Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO2081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
200707073/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Ghazni / geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn

De in deze zaak door de minister ingeroepen ambtsberichten bevatten geen informatie die grond biedt voor het oordeel dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door de vreemdeling gestelde gewapend conflict ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 7 september 2007 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger in de provincie Ghazni, louter door zijn aanwezigheid in die provincie, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. Het oordeel van het EHRM in voormeld arrest in aanmerking genomen en aangezien uit de hiervoor vermelde stukken niet blijkt dat sindsdien een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Ghazni heeft plaatsgevonden dat ten aanzien van de situatie in die provincie thans tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707073/1/V2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 september 2007 in zaak nrs. 07/34783 en 07/34784 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak wordt aangehouden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) op de door de Afdeling (bij verwijzingsuitspraak van 12 oktober 2007 in zaak nr. 200702174/1; www.raadvanstate.nl) gestelde prejudiciële vragen over de betekenis van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn).

Bij arrest van 17 februari 2009 in zaak C-465/07 (www.curia.europa.eu), heeft het Hof voormelde vragen beantwoord.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de minister van Justitie bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 juli 2010, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op het hoger beroep zijn de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.2. In de grieven een en twee betoogt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter heeft miskend dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn onder de reikwijdte van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 valt, omdat de bescherming die artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn biedt materieel niet verder gaat dan de bescherming die wordt geboden door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM).

In de derde grief klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij een onjuiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling of de vreemdeling een geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Hij betoogt daartoe dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de vreemdeling reeds geen geslaagd beroep kan doen op die bepaling, omdat zijn vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in verband met de eigendom van een stuk grond van zijn familie en zijn Hazara-afkomst niet aannemelijk is, nu deze vrees is gebaseerd op vermoedens welke niet zijn geconcretiseerd.

2.2.1. De vreemdeling heeft steeds volhard in zijn verklaring dat hij [de vreemdeling] is, afkomstig uit de provincie Ghazni in Afghanistan. De staatssecretaris heeft deze verklaring niet uitdrukkelijk bestreden; hij is er bij de beoordeling van de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ook van uitgegaan dat hij S.R. Sadeqi is, afkomstig uit de provincie Ghazni in Afghanistan.

2.2.2. De rechtsvragen die in de grieven worden opgeworpen, heeft de Afdeling reeds beantwoord in haar uitspraak van 9 april 2010 in zaak nr. 200807306/1/V2; www.raadvanstate.nl. Uit deze uitspraak volgt dat de grieven een en twee slagen en dat de derde grief, nu de staatssecretaris ook in dit geval de verklaring van de vreemdeling over de hem identificerende gegevens niet uitdrukkelijk heeft bestreden, faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 7 september 2007 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop nog moet worden beslist.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2007 (hierna: het ambtsbericht), betoogd dat hij van Hazara afkomst is en dat deze groep in het zuiden van Afghanistan, waaruit hij afkomstig is, een verhoogd risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zodat aannemelijk is dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan.

2.4.1. Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329), zijn verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("special distinguishing features") als bedoeld in het arrest van het EHRM van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (RV 1991, 19), waaruit een reëel risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden, niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (JV 2007/30).

2.4.2. In het besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aan dit standpunt heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de stelling van de vreemdeling dat hij reeds omdat hij van Hazara afkomst is een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM niet wordt gevolgd. In dit kader verwijst hij naar het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire nr. 2007/07 (Stc. 2007, nr. 101). Volgens de staatssecretaris zijn de Hazara's niet zodanig kwetsbaar dat zij systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen waartegen zij geen bescherming kunnen krijgen. Hij verwijst daartoe naar het ambtsbericht waaruit onder meer blijkt dat de Hazara's een vice-president en vier ministers hebben geleverd.

2.4.3. In het ambtsbericht wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Hazara’s zijn in het verleden vaak het slachtoffer geweest van discriminatie op zowel religieuze als raciale gronden. Zij vormen een sji’itische minderheid in Afghanistan. Tijdens het Talibanregime resulteerde dit in misstanden jegens de Hazara-bevolking in met name centraal-Afghanistan. Omdat de Hazara’s een belangrijk aandeel hebben geleverd in de overwinning op de Taliban is de situatie van Hazara’s in met name Kaboel verbeterd. De Hazara-bevolking is meer dan in het verleden vertegenwoordigd in de overheidsinstituties. Hazara’s lopen verhoogd risico op discriminatie en vervolging in het zuiden en westen van Afghanistan. In het westen van Afghanistan zijn uit Iran terugkerende Hazara’s vaak het slachtoffer van illegale landconfiscaties door lokale commandanten en hun troepen. De discriminatie aldaar vindt geregeld plaats onder het mom dat de Hazara’s zouden collaboreren met Iran."

2.4.4. Uit voormelde informatie in het ambtsbericht kan worden afgeleid dat de situatie van de Hazara's in het zuiden van Afghanistan zorgelijk is en dat zij te lijden hebben onder de slechte veiligheidssituatie. Daaruit blijkt echter ook dat de Hazara-bevolking meer dan in het verleden is vertegenwoordigd in overheidsinstituties. Het ambtsbericht biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de Hazara's in Afghanistan dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen en de vreemdeling reeds vanwege het behoren tot deze groep aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Om een geslaagd beroep op deze verdragsbepaling te doen, kan de vreemdeling derhalve niet volstaan met aannemelijk te maken dat hij tot de Hazara's in Afghanistan behoort.

De beroepsgrond faalt.

2.5. De vreemdeling heeft, zakelijk weergegeven, in beroep voorts betoogd dat de staatssecretaris in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, nu hij zich daarin niet heeft uitgelaten over de vraag of zich in de provincie Ghazni in Afghanistan ten tijde voor hem van belang de uitzonderlijke situatie voordeed waartegen die bepaling bescherming beoogt te bieden.

2.5.1. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2.2. is overwogen volgt dat het betoog van de vreemdeling slaagt.

2.6. Het beroep is gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

2.7. De Afdeling ziet in hetgeen de minister in zijn brief van 14 juli 2010 heeft aangevoerd aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij overweegt hiertoe als volgt.

2.7.1. De minister heeft zich in zijn brief van 14 juli 2010 onder verwijzing naar de algemene ambtsberichten inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2007 en maart 2009 op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven, in de provincie Ghazni in Afghanistan ten tijde van het besluit van 7 september 2007 geen sprake was, dan wel thans sprake is, van de uitzonderlijke situatie bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2 (www.raadvanstate.nl). De Afdeling leidt hieruit af dat de minister zich thans op het standpunt stelt dat de vreemdeling, ongeacht de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas, geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, aangezien zich ten tijde van het besluit van 7 september 2007 in de provincie Ghazni niet de uitzonderlijke situatie voordeed waartegen die bepaling bescherming biedt en die situatie zich thans evenmin voordoet.

2.7.2. Het EHRM heeft in het arrest van 20 juli 2010 in zaak nr. 23505/09, N. tegen Zweden (JV 2010/373) in rechtsoverweging 52 ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan het volgende overwogen:

"Whilst being aware of the reports of serious human rights violations in Afghanistan, as set out above, the Court does not find them to be of such a nature as to show, on their own, that there would be a violation of the Convention if the applicant where to return to that country. The Court thus has to establish whether te applicant's personal situation is such that her return to Afghanistan would contravene Article 3 of the Convention."

2.7.3. De in deze zaak door de minister ingeroepen ambtsberichten bevatten geen informatie die grond biedt voor het oordeel dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door de vreemdeling gestelde gewapend conflict ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 7 september 2007 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger in de provincie Ghazni, louter door zijn aanwezigheid in die provincie, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. Het oordeel van het EHRM in voormeld arrest in aanmerking genomen en aangezien uit de hiervoor vermelde stukken niet blijkt dat sindsdien een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Ghazni heeft plaatsgevonden dat ten aanzien van de situatie in die provincie thans tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.8. De staatssecretaris, thans de minister voor Immigratie en Asiel, dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 september 2007 in zaak nr. 07/34783;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 7 september 2007 met kenmerk 0708-31-0501;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2010

418-563.

Verzonden: 21 oktober 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser