Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
200909182/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bij besluit van 25 augustus 2009 vastgestelde wijzigingsplan "[locatie]" te Overberg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909182/1/R2.

Datum uitspraak: 3 november 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bij besluit van 25 augustus 2009 vastgestelde wijzigingsplan "[locatie]" te Overberg.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2010, waar [appellant], in persoon, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door F.L.H.G. Assman, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens is het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door K.F. van de Velde, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Aan de [locatie] te [plaats] is het gemengde veehouderijbedrijf van [belanghebbende] gevestigd. Het wijzigingsplan voorziet in een vormverandering van het agrarische bouwblok van het bedrijf ten behoeve van de bouw van een stal voor melkgeiten. De afmetingen van de stal zullen 24,6 bij 80 meter bedragen.

2.3. Het beroep van [appellant] heeft betrekking op de goedkeuring van het gehele wijzigingsplan.

2.4. [appellant] heeft betoogd dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd omdat de eis dat sprake moet zijn van een doelmatige bedrijfsvoering veel ruimte biedt voor interpretatie.

2.4.1. Er is sprake van voldoende objectieve begrenzing indien de wijzigingsregels aangeven in welke gevallen en onder welke omstandigheden daarvan gebruik mag worden gemaakt. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Naar het oordeel van de Afdeling wordt met de voorwaarde dat de noodzaak van een doelmatige bedrijfsvoering is aangetoond verduidelijkt onder welke omstandigheid gebruik mag worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast kan de noodzaak worden onderzocht aan de hand van bedrijfsgegevens. Het betoog treft geen doel.

2.5. [appellant] betoogt dat de noodzaak van de wijziging niet vaststaat. Hij voert daartoe aan dat niet is aangetoond dat het bestaande bouwblok onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt en dat de voorziene uitbreiding van de huidige bedrijfsvoering groter is dan noodzakelijk.

2.5.1. Ten behoeve van het wijzigingsplan is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, het rapport "Ruimtelijke onderbouwing artikel 11 en 15 WRO verschuiven bestaand bouwblok" van Van Westreenen van november 2007. Volgens het rapport is het wenselijk om het bedrijf te vergroten, zodat een volwaardig gezinsinkomen kan worden gegenereerd. In de bestaande bedrijfssituatie is het bedrijf te klein voor een volwaardig gezinsinkomen. Door de beoogde uitbreiding is er behoefte aan 1,63 arbeidskracht (VAK), waarmee een volwaardig gezinsinkomen kan worden gegenereerd. Door het bedrijf verder te ontwikkelen ontstaat een duurzaam en gezond bedrijf, aldus het rapport. Verder is toegelicht dat de vormverandering van het bouwblok tot een betere ontsluiting van het terrein zal leiden. Gelet op deze bevindingen heeft het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding nodig is om de levensvatbaarheid van het bedrijf voor de langere termijn te waarborgen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan niet voldoet aan de wijzigingsvoorwaarde dat de landschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Het wijzigingsplan verstoort het verfijnde en open houtwallenlandschap. Tot het houtwallenlandschap behoren immers niet alleen de houtwallen maar ook de ruimtes tussen de houtwallen.

2.6.1. Volgens het college van burgemeester en wethouders volgt uit de plantoelichting dat de bestaande houtopstanden moeten worden beschermd. Het stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet tot gevolg heeft dat bestaande houtopstanden moeten worden gekapt, zodat geen aantasting van het landschap plaatsvindt.

2.6.2. Ingevolge artikel 6, lid 15, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan), voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om het bouwperceel te wijzigen, mits de waarden als bedoeld in lid 1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Ingevolge lid 1 zijn deze waarden archeologische waarden, beschermd dorpsgezicht, houtwallenlandschap en openheid van het landschap. Deze waarden komen terug in de aanduidingen op de plankaart. Volgens de plankaart van het bestemmingsplan is het wijzigingsplangebied gelegen in het houtwallenlandschap. Deze aanduiding is op de plankaart van het wijzigingsplan opnieuw opgenomen.

2.6.3. [appellant] heeft zijn standpunt dat de openheid tussen de houtwallen eveneens tot het houtwallenlandschap behoort niet onderbouwd. Daarnaast kunnen de kavels tussen de houtwallen verschillen in grootte en bebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat het wijzigen van het bouwblok leidt tot een aantasting van de landschappelijke waarden.

2.7. [appellant] betoogt dat er geen sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de geitenstal. De op te richten stal is te massief in vergelijking met de bestaande kleinschalige bebouwing en verstoort de bestaande bouwstructuur. Daarnaast veronderstelt het college van burgemeester en wethouders dat een houtwal wordt aangelegd, maar dit is niet gewaarborgd in het wijzigingsplan. Ook is het wijzigingsplan in strijd met het landelijke en met het provinciale beleid, dat inzet op de landschapskwaliteit.

2.7.1. In het bestemmingsplan was al een deel van het bouwblok aanwezig aan de zijde van de woning van [appellant], zodat het oprichten van bebouwing aan deze zijde al mogelijk was (onder vrijstelling). De uitbreiding van het bouwblok aan deze zijde waarin het wijzigingsplan voorziet, is niet onredelijk. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de stal past bij de omringende bebouwing.

2.7.2. De aanleg van de houtwal betreft een uitvoeringsaspect dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.7.3. In het landelijke en het provinciale beleid waarnaar [appellant] in zijn zienswijze verwijst, wordt in algemene bewoordingen gesproken over landschappelijke kwaliteit. De Afdeling heeft niet kunnen vaststellen dat het wijzigingsplan hiermee in strijd is.

2.8. [appellant] betoogt dat onvoldoende is onderzocht wat de effecten van het gebruik van de stal zijn op de natuur in het bijzonder voor wat betreft de vleermuizen.

2.8.1. Ten behoeve van het wijzigingsplan is onderzoek verricht naar de effecten van het wijzigingsplan op de beschermde natuurwaarden. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Quickscan natuurwaarden, onderzoeksgebied [locatie] te [plaats]" van februari 2009. Volgens het rapport wordt het plangebied mogelijk gebruikt als foerageergebied voor vleermuizen. De soorten die naar verwachting hier zullen foerageren komen voor in de wijde omgeving en zullen niet strikt gebonden zijn aan dit perceel. Na de bouw van de stal blijft het onderzoeksgebied geschikt als foerageergebied. De verstoring zal van zo geringe aard zijn dat er geen effecten optreden aan populaties van vleermuizen die dit gebied benutten om te foerageren, aldus het rapport. Of hierbij eventuele lichtuitstraling is betrokken, is onbekend.

2.8.2. Het gebruik van het gebied als foerageergebied wordt niet beschermd door de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw). Nu uit het rapport is gebleken dat het gebied alleen van belang kan zijn als foerageergebied staat de Ffw niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. Het betoog faalt.

2.9. [appellant] betoogt dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. De bouw van een stal met een lengte van 80 meter en een hoogte van 8,5 meter op een korte afstand van zijn woning leidt tot aantasting van zijn woongenot en een waardedaling van zijn woning.

2.9.1. De afstand tussen de woning van [appellant] en de voorziene stal bedraagt ongeveer 70 meter. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het college van burgemeester en wethouders aan het belang dat [belanghebbende] heeft bij een uitbreiding van zijn bedrijfsvoering om een gezinsinkomen te kunnen garanderen een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang dat [appellant] heeft bij het behoud van zijn woongenot en bijhorende waarde van zijn woning.

2.10. [appellant] betoogt dat het college van burgemeester en wethouders de aspecten geur en geluid had moeten beoordelen. De omstandigheid dat een milieuvergunning is verleend doet hier niet aan af.

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aspecten geluid en geur niet in de weg staan aan het wijzigingsplan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het bestaande bouwblok niet wordt vergroot maar dat er een vormverandering zal plaatsvinden, waardoor de situering wordt gewijzigd en dat de afstand tussen het bouwblok dat het wijzigingsplan mogelijk maakt en de woning van [appellant] groter is dan de afstand die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit betoog slaagt niet.

2.11. [appellant] betoogt dat het college van gedeputeerde staten in het belang van de volksgezondheid had moeten onderzoeken welke gevolgen de verspreiding van de Q-koorts heeft voor dit wijzigingsplan. Volgens [appellant] was reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een met Q-koorts besmette bedrijfslocatie bekend in de provincie Utrecht en had het college van gedeputeerde staten op de hoogte kunnen zijn van de risico's van de Q-koorts. Voorts wijst [appellant] op het door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 18 december 2009 afgekondigde aanvoerverbod voor melkschapen- en geitenbedrijven met meer dan vijftig dieren en op het op 16 december 2009 afgekondigde moratorium op de uitbreiding van deze bedrijven. Voorts voert hij aan dat tot 1 juli 2010 een fokverbod geldt voor bedrijven met meer dan 50 melkgeiten en melkschapen.

2.11.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat [appellant] eerst in zijn beroepschrift aanvoert dat de risico's van de Q-koorts aan het wijzigingsplan in de weg staan, zodat [appellant] in zoverre niet in beroep kan worden ontvangen.

2.11.2. Het wijzigingsplan is, zoals is voorgeschreven in het bestemmingsplan waarop het is gebaseerd, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij het college van burgemeester en wethouders naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. In zijn zienswijze richt [appellant] zich tegen het gehele wijzigingsplan. De beroepsgrond omtrent Q-koorts kan worden aangemerkt als nadere argumentatie van de ingebrachte zienswijze, zodat er geen grond is om het beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.11.3. Op grond van het bestemmingsplan is een geitenhouderij ter plaatse toegestaan. Het wijzigingsplan ziet niet op ander gebruik maar op een vormverandering van het bouwblok. Gelet hierop staat het gebruik als geitenhouderij thans niet ter beoordeling.

2.11.4. Bovendien stelt de Afdeling vast dat op de tijdstippen dat het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders hun besluiten namen geen regelgeving in werking was of (provinciaal) beleid was vastgesteld over de Q-koorts in relatie tot de ruimtelijke ordening. Ook thans zijn er in de provincie Utrecht geen voorwaarden gesteld aan het planologisch mogelijk maken van (de uitbreiding van) een geitenhouderij en zijn er geen afstanden wettelijk vastgesteld of bekend die tussen een geitenhouderij en de bebouwde kom aangehouden zouden moeten worden.

2.11.5. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat het college van gedeputeerde staten ten tijde van het nemen van het bestreden besluit heeft miskend dat de risico's van de Q-koorts aan het wijzigingsplan in de weg staan.

2.12. [appellant] betoogt dat het college van gedeputeerde staten heeft miskend dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte niet het door hem aangedragen alternatieve wijzigingsplan heeft overgenomen. In dit alternatieve wijzigingsplan wordt de op te richten schuur achter de bestaande schuren gesitueerd.

2.12.1. Het bestaan van een alternatieve situering van het bouwblok kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de situering van het bouwblok die in het onderhavige wijzigingsplan is opgenomen. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders het alternatieve wijzigingsplan wel in ogenschouw genomen. Het betoog faalt.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010

224.