Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
201006115/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / verblijf in politiecel / vijf dagen / overschrijding termijn

Niet in geschil is dat de vreemdeling op 2 juni 2010 in bewaring is gesteld in Bureau Vreemdelingenpolitie te Amsterdam en op 8 juni 2010 is overgeplaatst naar het detentieplatform te Zaandam. Volgens paragraaf A6/5.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, hoeft de dag waarop de bewaring is bevolen niet meegeteld te worden bij de berekening van de termijn waarbinnen de overplaatsing in beginsel dient plaats te hebben. Dit betekent dat die termijn, welke naar volgt uit bovenvermelde uitspraak van de Afdeling vijf dagen bedraagt, met één dag is overschreden. De minister heeft geen bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen ter rechtvaardiging hiervan aangevoerd. De beroepsgrond slaagt.

Gelet op het bovenstaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 juni 2010 gegrond verklaren voor zover dit ziet op de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring en voor het overige ongegrond verklaren. Ter zake van het nadeel dat de vreemdeling heeft geleden door zijn te late overplaatsing naar het detentieplatform te Zaandam heeft hij aanspraak op € 25,00 aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Er is geen grond voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006115/1/V3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 21 juni 2010 in zaak nr. 10/19915 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 juni 2010, verzonden op 23 juni 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De in de grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 7 oktober 2010 in zaak nr. 201003288/1/V3; www.raadvanstate.nl) beantwoord. De overwegingen van die uitspraak zijn ook in dit geval van toepassing zodat de grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit van 2 juni 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij binnen 120 uur vanuit de politiecel naar een huis van bewaring had moeten worden overgeplaatst en dat dat niet is gebeurd, nu hij pas na zeven dagen is overgeplaatst van een politiecel naar het detentieplatform.

2.3.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling op 2 juni 2010 in bewaring is gesteld in Bureau Vreemdelingenpolitie te Amsterdam en op 8 juni 2010 is overgeplaatst naar het detentieplatform te Zaandam. Volgens paragraaf A6/5.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, hoeft de dag waarop de bewaring is bevolen niet meegeteld te worden bij de berekening van de termijn waarbinnen de overplaatsing in beginsel dient plaats te hebben. Dit betekent dat die termijn, welke naar volgt uit bovenvermelde uitspraak van de Afdeling vijf dagen bedraagt, met één dag is overschreden. De minister heeft geen bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen ter rechtvaardiging hiervan aangevoerd. De beroepsgrond slaagt.

2.4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

2.5. Gelet op het bovenstaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 juni 2010 gegrond verklaren voor zover dit ziet op de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring en voor het overige ongegrond verklaren. Ter zake van het nadeel dat de vreemdeling heeft geleden door zijn te late overplaatsing naar het detentieplatform te Zaandam heeft hij aanspraak op € 25,00 aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Er is geen grond voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000.

2.6. De minister, thans de minister voor Immigratie en Asiel, dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2010 in zaak nr. 10/19915;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep voor zover dit ziet op de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling € 25,00 (zegge: vijfentwintig euro) te betalen;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010

395.

Verzonden: 26 oktober 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser