Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201002698/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 14 appartementen in twee woongebouwen aan de Rijksstraatweg 103 en 105 te Elst (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002698/1/H1.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A], [appellante sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 1D], [appellant sub 1E], [appellante sub 1F], [appellant sub 1G] en [appellante sub 1H] (hierna: [appellant sub 1] en anderen), wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) van 2 februari 2010 in zaken nrs. 09/835 en 09/855 in het geding tussen:

[appellant sub 1C] en anderen,

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 14 appartementen in twee woongebouwen aan de Rijksstraatweg 103 en 105 te Elst (hierna: het perceel).

Bij onderscheiden besluiten van 6 februari 2009 heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen en het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2010, verzonden op 8 februari 2010, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2010, waar [appellant sub 1A], [appellant sub 1E], [appellante sub 1F], [appellant sub 1D], [appellant sub 1C] en [appellant sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door Th.G. Florissen en J.M. van Maanen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van 14 appartementen in twee woongebouwen. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Elst" op het perceel Rijksstraatweg 103 en 105 te Elst rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de nadere aanduiding "Goederenwegvervoerbedrijf (TR)". Teneinde bouwvergunning te verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft kunnen leggen aan de verleende vrijstelling. Zij voeren daartoe aan dat er in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte van wordt uitgegaan dat alle appartementen in het bouwplan zijn georiënteerd op de Rijksstraatweg en de voorgenomen bebouwing aansluit op de bestaande fijne korrel op de Rijksstraatweg.

2.3.1. De ruimtelijke onderbouwing van het project is neergelegd in het voorontwerp-bestemmingsplan "Rijksstraatweg 103-105 Elst". In de paragrafen 2.4.3. en 3.1.3. is met betrekking tot de stedenbouwkundige aspecten verwezen naar een door KuiperCompagnons opgesteld stedenbouwkundig advies Bedrijfsterreinen Krijn van Lienden en TBI, Rijksstraatweg Elst. Vermeld is dat met het verdwijnen van de bedrijven de mogelijkheid ontstaat om de ruimtelijke kwaliteit van de terreinen te versterken. Gezien het woonkarakter van de omgeving leent het plangebied zich goed voor woningbouw. De gemeente acht de omzetting van bedrijfsdoeleinden naar een woonbestemming daarom wenselijk. De Rijksstraatweg heeft, aldus de ruimtelijke onderbouwing, een gevarieerd karakter. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de hoofdfunctie van de straat wonen, maar wordt deze afgewisseld met bedrijvigheid. Kenmerkend is de onregelmatige verkaveling, verspringende rooilijnen, wisselende kavelgroottes, individueel gebouwde panden, wisselende kapvormen, een kleine korrel aan de straatzijde en grotere (bedrijfs-)panden op het achtererf. Wat betreft de invulling van het plangebied is van belang dat nieuwe bebouwing op een zorgvuldige manier wordt ingepast en de bestaande karakteristieken niet worden verstoord.

In de stedenbouwkundige richtlijnen is, onder meer en voor zover van belang, vermeld dat de woningen op de Rijksstraatweg moeten zijn georiënteerd, hetgeen wil zeggen dat de woonfuncties en raamopeningen aan de voorzijde moeten zijn gesitueerd. Ter zitting is namens het college toegelicht dat met het stellen van dit vereiste is beoogd te verzekeren dat geen blinde muren aan de zijde van de Rijksstraatweg worden gebouwd. Voorts is vermeld dat de woningen zoveel mogelijk moeten aansluiten op de bestaande korrel, het kleinschalige en informele karakter, waarbij is opgemerkt dat verticale geledingen en verspringingen in de hoogte het kleinschalig beeld versterken. Onder fijne korrel moet blijkens het verhandelde ter zitting worden verstaan het karakter en de schaal van de bestaande bebouwing in de directe omgeving van het bouwplan. De woningen/gebouwen dienen primair gesitueerd te worden in de hoofdbebouwingszone (ter plaatse van het plangebied 10 meter uit de rand van de Rijksstraatweg gesitueerd en 15 meter diep) en de hoofdbebouwing wordt gesitueerd in een verspringende rooilijn. Tevens is vermeld dat de breedte van de bebouwing aan de straatzijde maximaal 15 meter is, de goothoogte van de bebouwing maximaal 6 meter en de nokhoogte maximaal 10 meter (twee lagen en een kap). Tot slot is vermeld dat de afstand van de bebouwing tot de achtergevels van de woningen aan de Oranjestraat minimaal 25 meter is.

2.3.2. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft kunnen leggen aan de verleende vrijstelling.

Het college kon zich op het standpunt stellen dat alle veertien appartementen zijn georiënteerd op de Rijksstraatweg. Zoals het college heeft gesteld, zijn de woon- en slaapruimten van vier van de appartementen weliswaar mede gelegen aan de zijde van de Oranjestraat, en derhalve niet aan de Rijksstraatweg, maar de grotere (beeldbepalende) ramen van die ruimten zijn niet gericht op de Oranjestraat en de ramen die wel uitzicht hebben op de Oranjestraat zijn smal. Voorts blijkt uit de van de bouwvergunning deel uitmakende tekening dat aan de naar de Rijksstraatweg gekeerde zijde van de gebouwen uitsluitend woonkamers zijn gesitueerd.

Het college kon zich daarnaast in redelijkheid op het standpunt stellen dat het bouwplan aansluit bij de bestaande korrel. Het heeft hierbij kunnen betrekken dat het bouwplan bestaat uit twee losse woongebouwen, elk bestaande uit twee bouwlagen met kap, waarbij de voorgevel van het pand circa 10 meter terug ligt ten opzichte van de perceelsgrens met de Rijksstraatweg, waardoor de uit de stedenbouwkundige richtlijnen blijkende gewenste verspringing van de voorgevel ontstaat. Het college heeft daarbij ook kunnen betrekken dat in elk appartement een verticale geleding is aangebracht, waardoor de gevelbreedte van circa 14 meter wordt gebroken in twee gevels van circa 7 meter en dat de maximale goot- en nokhoogte van 6 en 10 meter is gehandhaafd, en deze bebouwing wat de aard en schaal betreft vergelijkbaar kunnen achten met de goot- en nokhoogte van grondgebonden woningen, waardoor twee gebouwen ontstaan die qua korrel passend zijn binnen het straatbeeld.

Het betoog faalt.

2.4. Onder verwijzing naar stukken van de gemeenteraad uit 2006 en correspondentie over een informatiebijeenkomst in 2006 betogen [appellant sub 1] en anderen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat door [vergunninghoudster] is toegezegd dat de afstand van de bebouwing tot de achtergevels van de woningen aan de Oranjestraat minimaal 30 meter zal bedragen, terwijl het bouwplan voorziet in een afstand van slechts 25 meter.

2.4.1. De door [appellant sub 1] en anderen overgelegde stukken, die betrekking hebben op een in 2006 ingediend schetsplan, bieden geen grond voor het oordeel dat door of namens het college toezeggingen zijn gedaan, waaraan [appellant sub 1] en anderen het gerechtvaardigde vertrouwen konden ontlenen dat een minimale gevelafstand van 30 meter zou worden aangehouden. De rechtbank heeft, anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, dan ook terecht overwogen dat niet is komen vast te staan dat concrete en ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank hen ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij geen tegenadvies hebben overgelegd op grond waarvan tot de conclusie zou moeten worden gekomen dat het college het positieve welstandsadvies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Zij voeren daartoe aan dat zij voldoende hebben aangevoerd om de inhoud van het welstandadvies te kunnen weerleggen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.5.2. Niet in geschil is dat het advies naar wijze van totstandkoming niet zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant sub 1] en anderen hebben daarnaast niet onderbouwd waarom het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen ten behoeve van het bouwplan, omdat door de bebouwing de lichtinval met de helft zal verminderen en dat deze tot een grote inbreuk op de privacy in de tuin en woning zal leiden.

2.6.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college wat de daglichttoetreding betreft konden afgaan op de onderzoeken die [vergunninghoudster] en [appellant sub 2] hebben laten verrichten. Weliswaar blijkt daaruit dat de daglichttoetreding in de woning Rijksstraatweg 107 zal verminderen, maar dat deze na realisering van het bouwplan aan de op dit punt in het Bouwbesluit gestelde eisen zal voldoen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het bouwplan schaduwwerking zal opleveren in de tuin en op het achterdeel van de woning van [appellant sub 2] en tot een beperking van de privacy zal leiden, maar dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in dit geval niet tot onredelijke beperkingen leidt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de maatvoering van de op te richten bebouwing past binnen het straatbeeld en sprake is van een verspringende rooilijn, waardoor de voorgevel van de op te richten bebouwing op ongeveer acht meter ligt van de voorgevel van de woning van [appellant sub 2], deze woning nagenoeg op de erfgrens is gebouwd en een zeker verlies van privacy en (zon)licht door bebouwing in een stedelijk milieu niet ongebruikelijk is. Voorts kon het college bij het bepalen van de omvang van de inbreuk rekening houden met de omstandigheid dat de situatie verbetert door de wijziging van het gebruik van het perceel en het verdwijnen van het daar gevestigde transportbedrijf. Met de enkele stelling in hoger beroep dat de lichtinval zal verminderen en een inbreuk op de privacy zal worden gemaakt heeft [appellant sub 2] niet gemotiveerd aangevoerd, waarom dit oordeel van de rechtbank niet juist is.

2.7. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

17-473.