Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
201006649/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college van gedeputeerde staten besloten aan de raad van de gemeente Zuidhorn een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), ertoe strekkende dat bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan zoals dat door de raad bij besluit van 12 april 2010 is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006649/2/R1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Zuidhorn,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college van gedeputeerde staten besloten aan de raad van de gemeente Zuidhorn een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), ertoe strekkende dat bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan zoals dat door de raad bij besluit van 12 april 2010 is vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2010, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft het college van burgemeester en wethouders de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2010, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. L.C. Dijkstra, bijgestaan door B.B. Schuil, beiden werkzaam bij de gemeente, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. E.J. van der Kooi, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, kan het college van gedeputeerde staten, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover het college van gedeputeerde staten een zienswijze over het ontwerp naar voren heeft gebracht, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

2.3. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders het verzoek beperkt tot de aanwijzing voor zover deze ertoe strekt dat de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bijbehorende bestemmingsregeling uit artikel 25 van de planregels geen deel blijven uitmaken van het plan. Het college van gedeputeerde staten acht artikel 25 van de planregels in strijd met artikel 4.27, vierde lid, van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 (hierna: de Omgevingsverordening), nu het eerstgenoemde artikel geen regeling bevat waarin de bestaande maatvoering is vastgelegd van voormalige agrarische bebouwing die in het verleden een functiewijziging naar wonen heeft ondergaan. Het college van burgemeester en wethouders stelt dat de aanwijzing op dit punt te ruim is geformuleerd en daardoor ten onrechte ook ziet op percelen waaraan in het verleden een woonbestemming is toegekend en op percelen die nooit in gebruik zijn geweest ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

2.3.1. Artikel 4.27 van de Omgevingsverordening ziet op niet-agrarisch grondgebruik en luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1) Een bestemmingsplan voorziet niet in de vestiging van nieuwe woningen en nieuwe niet-agrarische bedrijven.

3) Het eerste lid is niet van toepassing ingeval van hergebruik of verbouw van bestaande vrijkomende gebouwen.

4) Het bestemmingsplan stelt regels over het in het derde lid bedoelde hergebruik. Deze regels voorzien in ieder geval in het volgende:

c) de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande maatvoering, die bepaald wordt door de goothoogte, dakhelling, nokhoogte, nokrichting en oppervlakte, blijft gehandhaafd behoudens geringe uitwendige aanpassingen;

d) de sloop van monumentale gebouwen wordt zo veel mogelijk voorkomen.

2.3.2. De voorzitter stelt vast dat de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bijbehorende bestemmingsregeling uit artikel 25 van de planregels voorzien in bouwmogelijkheden. Door het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat genoemde planonderdelen en plandelen geacht worden deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" zoals dat is vastgesteld, kunnen onomkeerbare gevolgen ontstaan. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de planonderdelen en plandelen waarop de aanwijzing betrekking heeft, het toetsingskader vormen voor mogelijke aanvragen voor een omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Hoewel de voorzitter, onder meer gelet op het feit dat artikel 4.27, derde lid, van de Omgevingsverordening alleen rept over vrijkomende gebouwen en niet ook over vrijgekomen bebouwing, twijfelt aan de juistheid van het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat artikel 4.27, vierde lid, van die verordening tevens ziet op voormalige agrarische bebouwing die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening een functiewijziging naar wonen heeft ondergaan, wordt niet op voorhand uitgesloten dat de aanwijzing in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven, zodat het treffen van een voorlopige voorziening, zoals verzocht, naar het oordeel van de voorzitter te verstrekkend zou zijn.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010

472.