008, heeft het schip de haven van Houston verlaten zonder documenten waaruit de kwaliteit en kwantiteit van de lading blijkt. Tenslotte heeft BP geen concrete informatie over de herkomst en kwaliteit van de door Rio aan Koch geleverde slurry overgelegd, waaruit blijkt dat deze doelbewust is geproduceerd. Uit de stelling dat slurry normaliter doelbewust wordt geproduceerd, wat daar ook van zij, kan niet worden afgeleid dat dit ook voor deze partij geldt.

2.2.4. De minister heeft terecht geoordeeld dat BP niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hergebruik van deze partij slurry zeker is zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat BP de gestelde inzetbaarheid van deze partij slurry als brandstof voor oliegestookte energiecentrales niet voldoende heeft onderbouwd, dat Rio in de overeenkomst tussen haar en Koch van 22 februari 2008 heeft verklaard geen garantie af te geven over de compatibiliteit (blendbaarheid) van de geleverde slurry en dat uit het TNO-rapport van 16 juli 2009 niet blijkt dat een of meer van de onderzochte mengsels aan alle in ISO 8217 aan stookolie gestelde kwaliteitseisen voldoet.

2.2.5. De minister heeft gelet hierop terecht aangenomen dat de door BP afgenomen partij slurry geen product of bijproduct is, maar een afvalstof. Daarbij heeft de vraag of zich fenol in de slurry bevond geen rol gespeeld.

2.2.6. Gelet op het vorenoverwogene is er in hetgeen BP heeft aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat het standpunt van de minister dat de kennisgeving ziet op de overbrenging van afvalstoffen onjuist is.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

579.