Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BO1842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
200906815/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2009, kenmerk 2008-022531, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bronckhorst bij besluit van 27 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied Hengelo/Vorden 2005/2008" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906815/1/R2.

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2009, kenmerk 2008-022531, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bronckhorst bij besluit van 27 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied Hengelo/Vorden 2005/2008" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2009 en 3 september 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 september 2009. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], de raad en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2010, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2 A] en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door M. Jolink en S. IJsseldijk, beiden werkzaam bij de gemeente, en M.H.H. Wensink.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan is opgesteld ter voldoening aan artikel 30 van de WRO en betreft in zoverre een correctieve herziening van onderdelen van het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo/Vorden" (hierna: bestemmingsplan Buitengebied) waaraan het college bij besluit van 5 december 2006 goedkeuring heeft onthouden en van onderdelen waaraan de Afdeling bij uitspraak van 7 mei 2008 in zaak nr. 200700707/1 zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden. Daarnaast zijn in het plan wijzigingen opgenomen naar aanleiding van gevoerde vrijstellingsprocedures op grond van artikel 19 van de WRO alsmede ambtshalve correcties.

De Afdeling heeft bij voormelde uitspraak, voor zover hier van belang, de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" voor het perceel Wichmondseweg 49, met uitzondering van de gronden waarop zich reeds bestaande bebouwing bevindt, vernietigd, omdat een concreet onderzoek naar de ruimtelijke wenselijkheid van de buitenruimten behorende bij het aldaar gevestigde dierenpension en de situering van deze buitenruimten ontbreekt, alsmede een afweging van de daarbij betrokken belangen. De Afdeling heeft in deze uitspraak tevens zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1]. Hij betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" en de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' ter plaatse van het perceel Wichmondseweg 49 (hierna: het perceel). Volgens hem is de uitspraak van de Afdeling onvoldoende in acht genomen, omdat een onderzoek naar de situering van de buitenruimten ontbreekt. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de gekozen situering van het hondenuitlaatterrein. Daartoe voert hij aan dat in afwijking van het vaststellingsbesluit de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' op de plankaart mede aan de zuidoostzijde van de bestaande bebouwing is gesitueerd in plaats van alleen aan de zuidzijde. Daarnaast stelt hij dat het gebruik van de zuidoostzijde van het perceel volgens akoestische onderzoeken de meeste geluidoverlast veroorzaakt. Bovendien stelt hij dat dit perceelsgedeelte niet meer in gebruik is als speelweide. [appellant sub 1] voert voorts aan de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (hierna: PCFL) een negatief advies heeft uitgebracht over de buitenruimten.

Verder voert [appellant sub 1] aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plandeel voor de natuur. De buitenruimten liggen in de beschermingszone natte natuur en nabij het natuurgebied Koningsweg en zullen tot aantasting van de natuur leiden, zo stelt [appellant sub 1].

Ook is volgens hem ten onrechte geen archeologisch onderzoek uitgevoerd.

[appellant sub 1] betwist dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Met name in de wintermaanden zijn de grote hekwerken rondom het terrein goed zichtbaar.

Bij de belangenafweging is volgens [appellant sub 1] onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Hij vreest dat geluidoverlast blijft bestaan. Het plan biedt onvoldoende garanties ter beperking van geluidoverlast, waarbij hij erop wijst dat afschermende voorzieningen weinig effect hebben. Uit een in opdracht van omwonenden uitgevoerd akoestisch onderzoek door Buro Tideman blijkt dat pieken zijn gemeten van boven de 60 dB(A). Volgens [appellant sub 1] is bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening gehouden met de door hem aangedragen maatregelen ter beperking van de gestelde overlast.

2.3.1. Het college heeft naar aanleiding van het advies van de PCFL om goedkeuring te onthouden aan de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' de raad in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven. In deze nadere toelichting zet de raad uiteen dat bij de vraag naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de buitenruimten de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) is gehanteerd waarin voor dierenasiels en -pensions vanwege het aspect geluid een richtafstand van 100 meter wordt aanbevolen. Daarnaast wijst de raad erop dat in 2004 een milieuvergunning is verleend voor het dierenpension met inbegrip van de buitenruimten. De aspecten natuur en landschap hebben volgens de raad voldoende aandacht gekregen, omdat het plan vanwege de mogelijke landschappelijke consequenties gewijzigd is vastgesteld en de buitenruimten niet van invloed zijn op de natuur. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn andere aspecten - behoudens de voormelde aspecten - op het gebied van natuur, landschap, water, hydrologie, archeologie en ecologie niet aan de orde, aldus de raad. De raad stelt zich op het standpunt dat onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid is uitgevoerd.

2.3.2. In reactie op de toelichting van de raad merkt het college op dat de aanbevolen afstand volgens de VNG-brochure 100 meter bedraagt en dat in onderhavig geval sprake is van dubbele afstanden of meer. Verder stelt het college dat de buitenruimten al jaren in gebruik zijn overeenkomstig een geldige milieuvergunning. De aanpak van de raad om metingen uit te voeren naar de geluidbelasting van het dierenpension en indien nodig voorzieningen te laten treffen, acht het college aanvaardbaar. Het college is na het zien van foto's van het gebied van mening dat sprake is van een aanvaardbare landschappelijke inpassing van het dierenpension en de buitenruimten. De ligging van de buitenruimten in de beschermingszone natte landnatuur staat niet in de weg aan het gebruik van de buitenruimten, omdat het gebruik volgens het college geen gevolgen heeft voor de kwaliteit, waterstand en stroming van het grond- en oppervlaktewater. Het college stelt zich na de toelichting van de raad op het standpunt dat de ruimtelijke wenselijkheid van de buitenruimten op aanvaardbare wijze is onderzocht. Het college is voorts van oordeel dat een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.3.3. Op plankaart 1 is aan het perceel de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" toegekend met daarbinnen gedeeltelijk de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide'. Deze aanduiding omvat de ter plaatse aanwezige grote speelweide ten zuiden en de drie kleine ruimten ten zuidoosten van de bestaande bebouwing (hierna tezamen: de buitenruimten).

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op plankaart 1 voor "Niet-agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een niet-agrarisch bedrijf met daarbij behorende erven, een aan-huis-gebonden beroep en detailhandel in eigen vervaardigde en/of voortgebrachte producten. Ter plaatse van de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' op plankaart 1 zijn een hondenuitlaatterrein en speelweiden ten behoeve van een dierenpension toegelaten.

2.3.4. Het betoog van [appellant sub 1] dat de buitenruimten tot ernstige verstoring van de aanwezige natuurwaarden leiden, faalt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college heeft gesteld dat het gebruik van de buitenruimten geen invloed zal hebben op de kwaliteit, de waterstand en de stroming van het grond- en oppervlaktewater en daarom niet van invloed is op de natuurwaarden en natuurdoelen van het nabijgelegen natuurgebied. Ter zitting is gebleken dat slechts een klein deel in het zuidoosten van het perceel binnen de beschermingszone natte landnatuur ligt. Voorts wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van de buitenruimten nadelige gevolgen voor de natuurwaarden heeft.

2.3.5. Wat betreft het ontbreken van archeologisch onderzoek wordt overwogen dat in het bestreden besluit staat dat andere zaken dan genoemd op het gebied van natuur, landschap, water en ecologie, niet aan de orde zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Ter zitting heeft de raad verklaard dat het perceel niet in de zone 'gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde' of de zone 'gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde' ligt en dat bovendien de grond ter plaatse niet wordt vergraven. Nu het perceel niet in een archeologisch waardevolle zone ligt, hetgeen door het college is bevestigd, en [appellant sub 1] zijn stelling dat ten onrechte geen archeologisch onderzoek is verricht niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat archeologisch onderzoek had moeten worden verricht.

2.3.6. De Afdeling overweegt ten aanzien van de landschappelijke inpassing dat de buitenruimten rondom zijn voorzien van een hekwerk. Hoewel dit hekwerk in enige mate afbreuk doet aan het open karaker van de omgeving, heeft het college van belang kunnen achten dat vanuit provinciaal beleid ter plaatse geen specifieke landschappelijke kwaliteiten zijn aangeduid. De Afdeling is van oordeel dat het college geen doorslaggevende betekenis heeft behoeven toekennen aan het feit dat het zicht op het hekwerk in de herfst- en wintermaanden verandert. Het betoog van [appellant sub 1] dat geen sprake is van een toereikende landschappelijke inpassing van het hekwerk om de buitenruimten, faalt.

2.3.7. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' op de plankaart niet in overeenstemming is met het vaststellingsbesluit, overweegt de Afdeling als volgt. In het ontwerpplan was het hondenuitlaatterrein voorzien op het noordelijke deel van het perceel. Na het aannemen van een amendement door de raad is het plan gewijzigd vastgesteld in die zin dat het zuidelijk gelegen deel van het perceel wordt bestemd als hondenuitlaatterrein. Op de plankaart is de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' weergegeven ten zuiden en ten zuidoosten van de bestaande bebouwing. De bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" omvat blijkens de plankaart het gehele terrein van het dierenpension dus inclusief het noordelijke perceelsgedeelte. Ter zitting heeft de raad verklaard dat het vaststellingsbesluit op juiste wijze op de plankaart is overgenomen. Volgens de raad had het amendement alleen betrekking op het verplaatsen van de speelweide en hebben de drie kleine ruimten aan de zuidoostzijde van de bebouwing nooit ter discussie gestaan. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' op de plankaart niet in overeenstemming is met het vaststellingsbesluit.

2.3.8. Aan de gronden ten noorden van de bestaande bebouwing is de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" toegekend. [appellant sub 1] heeft ter zitting toegelicht dat hij zich hier niet mee kan verenigen, omdat hij vreest dat ter plaatse bouwwerken zullen worden opgericht. De Afdeling stelt vast dat op grond van de bebouwingsregeling zoals neergelegd in artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften, bouwwerken onder voorwaarden zijn toegestaan binnen de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf". Van de zijde van de raad is ter zitting meegedeeld dat binnen de voorheen geldende agrarische bestemming eveneens de mogelijkheid bestond om ter plaatse bouwwerken op te richten. De raad heeft ervoor gekozen om de grens van de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" te laten aansluiten bij de eigendomssituatie. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

2.3.9. Voor zover [appellant sub 1] op het negatieve advies van de PCFL wijst, overweegt de Afdeling dat het advies van de PCFL niet bindend is voor het college. Naar aanleiding van het advies om goedkeuring te onthouden aan de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf", voor zover daarop tevens de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' is gelegd, is de raad de gelegenheid tot overleg geboden. Voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de buitenruimten van het dierenpension heeft de raad de VNG-brochure als richtsnoer gehanteerd. In de VNG-brochure wordt voor dierenasiels en -pensions vanwege het aspect geluid gelet op het karakter van het gebied een afstand aanbevolen van 100 meter. De kortste afstand van de grens van het perceelsgedeelte waarop het hondenuitlaatterrein is gesitueerd en de dichtstbij gelegen woning, zijnde de woning van [appellant sub 1], bedraagt ruimschoots 200 meter. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de in de VNG-brochure aanbevolen afstand in ruime mate in acht is genomen. Dit heeft het college in aanmerking mogen nemen bij de door [appellant sub 1] gevreesde geluidhinder door hondengeblaf. Daarbij komt dat bij besluit van 22 juli 2008 aan Wensink, eigenaar van het dierenpension, een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer is verleend. In deze milieuvergunning zijn voorschriften opgenomen waarin geluidnormen zijn vastgesteld, waaraan het dierenpension dient te voldoen. In dit verband acht de Afdeling van belang dat het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit waarbij de milieuvergunning is verleend, door de Afdeling bij uitspraak van 5 augustus 2009 in zaak nr. 200806955/1/M2 ongegrond is verklaard. Daarbij is door de Afdeling onder meer overwogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften waarin de geluidnormen zijn neergelegd, toereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid kunnen baseren op de aan de milieuvergunning ten grondslag liggende akoestische onderzoeken. Weliswaar is in deze milieuvergunning en de akoestische onderzoeken uitgegaan van de situatie dat de buitenruimten zich aan de noord- en zuidoostzijde van de bestaande bebouwing bevinden, maar door de gewijzigde situering van de buitenruimten komen deze merendeels op iets grotere afstand van de woning van [appellant sub 1] te liggen.

Voor zover [appellant sub 1] onder verwijzing naar het in de milieuvergunningprocedure ingebrachte tegenonderzoek van Buro Tideman stelt dat de aan de milieuvergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, wordt overwogen dat de raad heeft erkend dat uit verricht geluidonderzoek blijkt dat het maximale geluidniveau soms wordt overschreden. De feitelijke naleving van de milieuvergunningvoorschriften betreft echter een handhavingskwestie, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Evenmin kunnen de bezwaren van [appellant sub 1] tegen de recent verleende nieuwe milieuvergunning in deze procedure aan de orde komen.

Ten aanzien van de voorgestelde maatregelen ter beperking van de overlast, overweegt de Afdeling dat de meeste van deze maatregelen niet ruimtelijk relevant zijn en derhalve niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld. Het oprichten van een geluidswal en het verkleinen van de buitenruimten, zoals [appellant sub 1] heeft voorgesteld, zijn wel ruimtelijk relevant. Ter zitting is van de zijde van de raad meegedeeld dat voor afschermende voorzieningen in de vorm van een geluidswal geen noodzaak bestaat, omdat een geluidswal bij de huidige omvang van de buitenruimten geen effect heeft. Voor de omvang van de buitenruimten is aangesloten bij de bestaande situatie. Wensink heeft ter zitting toegelicht dat zowel de grote speelweide als de drie kleine terreinen worden gebruikt, maar dat het gebruik van de drie kleine terreinen minder intensief is. Verder heeft Wensink ter zitting gesteld dat de buitenruimten in de huidige omvang noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. Dat in het plan uitwerking is gegeven aan de voorgestelde maatregelen, leidt niet tot het oordeel dat sprake is geweest van een onzorgvuldige belangenafweging. Daarbij wordt verder in aanmerking genomen dat de situering van de grote speelruimte juist ten behoeve van de omwonenden is gewijzigd van het noordelijke perceelsgedeelte naar het zuidelijke.

Het college heeft zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de buitenruimten niet zullen leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 1].

2.3.10. Gelet op het hiervoor overwogene is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de situering van de buitenruimten voldoende is onderzocht en dat een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" met gedeeltelijk de aanduiding 'hondenuitlaatterrein/speelweide' voor het perceel Wichmondseweg 49 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.5. [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan omdat dat niet voorziet in de mogelijkheid een recreatiewoning op te richten op hun perceel aan de [locatie 2] (hierna: het perceel). Zij stellen dat de juridische vormgeving van het plan onduidelijk is en dat het plan door de vele wijzigingen onleesbaar is. Volgens [appellanten sub 2] is onvoldoende inzichtelijk welk gebruik van gronden is toegestaan.

2.5.1. De plantoelichting vermeldt dat voor het goed lezen van het bestemmingsplan Buitengebied Hengelo/Vorden zowel de correctieve herziening als het origineel noodzakelijk is. Dat het plan in combinatie gelezen dient te worden met het bestemmingsplan Buitengebied leidt wellicht tot een minder gemakkelijk leesbare planregeling, maar daarin ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de juridische vormgeving van het plan onduidelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de inleiding bij de planvoorschriften volgt dat de voorschriften deel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied en dat deze laatste mede van toepassing zijn op het onderhavige plan. Tevens wijst de Afdeling erop dat een integrale versie van de planvoorschriften beschikbaar is.

2.6. [appellanten sub 2] betwisten het standpunt van de raad dat het provinciaal beleid zich verzet tegen het oprichten van een recreatiewoning op hun perceel. De gewenste recreatiewoning zou de laatste zijn op een voormalig zomerhuisjesterrein met 20 recreatiewoningen en van een solitaire recreatiewoning is volgens [appellanten sub 2] dan ook geen sprake. Vanwege de vele ambtshalve wijzigingen in dit plan, had volgens hen ook de gewenste recreatiewoning in het plan kunnen worden opgenomen.

2.6.1. Het college stelt dat de mogelijkheid om op het perceel een recreatiewoning te realiseren reeds is komen te vervallen in het bestemmingsplan Buitengebied.

2.6.2. De raad heeft de zienswijze van [appellanten sub 2] niet inhoudelijk beoordeeld, omdat deze betrekking heeft op een locatie die niet is gelegen binnen de begrenzing van de correctieve herziening.

2.6.3. Zoals in 2.2 is vermeld is het plan in de eerste plaats opgesteld om te voldoen aan artikel 30 van de WRO. Daarnaast zijn ambtshalve wijzigingen en wijzigingen naar aanleiding van vrijstellingsprocedures in het plan verwerkt. Het plan bestaat volgens de plantoelichting uit een plankaart waarop de wijzigingen met een rode cirkel en een nummer zijn weergegeven, een toelichting waarin de wijzigingen zijn toegelicht en aanvullingen en wijzigingen van de voorschriften. Slechts de in de planvoorschriften en op de plankaart aangegeven wijzigingen kunnen aan de Afdeling ter beoordeling worden voorgelegd. Het perceel van [appellanten sub 2] aan de [locatie 2] maakt hier geen deel van uit.

De Afdeling vat het beroep van [appellanten sub 2] zo op, dat zij zich richten tegen het ten onrechte niet opnemen van hun perceel binnen de begrenzing van de correctieve herziening. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen instemmen met de keuze van de raad om het perceel buiten de planbegrenzing te laten vallen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat niet gebleken is van een zodanige ruimtelijke samenhang tussen de gronden waarop de wijzigingen van de correctieve herziening betrekking hebben en het perceel aan de [locatie 2], dat dit perceel in het plan had moeten worden opgenomen.

Tot slot wijst de Afdeling erop dat hetgeen overigens nog door [appellanten sub 2] is aangevoerd, te weten dat de plankaart en de planvoorschriften wat betreft de aanduiding 'rw (recreatiewoning)' ter plaatse van hun perceel niet met elkaar in overeenstemming zijn, in deze procedure niet aan de orde kan komen, nu dit betrekking heeft op het bestemmingsplan Buitengebied.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plangrens niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010

234-586.