Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201002713/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college een besluit van 26 augustus 2008, waarbij aan [appellant] een bedrag van € 11.000,00 was toegekend, ingetrokken en het verzoek om vergoeding van planschade alsnog afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1717
JB 2011/4 met annotatie van B. de Kam
JOM 2011/18 met annotatie van B. de Kam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002713/1/H2.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 februari 2010 in zaak nr. 09/1486 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college een besluit van 26 augustus 2008, waarbij aan [appellant] een bedrag van € 11.000,00 was toegekend, ingetrokken en het verzoek om vergoeding van planschade alsnog afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] tegen het besluit van 2 juni 2009 gemaakte bezwaar en dat ongegrond verklaard.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2010, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.A.P.J. Hecker, werkzaam bij de gemeente Weert, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die bepaling tot 1 juli 2008 gold, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe voor zover blijkt dat hij ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. [appellant] is eigenaar van de woning en het bijbehorende perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning).

Bij besluiten van 23 december 2003 en 6 mei 2004 heeft het college vrijstelling van de in het bestemmingsplan ter zake gestelde voorschriften verleend voor het oprichten van vier appartementengebouwen en het verbouwen van een villa op het in de buurt van de woning gelegen plangebied.

2.3. Aan het verzoek om vergoeding van planschade is ten grondslag gelegd dat de besluiten van 23 december 2003 en 6 mei 2004 tot een waardevermindering van de woning hebben geleid. Het college heeft het verzoek om vergoeding van planschade ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), die bij advies van augustus 2007 heeft geadviseerd [appellant] een bedrag van € 11.000,00 ter vergoeding van planschade toe te kennen. Het college heeft dat advies gevolgd bij zijn besluit van 26 augustus 2008. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.4. Nadat het college had vastgesteld dat [appellant] ten behoeve van de realisering van het project waarop het verzoek om vergoeding van planschade betrekking had, de tegenover de woning gelegen grond heeft verkocht en daarvoor een koopsom van € 76.235,00 heeft ontvangen, heeft het de SAOZ verzocht om het verzoek om vergoeding van planschade in dat licht nogmaals te bezien. Bij brief van 28 januari 2009 heeft de SAOZ het college medegedeeld dat uit de akte van levering valt af te leiden dat [appellant] wist dat de koper de grond voor woningbouw zou gebruiken, dat [appellant], gezien de reguliere marktwaarde van ruwe bouwgrond ten behoeve van woningbouw, bij de verkoop van de grond een voordeel van ongeveer € 50.000,00 heeft verkregen, dat dit voordeel met het door de besluiten van 23 december 2003 en 6 mei 2004 veroorzaakte nadeel dient te worden verrekend en dat zij het college in het advies van augustus 2007 zou hebben geadviseerd het verzoek af te wijzen op de grond dat vergoeding van de schade anderszins is verzekerd, indien de akte van levering destijds bekend zou zijn geweest. Het college heeft deze zienswijze gevolgd en aan het besluit van 2 juni 2009 ten grondslag gelegd.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op zijn weg had gelegen om in het kader van het verzoek om vergoeding van planschade melding te maken van de verkoop van grond ten behoeve van de realisering van het project waarop dat verzoek betrekking had. Verder betoogt hij dat zij evenzeer ten onrechte heeft overwogen dat hij redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat een dergelijke mededeling voor het college aanleiding zou zijn geweest om de relatie tussen de planschade en de koopsom te onderzoeken en het college zonder deze mededeling geen aanleiding had om na te gaan of hij grond ten behoeve van het project had verkocht. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat daarom niet kan worden gezegd dat het college had moeten afzien van het intrekken van het besluit van 26 augustus 2008.

Daartoe voert [appellant] aan dat hij geen onjuiste informatie heeft verstrekt, zodat het college niet bevoegd was om het besluit tot het toekennen van planschadevergoeding in te trekken, en dat de verkoop van de grond, mede gezien het tijdsverloop tot de besluiten van 23 december 2003 en 6 mei 2004, niet relevant was voor deze besluiten en voor de planschade, zodat hij de verkoop van de grond niet aan het college had behoeven te melden. Verder voert hij aan dat het college niet aan de op het college rustende onderzoeksplicht heeft voldaan.

2.5.1. Aan het college kan in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om een besluit tot het toekennen van planschadevergoeding in te trekken of te wijzigen, indien achteraf blijkt dat deze ten onrechte is toegekend, zij het dat deze bevoegdheid wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake wanneer het besluit wordt ingetrokken omdat de verzoeker onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op het verzoek om planschadevergoeding zou hebben geleid. De stelling dat het college alleen bevoegd zou zijn het besluit in te trekken, wanneer [appellant] onjuiste informatie zou hebben verstrekt, is dan ook niet juist.

Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant] in het kader van het verzoek om vergoeding van planschade onvolledige gegevens heeft verstrekt door niet te melden dat hij grond heeft verkocht ten behoeve van het project waarop het verzoek betrekking had. In dit verband is van belang dat in de akte van levering is vermeld dat de verkochte grond door de koper zal worden gebruikt voor de ontwikkeling van zes koopappartementen. [appellant] had na de planologische wijziging redelijkerwijs kunnen begrijpen dat het college, indien het op de hoogte zou zijn geweest van de verkoop van de grond, in verband met het verzoek om vergoeding van planschade onderzoek zou hebben gedaan naar de hoogte van de koopsom om te bezien of daarmee ook is voorzien in vergoeding van de door [appellant] nog te lijden planschade. Nu [appellant] de transactie niet heeft vermeld, mocht het college tot intrekking van het besluit van 26 augustus 2008 overgaan, indien dit gegeven tot afwijzing van het verzoek zou hebben geleid.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de schade anderszins is verzekerd. Hij voert aan dat het ruime tijdsverloop tussen de verkoop en levering van de grond en de planologische wijziging tot de conclusie moet leiden dat geen verband bestaat tussen de hoogte van de koopsom en het bedrag van de planschade. Verder voert hij aan dat niet slechts de door hem verkochte grond is gebruikt voor de realisering van het project waarop het verzoek om vergoeding van planschade betrekking had. Ten slotte voert hij aan dat de koopsom voor de grond niet hoger was dan de marktwaarde en dat een verondersteld vermogensvoordeel bij de verkoop van de grond op zichzelf onvoldoende bewijs is voor de stelling dat vergoeding van de schade anderszins is verzekerd.

2.6.1. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] weliswaar niet heeft betwist dat de koopsom voor de grond veel hoger was dan de marktprijs voor ruwe bouwgrond voor woningbouw, maar dat dit niet voldoende is voor het oordeel dat aannemelijk is dat de koopsom mede strekt tot vergoeding van de schade, omdat niet is uitgesloten dat de hoogte van de koopsom door andere factoren boven de marktprijs is uitgestegen en het college heeft nagelaten daarover meer duidelijkheid te verkrijgen. Zij heeft daaruit de conclusie getrokken dat het besluit van 15 september 2009 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft derhalve niet overwogen dat de schade anderszins is verzekerd, zodat dit betoog op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak berust en reeds daarom niet tot vernietiging van deze uitspraak kan leiden.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te wijzen op de mogelijkheid bij de koper navraag te doen naar de opbouw van de koopsom en een vergelijking te trekken met de koopsom van de rest van het plangebied waarop het project is gerealiseerd, het college een te beperkte en gebrekkige opdracht heeft gegeven.

2.7.1. Dit betoog berust evenzeer op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft slechts geadstrueerd hoe het college, alvorens het besluit van 15 september 2009 te nemen, meer duidelijkheid over de opbouw van de koopsom van de door [appellant] verkochte en geleverde grond had kunnen verkrijgen. Uit deze overweging valt niet af te leiden dat het nader onderzoek van het college beperkt zou moeten blijven tot de door de rechtbank genoemde elementen.

2.8. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgronden betreffende het geheel in mindering brengen van de planschade op de veronderstelde vermogenswinst.

2.8.1. Omdat de rechtbank reeds tot vernietiging van het besluit van 15 september 2009 is gekomen op grond van artikel 3:2 van de Awb, behoefde zij niet op de overige beroepsgronden in te gaan. Deze beroepsgronden, die niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud door de rechtbank zijn verworpen, zouden alsnog kunnen worden voorgedragen tegen het nieuw te nemen besluit.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist. Omdat dat besluit niet aan de bezwaren van [appellant] tegemoet komt, is het, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, in hoger beroep mede aan de orde.

2.11. In het besluit van 10 juni 2010 heeft het college gesteld dat de overige door [appellant] aangevoerde grondtransacties in het plangebied niet vergelijkbaar zijn en dat de rechtsopvolger van de koper van de door [appellant] verkochte en geleverde grond per telefoon te kennen heeft gegeven dat ter vergoeding voor de te lijden planschade een hogere koopsom voor de grond is betaald, maar deze mededeling, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van het college, niet schriftelijk heeft willen bevestigen. Voorts heeft het college met verwijzing naar het advies van de SAOZ van augustus 2007 gesteld dat de planschade grotendeels door het oprichten van een appartementengebouw op de door [appellant] verkochte en geleverde grond is veroorzaakt en dat de planologische wijziging in andere delen van het plangebied daarop slechts een beperkte invloed heeft gehad. Gezien de koopsom voor de grond, waarop dat appartementengebouw is gerealiseerd, is vergoeding van de schade volgens het college anderszins verzekerd.

Verder heeft het college een brief van de SAOZ van 11 juni 2010 overgelegd. In de brief is, met verwijzing naar het nader advies van 28 januari 2009, gesteld dat de door [appellant] bij de verkoop van de grond ontvangen koopsom van € 90,75 per m² ruimschoots boven de reguliere marktwaarde ten tijde van de levering van de grond van € 30,00 per m² uitstijgt en dat het bedrag van de vastgestelde planschade met het verschil tussen de koopsom en de marktwaarde dient te worden verrekend. In de brief is verder vermeld dat de taxateur bij het taxeren van de reguliere marktwaarde per m² rekening heeft gehouden met de bestemming van de grond en met de omstandigheid dat op de grond geen bouwvlak was gelegen.

2.12. [appellant] betoogt met verwijzing naar het hoger-beroepschrift dat de vergoeding van de schade niet anderszins is verzekerd en dat het college geen bewijs voor de in het besluit van 10 juni 2010 vermelde stellingen heeft geleverd. Verder voert hij aan dat een reguliere marktwaarde ten tijde van de levering van de grond van (omgerekend) € 158,82 per m² alleszins reëel is en dat de ontvangen prijs ver beneden die waarde blijft.

2.12.1. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat, naar het in het besluit van 10 juni 2010 heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd, de overige grondtransacties in het plangebied niet vergelijkbaar zijn en dat de rechtsopvolger van de koper heeft bevestigd dat in verband met de nog te lijden planschade een hogere koopsom is betaald. Dit brengt met zich dat niet valt uit te sluiten dat het college meer duidelijkheid over de verhouding tussen de koopprijs en de marktwaarde van de door [appellant] verkochte en geleverde grond had kunnen verkrijgen door een vergelijking te maken met de koopprijs van de rest van het plangebied, als bedoeld in de uitspraak van 25 februari 2010, en dat het college opnieuw ten onrechte geen (kadastraal) onderzoek naar deze koopprijs heeft gedaan. Voor zover de rechtsopvolger van de koper niet heeft gereageerd op herhaalde verzoeken om schriftelijk te bevestigen dat, naar per telefoon aan het college zou zijn medegedeeld, ter vergoeding voor de te lijden planschade een hogere koopsom voor de grond is betaald, komen de gevolgen daarvan voor risico van het college.

Gelet op het vorenstaande kleeft het in de uitspraak van 25 februari 2010 vastgestelde gebrek ook aan het besluit van 10 juni 2010, zodat dit besluit in rechte geen stand kan houden.

2.13. Het beroep tegen het besluit van 10 juni 2010 is gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.14. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weert 10 juni 2010 gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Weert tot vergoeding van bij [gemachtigde] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,95 (zegge: tweeënveertig euro en vijfennegentig cent).

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

452.