Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201003183/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het college [belanghebbende] en [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om het strijdig gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te [plaats], met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en de permanente bewoning van de recreatiewoning binnen een termijn van 18 maanden te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003183/1/H1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2010 in zaak nr. 09/1121 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goedereede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het college [belanghebbende] en [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om het strijdig gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te [plaats], met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en de permanente bewoning van de recreatiewoning binnen een termijn van 18 maanden te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 mei 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 februari 2010, verzonden op 19 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.C. Koese, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank hem ter zitting onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld de door hem in beroep tegen het besluit op bezwaar van 25 februari 2009 aangevoerde gronden toe te lichten en dat hij daarmee in zijn belangen is geschaad. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat [appellant] ter zitting in de gelegenheid is gesteld zijn pleitnota voor te lezen - en dat ook heeft gedaan - en dat hij nog aanvullende opmerkingen heeft gemaakt. Om die reden bestaat evenmin grond voor het oordeel dat [appellant] in zijn belangen is geschaad.

2.2. Vast staat dat [appellant] de recreatiewoning gebruikt voor permanente bewoning en dat dit gebruik in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Duinlust-Groene Weide" op het perceel rustende bestemming "Zomerhuizen (Z)", zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisering bestond. [appellant] stelt dat het handhavingsbeleid van de gemeente Goedereede voor 31 oktober 2003 niet actief werd toegepast en dat hij de recreatiewoning sinds 1993 bewoont en daarmee op grond van dit handhavingsbeleid in aanmerking komt voor een persoonsgebonden ontheffing.

2.3.1. Het betoog faalt. Het college is niet bereid alsnog ontheffing te verlenen voor de permanente bewoning van de recreatiewoning omdat dit in strijd zou zijn met het door hem gevoerde handhavingsbeleid. In beginsel volstaat het enkele feit dat het college niet bereid is ontheffing te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Een besluit tot weigering van een ontheffing is als zodanig in deze procedure immers niet aan de orde, zodat de beoordeling van de Afdeling ter zake zeer terughoudend is. Hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd betreffende het handhavingsbeleid van het college maakt dit niet anders. Er bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de recreatiewoning pas sinds 26 september 2001 permanent wordt bewoond, nu [appellant] zijn woonadres aan [locatie 2] te [plaats] op 26 september 2001 in de Gemeentelijke Basis Administratie heeft laten omzetten in een postadres en hij vanaf dat moment geen beschikking had over een ander hoofdverblijf. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door het college ingenomen standpunt dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van de ontheffing, rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Onder die omstandigheden is van een concreet zicht op legalisering geen sprake. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. [appellant] betoogt verder dat handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en dat de omstandigheden dat hij en zijn vrouw reeds lange tijd permanent in de recreatiewoning verblijven, dat hun sociale leven zich in Ouddorp afspeelt en hun gezondheidstoestand zou moeten leiden tot afgifte van een persoonsgebonden ontheffing.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het belang bij handhaving van wettelijke voorschriften heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van [appellant] bij voorzetting van de permanente bewoning van de recreatiewoning. Het college heeft in dit verband terecht gewezen op mogelijke precedentwerking die het afzien van handhavend optreden tot gevolg heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in de persoonlijke omstandigheden van [appellant] geen grond heeft hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Het betoog faalt.

2.5. De rechtbank heeft voorts, anders dan [appellant] in hoger beroep heeft betoogd, terecht overwogen dat hij in het in beroep aangevoerde heeft nagelaten aan te geven in hoeverre de volgens hem aan het primaire besluit klevende gebreken tevens kleven aan het besluit op bezwaar. Ook in hoger beroep is hij daar niet in geslaagd. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

357-672.