Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
200904001/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2009, kenmerk 2009INT239991, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amersfoort bij besluit van 8 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Birkhoven-Bokkeduinen 2008" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904001/1/R2.

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging Behoud Bos Birkhoven en Bokkeduinen, gevestigd te Amersfoort,

2. [appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2009, kenmerk 2009INT239991, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Amersfoort bij besluit van 8 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Birkhoven-Bokkeduinen 2008" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben de Vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2009, en [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2010, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door haar [voorzitter] en [bestuurslid], bijgestaan door mr. A.I. de Haan, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.W.P. Hamster, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. S.E. Eissens-Eigenhuis, H.N. Abrahams, R.M. van Assema en L. Visscher, allen werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de gebieden Birkhoven en Bokkeduinen, alsmede het gebied dat wordt begrensd door de Birkstraat/Amsterdamseweg, de Middelhoefseweg en de spoorlijn Amersfoort-Amsterdam. Het doel van het plan is enerzijds het mogelijk maken van nieuwe voorzieningen en anderzijds het conserveren van bestaande voorzieningen en het handhaven van de groene en recreatieve functie van het plangebied.

Het beroep van de Vereniging

2.3. De Vereniging betoogt dat het college gedeeltelijk goedkeuring had moeten onthouden aan het plan. Zij voert hiertoe eerst aan dat het rapport van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (hierna: IBN-rapport) uit 1998 ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken. Zij stelt dat de raad niet heeft aangegeven op welke punten het IBN-rapport niet meer actueel of bruikbaar zou zijn. Volgens de Vereniging is het onderzoek uit 2004 dat aan het plan ten grondslag is gelegd, minder diepgaand en kritisch en ook niet meer actueel te noemen. Het bewust buiten beschouwing laten van het IBN-rapport heeft volgens haar de schijn van vooringenomenheid.

2.3.1. Het college ziet geen reden om te twijfelen aan de objectiviteit van het meer recente onderzoek van Adviesbureau Mertens uit 2004, waarbij naast het inventariseren van de beschermde natuurwaarden ook de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen op deze natuurwaarden zijn onderzocht.

2.3.2. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft Adviesbureau Mertens, Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie, onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in het plangebied en de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen op deze natuurwaarden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuurwaarden van Birkhoven-Bokkeduinen in de gemeente Amersfoort" van november 2004 (hierna: het natuurwaardenrapport). Bij dit onderzoek is het IBN-rapport uit 1998 betrokken.

Het IBN-rapport betreft een algemeen rapport over de natuurlijke en de ecologische condities van het gebied Birkhoven-Bokkeduinen. Anders dan het natuurwaardenrapport, is het IBN-rapport niet specifiek opgesteld ten behoeve van dit plan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad niet ten onrechte het specifiek voor dit plan opgestelde natuurwaardenrapport als uitgangspunt heeft genomen bij de besluitvorming. De omstandigheid dat de raad niet kenbaar heeft gemaakt op welke punten het IBN-rapport niet meer actueel is, brengt nog niet met zich dat de raad niet aan zijn onderzoeksverplichting heeft voldaan en evenmin dat het plan op onzorgvuldige wijze is voorbereid. De Vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan het natuurwaardenrapport zodanige gebreken kleven of dat dit zodanige leemten in kennis bevat dat de raad en het college zich hier bij de vaststelling onderscheidenlijk de goedkeuring van het plan niet op hebben mogen baseren.

2.4. De Vereniging stelt verder dat de bij het luchtkwaliteitonderzoek gehanteerde inputgegevens en prognoses onjuist zijn. Zij voert aan dat de gemiddelde doorrijsnelheid van 50 km per uur op de Barchman Wuytierslaan onjuist is vanwege de lange files tijdens de spits. De Vereniging betwist het standpunt van het college dat in het onderzoek rekening is gehouden met deze filevorming. Daarnaast wijst de Vereniging erop dat de Barchman Wuytierslaan in de huidige situatie al overbelast is.

2.4.1. Het college stelt zich onder verwijzing naar het rapport van TNO Bouw en Ondergrond op het standpunt dat het plan voldoet aan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit. Volgens het college is in dit rapport rekening gehouden met het optreden van congestie.

2.4.2. TNO Bouw en Ondergrond heeft onderzoek verricht naar de effecten van het plan op de luchtkwaliteit in het gebied Birkhoven-Bokkeduinen als gevolg van het verkeer op de Birkstraat, Amsterdamseweg, Barchman Wuytierslaan en Daam Fockemalaan. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsberekening Amersfoort ter hoogte van Birkhoven en Bokkeduinen" van 28 november 2006 en het geactualiseerde rapport "Luchtkwaliteitsberekening Amersfoort ter hoogte van Birkhoven en Bokkeduinen" van december 2008 (hierna: het luchtkwaliteitrapport). In het luchtkwaliteitrapport wordt geconcludeerd dat de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in geen enkel jaar of variant worden overschreden.

2.4.3. Bijlage A van het luchtkwaliteitrapport bevat de in het onderzoek gehanteerde invoergegevens, bestaande uit verkeersintensiteiten en rijsnelheden in 2010, 2015 en 2020. Uit de in deze bijlage opgenomen tabellen volgt dat wat betreft de verkeersintensiteiten rekening is gehouden met de uitbreiding van de dierentuin. Voor de wegvakken die betrekking hebben op de Barchman Wuytierslaan is uitgegaan van een gemiddelde rijsnelheid van 50 km per uur. Paragraaf 2.3 van het luchtkwaliteitrapport vermeldt dat de gemiddelde snelheid afneemt indien congestie optreedt, en dat op basis van onderzoek factoren zijn afgeleid waarmee de toename van emissie kan worden berekend en dat deze emissietoeslag, bovenop de emissie zonder congestie, betrekking heeft op dat deel van de etmaalintensiteit dat aan congestie onderhevig is. Verder staat in deze paragraaf dat op de Barchman Wuytierslaan en de Daam Fockemalaan is gerekend met een congestiepercentage van 21 op de rijlijnen richting de spoorwegovergang en een congestiepercentage van 4 op de rijlijnen vanaf de spoorwegovergang. Deze congestiepercentages zijn volgens het rapport ontleend aan berekeningen van DHV, welke in bijlage E zijn opgenomen. Ter zitting is van de zijde van de raad uitgelegd dat bij de gehanteerde berekeningsmethode de gemiddelde snelheid alsmede de emissietoeslag in verband met congestie bepalend zijn voor de uitkomst. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht gesteld dat met de congestie van het verkeer op de Barchman Wuytierslaan in het onderzoek rekening is gehouden. De Vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de invoergegevens uit het onderzoek onjuist zijn, noch dat het uitgevoerde onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren.

2.5. De Vereniging betoogt verder dat de uitbreiding van het dierenpark in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) in strijd is met het provinciaal beleid zoals dat is verwoord in het Streekplan Utrecht 2005-2015 (hierna: het streekplan), omdat niet voldaan is aan het compensatiebeginsel dat onderdeel is van het 'nee, tenzij'-regime. Het verlies van bestaand bosgebied wordt ten onrechte gecompenseerd met het gebied Bokkeduinen dat volgens haar reeds is aangeduid als ecologisch en landschappelijk belangrijk gebied. Dit gebied is ten onrechte aangemerkt als nieuwe natuur, zo stelt de Vereniging. Verder betoogt zij dat niet voldaan is aan het stand-still beginsel, omdat de compensatie niet additioneel is vanwege de doorkruising van de gebieden Bokkeduinen en Birkhoven door de Barchman Wuytierslaan. De compensatie binnen de EHS door wijziging van de bestemming "Recreatie" in de bestemming "Parkgebied" of "Natuurgebied" valt onder de EHS-saldobenadering en volgens de Vereniging voldoet de gekozen compensatie niet aan de daarvoor geldende strenge voorwaarden uit het streekplan. De Vereniging voert aan dat het laten staan van bomen in het gedeelte van de uitbreiding van het dierenpark ten onrechte is aangemerkt als mitigerende maatregel. Deze maatregel is in het belang van de onderneming zelf en niet ter vermindering van de compensatieplicht, zoals het college stelt. Tevens voert de Vereniging aan dat de extra bezoekers van het dierenpark en de daarbij behorende verkeersbewegingen, de aanleg van parkeerplaatsen en extra geluidoverlast ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten bij de compensatie.

2.5.1. Het college heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat in 2006 een verklaring van geen bezwaar is afgegeven voor de uitbreiding van het dierenpark en dat toen de ruimtelijke effecten op de omgeving zijn afgewogen. Met de uitbreiding is een groot maatschappelijk belang gemoeid, aldus het college, en de beperkte aantasting van de natuur die de uitbreiding met zich brengt wordt voldoende gecompenseerd door de zogenoemde spoorwegdriehoek en de zone langs de Middelhoefseweg te bestemmen als "Natuurgebied". Daarbij komt dat de kwaliteit van de natuur volgens het college zal verbeteren door het omzetten van recreatieve bestemmingen in de bestemmingen "Natuurgebied" of "Parkgebied".

2.5.2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het dierenpark in zuid-zuidwestelijke richting met ongeveer 7 hectare. In de plantoelichting staat dat in het Masterplan en het MER uitvoerig is gemotiveerd hoe de voorgenomen uitbreiding zich verhoudt tot het beleid van de hogere overheden en dat dit beleid geen belemmering vormt voor de voorgenomen uitbreiding van het dierenpark. Verder vermeldt de plantoelichting dat het gebied van het dierenpark en omgeving in het streekplan is aangewezen als 'landelijk gebied 1'. De uitbreiding is eveneens passend in het regime van de groene contour. De plantoelichting vermeldt dat een gedeelte van de uitbreiding binnen de groene contour ligt en is aangewezen als 'bestaande natuur' in de EHS.

2.5.3. Volgens het streekplan geldt binnen de groene contour het 'nee, tenzij'-regime en kan op gebiedsniveau de saldobenadering worden toegepast. Het 'nee, tenzij'-regime houdt in dat nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen en in de nabijheid van deze gebieden niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en sprake is van redenen van groot openbaar belang. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied al dan niet significant worden aangetast, zal volgens het streekplan de initiatiefnemer hiernaar onderzoek moeten verrichten. Wordt een plan of project na afweging van de belangen toch toegestaan, dan moet een besluit worden genomen over mitigerende en compenserende maatregelen. Het streekplan verwijst naar paragraaf 7.12 over het compensatiebeginsel. Hierin staan, voor zover van belang, de volgende uitgangspunten van het compensatiebeginsel:

- Het stand-still beginsel: in de aangewezen gebieden mag in principe geen nettoverlies aan wezenlijke kenmerken en waarden (in areaal, kwaliteit en samenhang) optreden.

- De geboden compensatie moet additioneel zijn. Het is niet de bedoeling om onder de vlag van compensatie natuur te realiseren waarvan de ontwikkeling al is vastgelegd in bestaande beleidskaders.

- Het nabijheidsbeginsel: de compensatie moet plaatsvinden in de directe omgeving van de ingreep, onder de voorwaarde dat een duurzame situatie ontstaat.

2.5.4. Er is onderzoek verricht naar de gevolgen van de uitbreiding van het dierenpark voor de EHS, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapportage 'Effecten van de uitbreiding van Dierenpark Amersfoort op de EHS' van 6 oktober 2006 (hierna: de rapportage). Volgens deze rapportage kunnen de huidige natuurwaarden als beperkt worden beschouwd en zal de realisatie van de plannen geen grote invloed hebben op huidige natuurwaarden maar wel op de potentiële natuurwaarden. De conclusie van het onderzoek is dat de plannen neutraal tot negatief zijn in relatie tot de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. Wat betreft de compenserende maatregelen wordt in de rapportage voorgesteld om de vermindering van oppervlakte aan bos te compenseren in het plangebied. Uit de rapportage volgt dat er nieuwe bomen in of aan de rand van het dierenpark zouden moeten komen dan wel elders in het plangebied, waarbij de nieuw aan te leggen golfbaan in Birkhoven-Noord of de te realiseren ecologische verbindingszone nabij de Middelhoefseweg als mogelijke locaties worden genoemd. In aanvulling hierop staat in de rapportage dat belangrijke delen van Birkhoven en Bokkeduinen in het bestemmingsplan kunnen worden bestemd als "Natuurgebied" en "Parkgebied". Aan de Birkhoven-zijde zou volgens de rapportage 65 hectare kunnen worden omgezet van de bestemming "Recreatie" in de bestemming "Natuurgebied" (34,4 hectare) en de bestemming "Parkgebied" (30,6 hectare) en aan de Bokkeduinen-zijde zou 14,8 hectare omgezet kunnen worden van de bestemmingen "Recreatie" en "Spoorwegdoeleinden" in de bestemming "Natuurgebied".

2.5.5. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of aan het in het streekplan neergelegde compensatiebeginsel is voldaan. Het verlies van bestaand bosgebied in de EHS door de uitbreiding van het dierenpark wordt gecompenseerd door de zogenoemde spoorwegdriehoek en een zone langs de Middelhoefseweg in te richten als natuurgebied. Deze zone krijgt in het plan de functie van ecologische verbindingszone. Aan de gronden behorende tot de spoorwegdriehoek en de zone langs de Middelhoefseweg is in het plan de bestemming "Natuurgebied" toegekend. De Afdeling deelt niet het standpunt van de Vereniging dat de spoorwegdriehoek in het voorheen geldende bestemmingsplan reeds was aangeduid als een belangrijk ecologisch en landschappelijk gebied, nu uit de plankaart behorende bij dat bestemmingsplan blijkt dat ter plaatse van de spoorwegdriehoek hoofdzakelijk de bestemming "Spoorwegdoeleinden" was toegekend en voor het overige de bestemming "Recreatie". Weliswaar is de natuurontwikkeling ter plaatse feitelijk jaren geleden in gang gezet, maar de bescherming van deze natuur was niet planologisch geregeld. Nu deze natuurontwikkeling nog niet eerder was vastgelegd, is de geboden compensatie in zoverre additioneel.

Wat betreft het betoog dat niet is voldaan aan het stand-still beginsel, omdat sprake is van netto verlies aan wezenlijke kenmerken en waarden in areaal, kwaliteit en samenhang, overweegt de Afdeling als volgt. Van de zijde van het college is ter zitting uiteengezet dat door middel van het omzetten van recreatieve bestemmingen naar natuurbestemmingen kan worden voldaan aan de compensatieplicht. Het streekplan verzet zich er niet tegen dat de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden op deze wijze wordt gecompenseerd, zolang de kwaliteit en de kwantiteit van het compensatiegebied minimaal gelijkwaardig zijn aan het verlies aan waarden en kenmerken. Niet gebleken is dat de geboden compensatie hier niet aan voldoet. Daarbij wordt betrokken dat de spoorwegdriehoek en de Middelhoefseweg volgens het bestreden besluit tezamen een oppervlakte van ongeveer 8 hectare hebben. De toegekende bestemming "Natuurgebied" biedt bescherming voor de (te ontwikkelen) natuur. Het plan voorziet in zoverre in nieuw areaal aan EHS van ten minste gelijke omvang ter compensatie van de EHS die verloren is gegaan met de realisering van de uitbreiding van het dierenpark met 7 hectare. Van vermindering van de compensatieplicht is, anders dan waar de Vereniging vanuit gaat, dan ook geen sprake. Volgens het bestreden besluit behoeft overigens niet met 7 hectare netto gecompenseerd te worden, omdat in het gedeelte van de uitbreiding maar een deel van de bomen gekapt wordt.

De aangewezen compensatiegebieden grenzen weliswaar niet aan de bestaande EHS, maar deze gebieden liggen niet op een dusdanig grote afstand van de EHS, dat het college niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat is voldaan aan het nabijheidsbeginsel.

Over de EHS-saldobenadering staat in het streekplan dat op gebiedsniveau een 'nee, tenzij'-afweging kan worden gemaakt wanneer een combinatie van projecten of handelingen wordt ingediend die tevens tot doel heeft de kwaliteit en/of kwantiteit van de EHS op gebiedsniveau per saldo te verbeteren. Het college is er terecht van uitgegaan dat de EHS-saldobenadering in onderhavig geval niet van toepassing is, omdat de uitbreiding van het dierenpark niet valt aan te merken als een combinatie van projecten of handelingen. Het betoog van de Vereniging dat het omzetten van de bestemming "Recreatie" naar de bestemmingen "Parkgebied" en "Natuurgebied" niet voldoet aan de voorwaarden die gelden bij de EHS-saldobenadering kan reeds daarom niet slagen.

Ten aanzien van het betoog van de Vereniging dat bij de compensatie ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra bezoekers die de uitbreiding van het dierenpark tot gevolg heeft en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen en geluidoverlast, wordt overwogen dat de Vereniging ter zitting niet heeft kunnen aangeven op welke wijze met de aspecten verkeerstoename en geluid in de compensatie rekening diende te worden gehouden. Aangezien de verkeerstoename als gevolg van het dierenpark in het luchtkwaliteitonderzoek is onderzocht en de plantoelichting in de paragraaf over geluid vermeldt dat in de milieuvergunning van het dierenpark geluidseisen zijn opgenomen, is met deze aspecten in het plan rekening gehouden. De Vereniging heeft ter zitting toegelicht dat zij vreest dat bezoekers van het dierenpark door het bos naar de ingang zullen lopen, daar voor verstoring zullen zorgen en ook afval zullen achterlaten. Nu de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat ter plaatse duidelijke bewegwijzering aanwezig is die de bezoekers via de daarvoor bestemde en kortste route naar de toegang leidt, acht de Afdeling de vrees van de Vereniging ongegrond.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de geboden compensatie voldoet aan de uitgangspunten van het compensatiebeginsel uit het streekplan.

2.6. Volgens de Vereniging is de ecologische verbindingszone tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Eemvallei met een breedte van 15 meter volstrekt ontoereikend om als robuuste ecologische verbindingszone te functioneren. In dit verband wijst zij op de ligging van deze strook langs het bedrijventerrein aan de Middelhoefseweg. De Vereniging stelt dat de ecologische verbindingszone ten onrechte ondergeschikt is gemaakt aan een rendabele exploitatie van het bedrijventerrein. Verder voert de Vereniging aan dat het provinciebestuur van Noord-Brabant in stedelijk gebied voor een verbindingszone een breedte van 50 meter aanhoudt.

2.6.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat de breedte van de ecologische verbindingszone voldoende is voor de kleine diersoorten die van de verbinding gebruik zullen maken.

2.6.2. Tussen de gronden ten noorden van de Barchman Wuytierslaan en de Birkstraat en de spoorlijn Amsterdam-Amersfoort bevindt zich de Middelhoefseweg. Over een strook van 350 meter ter plaatse van de Middelhoefseweg en de omliggende gronden zal een 15 meter brede groenstrook worden aangelegd ten behoeve van een ecologische verbindingszone. Aan de gronden is de bestemming "Natuurgebied" toegekend.

2.6.3. Met de gewenste ecologische verbindingszone is beoogd om het bosgebied Birkhoven te verbinden met de Eem, die is gelegen ten noorden van het plangebied. Het college heeft in dit verband van belang kunnen achten dat ter realisatie hiervan onder de spoorlijn een faunapassage is aangebracht en onder de Birkstraat eveneens een buis zal worden aangebracht waardoor een verbinding in zuidelijke richting tot stand wordt gebracht. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat de voorziene ecologische verbindingszone geen provinciale verbindingszone betreft. Van de zijde van de raad is toegelicht dat ten noordwesten van het plangebied - buiten de gemeentegrenzen - op basis van het streekplan een zoekgebied is aangewezen ten behoeve van een robuuste ecologische verbindingszone waar ook grote dieren gebruik van kunnen maken. Daarnaast heeft de raad ter zitting gesteld dat de voorziene groenstrook uitsluitend bedoeld is voor kleine dieren en daarvoor breed genoeg is. Uit het natuurwaardenonderzoek volgt dat de ecologische verbindingszone wordt gerealiseerd voor de ter plaatse voorkomende kleine dieren zoals bruine ratten, egels, konijnen, mollen, wezels en diverse muissoorten. De Vereniging heeft geen gegevens overgelegd die erop duiden dat de voorziene ecologische verbindingszone voor deze kleine dieren ontoereikend is om daarvan gebruik te maken. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene groenstrook als ecologische verbindingszone voor kleine dieren kan functioneren.

2.7. De Vereniging betoogt dat het plan te veel flexibiliteit en ruimte biedt voor nieuwbouw en uitbreiding van bestaande voorzieningen, zoals uitbreidingsmogelijkheden voor diverse sportclubs en bouwmogelijkheden voor de overkapping van het openluchttheater, het realiseren van een uitkijktoren, een centrumvoorziening op het Midland Parc en woningbouw. Deze ontwikkelingen verdragen zich niet met uitgangspunt van het behoud en het versterken van de bestaande recreatieve voorzieningen en zullen leiden tot aantasting van de kwetsbare EHS, aldus de Vereniging.

2.7.1. Het college heeft het vastleggen van bestaande functies met beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor de aanwezige bebouwing in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, omdat het bestemmingsplan de komende tien jaar de basis vormt voor ruimtelijke ontwikkelingen.

2.7.2. Het plan voorziet in enige uitbreidingsmogelijkheden voor sportverenigingen en in bouwmogelijkheden voor onder meer enkele (recreatie)woningen, een centrumvoorziening op het Midland Parc, een uitzichttoren, een overkapping van het openluchttheater, vervangende nieuwbouw van het verzorgingstehuis en een woonzorgcomplex. Het Midland Parc, het verzorgingstehuis en de rugbyclub zijn gelegen in het gebied Bokkeduinen, dat niet in de EHS ligt. Alleen het openluchttheater en de voorziene uitzichttoren liggen in de EHS.

2.7.3. Voor zover de Vereniging betoogt dat het intensieve gebruik en de bouwmogelijkheden van de recreatieve voorzieningen zich niet verdragen met de EHS, wordt overwogen dat in de in artikel 7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften neergelegde beschrijving in hoofdlijnen is bepaald dat het streven erop is gericht om de bestaande recreatieve voorzieningen in het gebied te behouden en waar mogelijk te versterken. In de schriftelijke uiteenzetting stelt de raad dat bij de beschrijving in hoofdlijnen nadrukkelijk de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten zijn gerespecteerd. Niet aannemelijk is geworden dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de genoemde recreatieve voorzieningen die buiten de EHS liggen tot een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS leiden. Wat betreft de bouwmogelijkheden voor de uitzichttoren en de overkapping van het openluchttheater in de EHS, overweegt de Afdeling dat het bij het openluchttheater gaat om een reeds bestaande functie. De uitzichttoren is voorzien op een uitzichtheuvel die deel uitmaakt van een historisch ensemble, samen met het bosbad, de vijver, het pinetum en het openluchttheater. Het plan voorziet in zoverre in het herstel van de functie van de uitzichtheuvel. Zowel het openluchttheater als de uitzichttoren is bereikbaar via reeds bestaande paden, aldus het college ter zitting. Het college heeft ter zitting voorts meegedeeld dat de bouwmogelijkheden van deze voorzieningen zijn aan te merken als uitbreidingen van beperkte omvang waarvoor op grond van het provinciaal beleid geen onderzoek is vereist. De Vereniging heeft dit niet weersproken. Het college heeft zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied als gevolg van de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de voorzieningen niet significant worden aangetast.

Voor zover de Vereniging met het intensieve gebruik de permanente bewoning van recreatiewoningen bedoelt, wijst de Afdeling erop dat dit in strijd is met het bestemmingsplan. Artikel 7, negende lid, van de planvoorschriften bepaalt immers dat tot strijdig gebruik in ieder geval wordt gerekend het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning.

2.8. Voorts betoogt de Vereniging dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen van de toekomstige aanleg van de Westtangent, terwijl het plan wel vooruitloopt op ontwikkelingen die deze aanleg kunnen frustreren. Vanwege de hoge verkeersbelasting op de Barchman Wuytierslaan zal op termijn de Westtangent worden gerealiseerd. Volgens de Vereniging gaat een van de twee tracévoorstellen dwars door het deel van het gebied Bokkeduinen dat in het plan is aangewezen als compensatiegebied voor het verlies van de EHS als gevolg van de uitbreiding van het dierenpark. Door de invulling van het plan bestaan in de toekomst in het gebied geen compensatiemogelijkheden meer voor de Westtangent.

2.8.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat in het plan geen reservering voor de mogelijke Westtangent is opgenomen, omdat hierover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden.

De raad heeft het wenselijk geacht om het onderhavige plan vast te stellen en heeft daarbij meegewogen dat de Westtangent in ieder geval niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Daarom is ervoor gekozen om de huidige situatie voor zover die van belang is voor de eventuele aanleg van de Westtangent, in het plan te conserveren om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat het plan niet voorziet in de aanleg van de Westtangent. Hoewel de plannen voor de Westtangent reeds lange tijd bestaan, is niet gebleken dat hierover ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van het plan concrete ruimtelijke besluitvorming had plaatsgevonden. Gelet hierop acht de Afdeling de keuze om in dit plan geen rekening te houden met een eventueel compensatiegebied als gevolg van de aanleg van de Westtangent niet onredelijk. De vraag of dit plan een belemmering vormt voor de toekomstige aanleg van de Westtangent, behoeft in deze procedure geen bespreking.

2.9. De conclusie is dat hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten]

2.10. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding 'houtopstanden' die rust op de gronden van het Midland Parc. Volgens hen had deze aanduiding beperkt moeten worden tot de boomsingels in het vakantiepark die niet behoren tot de privétuinen. [appellanten] betogen dat het aanlegvergunningenstelsel dat deze aanduiding met zich brengt, te beperkend is en te willekeurig kan ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer. Volgens hen is onduidelijk wat onder normaal beheer en onderhoud van tuinen zoals bedoeld in het aanlegvergunningenstelsel wordt verstaan.

Voorts richten [appellanten] zich tegen het niet opnemen van de veranda binnen de aanduiding 'bouwblok' ter plaatse van hun recreatiewoning op het perceel [locatie]. Daartoe voeren zij aan dat de veranda architectonisch een geheel vormt met de rest van de recreatiewoning. Het opnemen van de veranda binnen het bouwblok is volgens [appellanten] overeenkomstig de bestaande situatie en biedt mogelijkheden om de veranda van beglazing te voorzien zodat de gebruiksmogelijkheden buiten de zomermaanden kunnen toenemen.

Zij betogen verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid een buitenberging op hun perceel te realiseren. Zij stellen dat de inpandige berging te klein is voor het stallen van fietsen en tuingereedschap. Tot slot achten [appellanten] het argument van het college om permanente bewoning van recreatiewoningen te ontmoedigen een oneigenlijk argument om geen uitbreidingsmogelijkheden toe te staan, omdat het tegengaan van permanente bewoning niet eenvoudig is.

2.10.1. Het college stelt dat de aanduiding 'houtopstanden' door de raad is toegekend om het groene karakter van het park te behouden en te versterken. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat deze aanduiding niet leidt tot een belemmering van het normale beheer en onderhoud van de tuinen, omdat hiervoor op grond van artikel 7, zevende lid, onder b, van de planvoorschriften geen aanlegvergunning nodig is.

Het college stelt tevens dat de raad de recreatiewoningen overeenkomstig de bestaande situatie heeft bestemd. Verder stemt het college in met het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande recreatiewoningen om permanente bewoning te ontmoedigen. Volgens het college gaat het provinciale beleid ervan uit dat recreatiewoningen beschikbaar moeten blijven voor verblijfsrecreatie en daarom acht het college permanente bewoning van recreatiewoningen ongewenst.

2.10.2. De raad heeft bij de beantwoording van de zienswijzen gesteld dat het opnemen van de veranda binnen het bouwblok en een bouwmogelijkheid voor een buitenberging uitbreiding van de bebouwing mogelijk maken. Dit is volgens de raad ongewenst, omdat uitbreiding van de bebouwing afbreuk doet aan het groene parkachtige karakter van het Midland Parc.

2.10.3. [appellanten] hebben een recreatiewoning op het Midland Parc in eigendom. Op de plankaart is aan de gronden binnen dit vakantiepark de bestemming "Recreatiedoeleinden" toegekend met daarbinnen, voor zover van belang, de aanduiding 'houtopstanden'. Ter plaatse van hun recreatiewoning is op de plankaart de subbestemming "R(r)" en de aanduiding 'bouwblok' opgenomen. Direct grenzend aan dit bouwblok is de aanduiding 'overkapping' weergegeven.

2.10.4. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Recreatiedoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. recreatieve doeleinden met de code R(r): recreatiewoningen;

(…)

f. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur en landschap ter plaatse van de op de plankaart voorkomende aanduiding 'houtopstand';

(…)

In de beschrijving in hoofdlijnen in het tweede lid is bepaald dat de in deze bestemming aan de gronden toegekende doeleinden zullen worden nagestreefd op een wijze die hierna in hoofdlijnen is beschreven:

(…)

c. voor de landschappelijke en ecologische betekenis en relaties met de omgeving is een (versterking van de) groene dooradering dan wel handhaving van het bosachtige karakter van de recreatiegebieden van belang. Voor de recreatiegebieden in Birkhoven (Dierenpark Amersfoort, bosbad) en Bokkeduinen (Midland Parc) betekent dit behoud, herstel en versterking van bomen en landschappelijke beplantingselementen.

(…)

Ingevolge het derde lid, onder c, mogen op de gronden als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden gebouwd: recreatiewoningen ter plaatse van de bestemming R(r).

Ingevolge het vierde lid, onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in het derde lid de bepaling dat gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwblokken mogen worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, onder c, geldt in uitzondering op het bepaalde onder a dat ter plaatse van de op de plankaart voorkomende aanduiding 'overkapping' een overkapping mag worden gebouwd.

Ingevolge het zevende lid, onder a, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) ter plaatse van de op de plankaart vermelde aanduiding 'houtopstand' de in dat artikel opgesomde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge het zevende lid, onder b, geldt het verbod niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

- werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;

- andere werken en/of werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan.

2.10.5. Voor zover [appellanten] betogen dat geen noodzaak bestaat voor een aanlegvergunningenstelsel, overweegt de Afdeling dat een aanlegvergunningenstelsel op grond van artikel 14 van de WRO dient te strekken ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming. Hierbij is de in 2.10.4 weergegeven beschrijving in hoofdlijnen van belang. De raad heeft bij de keuze voor de aanduiding 'houtopstanden' van belang kunnen achten dat op het Midland Parc veel bomen en groenelementen voorkomen en dat door het behouden van groen bereikt wordt dat een eenheid met het nabijgelegen bosgebied blijft bestaan. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat een aanlegvergunningvereiste voor de in artikel 7, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften opgesomde werken en werkzaamheden in het vakantiepark niet kan bijdragen aan de bescherming van de landschappelijke en ecologische waarden en derhalve niet noodzakelijk is.

2.10.6. Niet aannemelijk is dat het aanlegvergunningenstelsel tot een onevenredige belemmering van het gebruik van de gronden rond de recreatiewoning van [appellanten] zal leiden, omdat het aanlegvergunningenstelsel op grond van artikel 7, zevende lid, onder b, van de planvoorschriften niet van toepassing is op werken en werkzaamheden welke in het kader van het normale beheer en onderhoud worden uitgevoerd. Tevens acht de Afdeling van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat het aanlegvergunningenstelsel niet met zich brengt dat voor de kap van bomen tevens een kapvergunning is vereist.

Nu in het plan de betekenis van de zinsnede 'het normale beheer en onderhoud' niet is gedefinieerd of anderszins is uitgelegd, kan voor de uitleg daarvan worden aangesloten bij de betekenis die hieraan in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 7, zevende lid, onder b, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.

2.10.7. In de plantoelichting staat dat de recreatiewoningen op het terrein van Midland Parc overeenkomstig de bestaande situatie zijn bestemd en dat alle woningen op de plankaart zijn voorzien van een bouwblok waarin de bebouwing dient te worden gesitueerd. Verder vermeldt de plantoelichting dat uitbreiding van de bebouwing in het gebied niet mogelijk is, omdat dit afbreuk doet aan het groene parkachtige karakter.

2.10.8. Niet in geschil is dat de veranda valt binnen de op de plankaart opgenomen aanduiding 'overkapping'. Gelet hierop heeft het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre rekening is gehouden met de bestaande feitelijke situatie.

2.10.9. Bij het opstellen van het plan heeft de raad het uitgangspunt gehanteerd dat uitbreiding van de bebouwing in het Midland Parc vanwege het groene parkachtige karakter niet mogelijk is. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk, omdat uitbreiding van de bebouwing het karakter van het park kan aantasten. Uit de stukken blijkt dat [appellanten] de veranda van beglazing wensen te voorzien indien deze binnen het bouwblok valt. Aangezien de veranda na deze gewenste aanpassing niet meer kan worden aangemerkt als overkapping, heeft het college in navolging van de raad terecht gesteld dat in dat geval sprake is van uitbreiding van de recreatiewoning. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tegengaan van permanente bewoning wordt bevorderd door het buiten het bouwblok houden van de veranda en het niet toestaan van bijgebouwen in de vorm van een buitenberging. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, het uitbreiden van de recreatiewoning en het bouwen van een buitenberging eerder tot permanente bewoning kan leiden, aangezien daarmee het wooncomfort wordt vergroot. Aan de omstandigheid dat in het verleden op het perceel van [appellanten] een buitenberging aanwezig was heeft het college geen betekenis hoeven toekennen. Hierbij betrekt de Afdeling dat uit de door [appellanten] overgelegde brief van 10 oktober 2007 volgt dat deze berging zonder bouwvergunning was opgericht.

Gelet op het uitdrukkelijke verbod van permanente bewoning van recreatiewoningen heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om in het plan geen bouwmogelijkheid voor een buitenberging op te nemen en de veranda niet binnen het bouwblok te situeren.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010

234-586.