Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
201002608/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Keervoorziening Molenvliet" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002608/1/R2.

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Woerden,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Keervoorziening Molenvliet" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door drs. L.C. Lindeman, C.J.M. Vermeent en C.Th. Vermeulen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Prorail, vertegenwoordigd door [gemachtigden], werkzaam bij Prorail, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. [twee van de appellanten] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) , kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellanten], voor zover ingesteld door [twee van de appellanten], is niet-ontvankelijk.

2.1.1. De raad betwist de ontvankelijkheid van [appellanten b] (hierna in enkelvoud: [appellant b]). De raad stelt dat [appellant b] het beroepschrift heeft ondertekend nadat de beroepstermijn was verlopen.

2.1.2. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb dient een beroepschrift te worden ondertekend.

Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gestelde eisen voor het in behandeling nemen daarvan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.3. Hoewel het beroepschrift van [appellanten] niet is ondertekend door [appellant b] is hierin vermeld dat hij gebruik wil maken van zijn beroepsrecht en dat een ondertekening volgt. Bij brief van 22 maart 2010, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2010, heeft [appellant b] het beroepschrift voorzien van een handtekening. Nu het verzuim is hersteld nog voordat hiervoor een termijn is gegund, is [appellant b] ontvankelijk in zijn beroep.

Ten aanzien van het beroep voor het overige

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een keervoorziening voor de bestaande spoorlijn Leiden - Woerden ter hoogte van de wijk Molenvliet in Woerden. De keervoorziening maakt het mogelijk dat treinen uit Utrecht kunnen keren in Woeren.

2.3. [appellanten] hebben ter zitting een groot aantal nieuwe argumenten aangevoerd. Deze argumenten dienen wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten nu de raad noch Prorail hiermee bekend waren en zodoende hier niet op deze argumenten hebben kunnen reageren. Hierbij acht de Afdeling van belang dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van [appellanten] redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij deze punten eerder naar voren hadden gebracht.

2.4. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plan. Hiertoe voeren zij aan dat het plan leidt tot een forse toename van geluidsoverlast doordat het aantal treinen dat passeert verdrievoudigt en doordat het spoor dichterbij de woningen komt te liggen. In dit verband merken zij op dat remmende treinen meer geluid produceren dan langsrijdende treinen en dat een toename van de frequentie een andere geluidsbeleving met zich brengt. In het akoestische rapport wordt volgens hen ten onrechte geen aandacht besteed aan deze aspecten. Dit klemt te meer nu zij ook geluidsoverlast zullen ondervinden van maatregelen rondom de A12, waaronder de verbreding daarvan, waardoor sprake zal zijn van cumulatie, aldus [appellanten]. Verder stellen [appellanten] dat een geluidsscherm langs de spoorlijn aan de zijde van hun woningen zou moeten worden geplaatst van 1 tot 1,5 meter hoog.

2.4.1. De raad stelt dat in het kader van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) onderzoek heeft plaatsgevonden naar de geluidsbelasting ten gevolge van het plan. Dit onderzoek is volgens de raad correct en zorgvuldig uitgevoerd. Doordat de snelheid vermindert, met een betonnen constructie wordt gewerkt en een modernere trein wordt ingezet, leidt het plan tot een geluidsafname van 1 tot 2 dB, aldus de raad. Wat betreft de constructie van het spoor heeft de raad ter zitting gesteld dat het gebruik van stiller materiaal is gegarandeerd en dat het spoor hiervan direct wordt voorzien. De raad stelt verder dat cumulatie van geluid een aspect is dat wordt betrokken in de geluidsonderzoeken ten behoeve van de maatregelen rondom het A12-traject. Volgens de raad bestaat geen wettelijke grondslag om in het kader van het voorliggende plan geluidsmaatregelen te treffen.

2.5. In de plantoelichting is vermeld dat in het kader van de Wgh onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting ten gevolge van dit plan. Hierin is ondermeer gekeken naar de fysieke lay-out van het spoor, de treinfrequentie en het materiaal. Volgens dit onderzoek neemt de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen die gelegen zijn binnen de invloedssfeer van de spooraanpassingen en binnen de zone van het huidige spoor, af. De afname is te danken aan het gebruik van stil materiaal en aan de inzet van stil materieel. Dit volgt ondermeer uit de omstandigheid dat voor het nieuw aan te leggen spoor gebruik wordt gemaakt van de stilste variant, voegloos spoor op betonnen dwarsliggers. Ook worden er meer stillere treinen gebruikt ten opzichte van het referentiejaar 1987. Uit het onderzoek volgt dat er geen geluidswerende maatregelen, zoals geluidsschermen, hoeven te worden genomen in het kader van het Besluit geluidhinder.

Volgens het akoestische onderzoek zijn de normen uit de Wgh niet van toepassing op het plan, nu geen sprake is van een wijziging van een spoorweg als bedoeld in de Wgh.

2.5.1. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het akoestische onderzoek zodanige gebreken vertoont dat de raad zich hier niet op heeft kunnen baseren. In het akoestische onderzoek is rekening gehouden met het gegeven dat de invloed van de snelheid van treinen groter is dan de invloed van de treinfrequentie en dat het overgrote deel van de treinen bij de keervoorziening stopt en terugrijdt. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek ervan uitgegaan dat door de inzet van stillere treinen minder geluidbelasting is te verwachten, hetgeen in het bijzonder geldt voor remmende treinen. Voorts acht de Afdeling in dit verband van belang dat de normering van de geluidsbelasting is vastgesteld op het aantal treinpassages gedurende de dag, avond en nacht. Hiervoor is gekozen om de geluidsmaat voldoende tegemoet te laten komen aan de geluidsbeleving. Anders dan [appellanten] stellen is in het akoestische onderzoek derhalve gekeken naar de door hen aangevoerde aspecten en is de beleving van de treinfrequentie verdisconteerd in de normering.

De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de geluidsnormen uit de Wgh niet van toepassing zijn op het plan. Dit laat echter onverlet dat sprake dient te zijn van een goed woon- en leefklimaat. De beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt slechts gedeeltelijk ingevuld door de geluidsnormen uit de Wgh en heeft daarbuiten een zelfstandige betekenis. Wat betreft de vraag of een beoordeling van de cumulatieve geluidhinder achterwege kan blijven, wordt overwogen dat in zijn algemeenheid aangenomen moet worden dat een geluidsbelasting van het spoor, in relatie bezien tot de maatregelen rondom het A12-traject, een negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat. Nu uit het akoestische onderzoek blijkt dat het plan een positieve invloed heeft op de ter plaatse aanwezige geluidsbelasting, in verband met ondermeer de aanpassingen aan het spoor, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat naar cumulatieve aspecten wordt gekeken in de procedure rondom het A12-traject niet onredelijk. Te meer nu de besluitvorming hieromtrent nog moet plaatsvinden. Dat in het kader van het voorliggende plan geen geluidswerende maatregelen worden getroffen acht de Afdeling om dezelfde reden, te weten de positieve invloed van het plan, evenmin onredelijk. Naar ter zitting is bevestigd, zal in het kader van de besluitvorming voor het A12-traject opnieuw worden bezien of geluidsreducerende maatregelen moeten worden getroffen.

2.5.2. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingediend door [twee van de appellanten], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010

317-647.