Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201009445/1/H3 en 201009445/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2010 heeft de korpschef [appellant] toestemming tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie onthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009445/1/H3 en 201009445/2/H3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2010 in zaak nr. 10/3629 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2010 heeft de korpschef [appellant] toestemming tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie onthouden.

Bij besluit van 5 juli 2010 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 oktober 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.G.E. de Vries, advocaat te Diemen, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. Y. Kuijt, werkzaam bij de politieregio, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

Ingevolge het vijfde lid, eerste volzin, wordt de toestemming, bedoeld in het eerste en tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Volgens paragraaf 2.1 van de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire) wordt de toestemming aan personen bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet onthouden indien:

a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of

b. (…), of

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat:

deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of

deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Volgens die paragraaf gaat het bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde erom dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat. Indien het veroordelingen betreft, wordt aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde criteria onder a en b. De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder c is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Volgens die paragraaf kan de periode echter - behoudens zeer uitzonderlijke gevallen - nooit langer zijn dan de 4, respectievelijk 8 jaar die hiervoor onder a en b zijn genoemd.

Volgens paragraaf 2.1.1, eerste volzin, kan de korpschef van de regio waar de organisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd van het hiervoor bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.3. De korpschef heeft aan zijn besluit van 5 juli 2010 ten grondslag gelegd dat [appellant] op 2 februari 2010 bij onherroepelijk geworden uitspraak is veroordeeld tot een geldboete voor het misdrijf van het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol, welk feit op 2 juni 2009 is gepleegd. Volgens de korpschef wordt daarmee voldaan aan de voorwaarde van paragraaf 2.1, aanhef en onder a, van de circulaire om de door [appellant] gevraagde toestemming te weigeren. Aan het besluit is verder ten grondslag gelegd dat [appellant] op 2 februari 2010 bij onherroepelijk geworden uitspraak is veroordeeld voor de overtreding van het veroorzaken van een ongeluk, welk feit eveneens op 2 juni 2009 is gepleegd. Die overtreding is in dat besluit ten grondslag gelegd aan de weigering om de door [appellant] gevraagde toestemming te verlenen op grond van paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire, tezamen met het feit dat tegen hem op 10 mei 2009 proces-verbaal is opgemaakt vanwege het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol en hij daarvoor tevens is gedagvaard. De korpschef heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de hardheidsclausule die is opgenomen in paragraaf 2.1.1 van de circulaire niet moet worden toegepast, omdat de nadelen die [appellant] ondervindt van het verlies van zijn werk in de beveiliging niet opwegen tegen de ernst van de overtredingen en de kans op recidive. Ook zien de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden volgens de korpschef niet op de vraag of hij voldoende betrouwbaar kan worden geacht ondanks de feiten waarvoor hij is veroordeeld en gedagvaard.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de korpschef het belang van het voorkomen van misstanden niet heeft afgewogen tegen zijn belang bij het verkrijgen van de door hem gevraagde toestemming. Die belangenafweging is volgens [appellant] op zijn plaats nu bij het al dan niet verlenen van de door hem gevraagde toestemming aan de ene kant het beschermen van de maatschappij tegen misstanden centraal staat en aan de andere kant het toevoegen van leed. Dat laatste dient als strafsanctie te worden aangemerkt, aldus [appellant]. Het onthouden van toestemming is volgens hem onevenredig zwaar in verhouding tot de ernst van de gedragingen die hem worden verweten. Hij is voor 2 februari 2010 nooit veroordeeld en de strafbare feiten zijn gepleegd in een periode die voor hem emotioneel zwaar was. Daarom is volgens hem het risico van recidive laag. Voorts heeft het onthouden van toestemming voor [appellant] het karakter van een beroepsverbod. Volgens hem heeft de rechtbank verder miskend dat de korpschef ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn persoonlijke omstandigheden op grond waarvan volgens hem toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd was. Die omstandigheden bestaan onder meer uit de zorg voor zijn vrouw en onlangs geboren kind en het gegeven dat hij reeds 55 jaar oud is en daarom slechts korte tijd heeft om zijn beroep als beveiliger uit te oefenen en zijn pensioen op te bouwen, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen ruimte aanwezig is voor een belangenafweging zoals die door [appellant] is betoogd. Artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr vereist dat de korpschef toestemming weigert indien degene die die toestemming verzoekt niet beschikt over de vereiste betrouwbaarheid. Voorts is het onthouden van toestemming niet aan te merken als een strafsanctie. Het onthouden van de door [appellant] gevraagde toestemming dient te worden aangemerkt als een bestuurlijke maatregel ter bescherming van de belangen van de goede veiligheidszorg en goede naam van de bedrijfstak en niet als een besluit van een bestuursorgaan gericht op het wegens een overtreding van een bestuursrechtelijke norm toebrengen van concreet nadeel dat verder gaat dan herstel. Nu volgens paragraaf 2.1, aanhef en onder a, van de circulaire toestemming dient te worden onthouden indien degene die om toestemming verzoekt binnen 4 jaar voorafgaand aan het moment van toetsing onherroepelijk is veroordeeld tot een geldboete vanwege een misdrijf en niet in geschil is dat [appellant] in die periode onherroepelijk is veroordeeld tot een geldboete voor het plegen van een misdrijf, was de korpschef reeds daarom gehouden [appellant] toestemming te onthouden.

Anders dan [appellant] betoogt, leidt het onthouden van toestemming aan hem niet tot een beroepsverbod. De wetgever heeft doelbewust gekozen voor het gevolg dat het onthouden van toestemming leidt tot het niet mogen verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie. Voorts wordt [appellant] niet voor altijd uitgesloten van een functie bij een particuliere beveiligingsorganisatie, nu volgens paragraaf 2.1, aanhef en onder a, van de circulaire de terugkijktermijn bij veroordelingen voor een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd vier jaar bedraagt. Voorts heeft de korpschef ter zitting van de Voorzitter desgevraagd te kennen gegeven dat in zaken als hier aan de orde een termijn van twee jaar wordt gehanteerd waarbinnen geen toestemming wordt verleend vanaf het moment van veroordeling.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de korpschef geen toepassing behoefde te geven aan de hardheidsclausule die in paragraaf 2.1.1 van de circulaire is vervat. De korpschef mocht zich in het bij de rechtbank bestreden besluit op het standpunt stellen dat de kans op recidive reëel is, nu [appellant] binnen korte tijd twee maal is aangehouden voor eenzelfde soort misdrijf, te weten het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol. Het betoog van [appellant], dat hij die misdrijven heeft begaan in een periode die voor hem emotioneel zwaar was vanwege het overlijden en de begrafenis van zijn vader, maakt het voorgaande niet anders. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen valt niet uit te sluiten dat hij bij een nieuwe tegenslag of persoonlijk verlies wederom dezelfde fout maakt. De overige persoonlijke omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd zien niet op de vraag of hij voldoende betrouwbaar kan worden geacht ondanks de veroordeling van 2 februari 2010 en behoeven daarom geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.4.2. Het betoog van [appellant], dat de rechtbank heeft miskend dat de korpschef hem toestemming had dienen te verlenen omdat de korpschef van een andere politieregio hem eerder tot 2012 toestemming had verleend om werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie uit te voeren, faalt eveneens. Die toestemming door de korpschef uit een andere politieregio is verleend voordat [appellant] bij onherroepelijk geworden uitspraak van 2 februari 2010 is veroordeeld. Reeds daarom verschilt de huidige zaak van de omstandigheden ten tijde van de toestemming die is verleend door de korpschef van de andere politieregio.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2010

187-622.